Het recentste verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid bevestigt dat het aantal banen onder de regering-Michel sterk is toegenomen. Vorig jaar steeg de binnenlandse werkgelegenheid met 65.000 banen, het beste cijfer in jaren. Sinds 2014 kwamen er 183.000 banen bij.
...

Het recentste verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid bevestigt dat het aantal banen onder de regering-Michel sterk is toegenomen. Vorig jaar steeg de binnenlandse werkgelegenheid met 65.000 banen, het beste cijfer in jaren. Sinds 2014 kwamen er 183.000 banen bij. Maar meteen volgt een waarschuwing: die dynamiek neemt af. Er worden 41.000 extra banen voorspeld voor dit jaar, 30.000 voor 2019 en 20.000 voor 2020. Dat is een nettostijging van het aantal banen, maar er moeten er veel meer bij komen om de Belgische werkzaamheidsgraad op te trekken. Die schommelt rond 70 procent. In landen als Nederland, Duitsland, Zweden en Denemarken is dat 80 procent. Het probleem van de Belgische arbeidsmarkt blijft de paradox dat er veel openstaande vacatures zijn, terwijl een kwart van de Belgen tussen 20 en 65 jaar niet werkt. De Belgische vacaturegraad - het aantal openstaande vacatures tegenover het aantal banen - is met 3,5 procent een van de hoogste van Europa. De mismatch op de arbeidsmarkt dreigt veel bedrijven in hun groei te fnuiken. Vooral de Vlaamse regering wil dat aanpakken, want 142.000 van de 200.000 knelpuntvacatures zijn Vlaams. De regering-Michel is het engagement aangegaan om voor het zomerreces een arbeidsdeal af te sluiten, dat de vraag en het aanbod beter op elkaar moet afstemmen. Daarover wordt overleg gepleegd met de deelstaten. Die zijn sinds de zesde staatshervorming bevoegd voor de activering van werkzoekenden. Maar het wettelijk kader wordt nog altijd grotendeels federaal bepaald. Dat zagen we onlangs met het SWT of brugpensioen bij Carrefour. De activering van de bruggepensioneerden is een regionale bevoegdheid, maar het vastleggen van de voorwaarden voor de leeftijd en de loopbaanduur is federaal. De Vlaamse regering wil daarom dat de federale regering het voortouw neemt. Federaal is te horen dat de deelstaten zelf een aantal maatregelen kunnen nemen. Er is sprake van de verplichting voor een werknemer om zich onmiddellijk na zijn ontslag te melden bij de VDAB, in plaats van aan het einde van de opzeggingstermijn. Ook zou wie een opleiding voor een knelpuntberoep volgt, op fiscale voordelen kunnen rekenen. De Vlaamse regering kan ook het absurde onderscheid tussen actieve beschikbaarheid (zelf naar een baan zoeken) en passieve beschikbaarheid (enkel ingaan op een werkaanbod en niet actief zoeken) afschaffen. De federale regering komt voorlopig niet veel verder dan het herhalen van grote principes, zoals de behoefte aan meer arbeidsmobiliteit en investeringen in opleidingen. Het risico bestaat dat ze al tevreden zal zijn met een aantal maatregelen die de deelstaten doorvoeren. In dat geval is de arbeidsdeal niet "de laatste grote werf voor de verkiezingen", zoals die in de Wetstraat wordt genoemd. Het is eerder een kleine werf. Het jaarverslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid leert dat de problemen op de arbeidsmarkt veel structureler zijn en diepgaandere ingrepen vergen dan een aangepast activeringsbeleid en investeringen in opleiding en levenslang leren. En dat die hervormingen zich vooral op federaal niveau situeren. De vraag is of de regering-Michel die nog kan nemen, nu we al in volle verkiezingscampagne zitten. Eigenlijk moet een voldragen arbeidsdeal drie paden bewandelen. Ten eerste een verdere verlaging van de lasten op arbeid. De taxshift heeft die met amper 1 à 2 procent verlicht. De Belgische loonkosten behoren nog altijd tot de hoogste van Europa. Dat vergt een grotere fiscale hervorming. Dat is niet meer realistisch in deze legislatuur. Twee: een aanpassing van de anciënniteitsverloning. Dat staat in het regeerakkoord, maar de vraag is of CD&V daar nog werk van wil maken, net zoals het derde pad: de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen. Het effect van die maatregelen zal niet direct te merken zijn, maar ze zorgen op termijn wel voor een beter functionerende arbeidsmarkt. Alleen zullen ze wellicht pas onder een volgende regering in werking treden. En dan zijn we ten vroegste in de tweede helft van 2019.