Geeft het coronavirus de globalisering de doodsteek? De epidemie legt de kwetsbaarheid van het wereldwijde handelsverkeer bloot. Ongeveer twee derde van de wereldhandel bestaat uit halffabricaten, schat het McKinsey Global Institute (MGI) in zijn rapport Globalization in Transition. Handel is dus vooral een kwestie geworden van fabrikanten die elkaar onderdelen toeschuiven. Dat complexe, wereldwijde raderwerk is gevoelig voor haperingen. En allicht wordt het coronavirus zo'n hapering.
...

Geeft het coronavirus de globalisering de doodsteek? De epidemie legt de kwetsbaarheid van het wereldwijde handelsverkeer bloot. Ongeveer twee derde van de wereldhandel bestaat uit halffabricaten, schat het McKinsey Global Institute (MGI) in zijn rapport Globalization in Transition. Handel is dus vooral een kwestie geworden van fabrikanten die elkaar onderdelen toeschuiven. Dat complexe, wereldwijde raderwerk is gevoelig voor haperingen. En allicht wordt het coronavirus zo'n hapering. Maar de fut was al langer uit de wereldhandel. Economen spreken van deglobalisering. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de goederenhandel sneller dan de wereldeconomie, maar sinds de crisis van 2008-2009 stokt de motor. In 2008 bereikte de goederenhandel afgezet tegen de wereldproductie nog een hoogtepunt van 51 procent, maar sindsdien gaat het bergaf (zie grafiek Wereldhandel topt af). Hetzelfde zien we bij de buitenlandse investeringen. In 2007 bereikten die een piek van 5,4 procent van de wereldproductie, maar daarna kwam de klad erin (zie grafiek Buitenlandse investeringen kalven af). Daarnaast valt de deglobalisering ook te merken aan de krimpende spanwijdte van de productieketens, zegt Filip Abraham, professor internationale economie aan de KU Leuven en de Vlerick Business School. "Bedrijven brengen hun productieketens opnieuw dichter bij de thuismarkt. Misschien nog niet in eigen land, maar wel in de brede regio daarrond." Het MGI-rapport illustreert die ommekeer met cijfers over het aandeel van de intraregionale goederenhandel - de goederenhandel tussen dichtbij gelegen landen - in de totale wereldhandel. Eerst zakte dat aandeel van 51 procent in 2000 naar 45 procent in 2012, mede door de opkomst van China als goedkoop productieland. Maar tussen 2013 en 2017 steeg het aandeel weer met 2,7 procentpunten. Die regionalisering van de wereldhandel is zichtbaar in Europa en Azië, en dan vooral in fijnmazige productieketens, zoals die voor computers, elektronica en auto's, waar een tijdige levering van onderdelen cruciaal is. Economen zien vier factoren achter de deglobalisering: de inperking van het vrije verkeer van personen, het handelsprotectionisme, technologie en de klimaatopwarming. De globalisering komt vooral in gevaar door de toenemende beperkingen van het vrije verkeer van personen, meent Alicia García-Herrero, onderzoekster bij de Brusselse denktank Bruegel en hoofdeconoom voor Azië bij de investeringsbank Natixis. "Deglobalisering gaat niet enkel om een daling van het handelsverkeer van goederen, maar ook van diensten en vooral mensen. Daar zien we de laatste tijd onverwacht strenge beperkingen", waarschuwt ze. "Nog voor de coronacrisis werden de Verenigde Staten al strenger in de toelating van buitenlandse werknemers, studenten en toeristen." Wereldwijd groeien de migratie en het toerisme nog, maar die groei is de jongste tien jaar teruggevallen van 3 tot minder dan 1 procent voor migratie, en van 6 naar minder dan 5 procent voor toerisme. De reisverboden als reactie op het coronavirus zijn volgens de Bruegel-onderzoekster buiten verhouding. "Voor zij die dat willen, is het virus het perfecte excuus om het vrije verkeer van mensen voort te beperken. Alle reisverboden die je nu ziet, zijn grotendeels een geopolitieke keuze", zegt ze stellig. "Wie denkt dat dit maar tijdelijk is, vergist zich. Dit gaat om veel meer dan een economische schok die met wat overheidsstimulering wel zal overwaaien." De Spaanse econome vreest dat de angst en het wantrouwen ten gevolge van de corona-uitbraak politiek zullen worden ingezet. "Het besef dat de globale verwevenheid via handel en personenvervoer doorbroken kán worden, is heel krachtig. Dat kan men inzetten voor de verkeerde geopolitieke doeleinden. Kijk naar de snelheid waarmee India reizigers uit China en Italië blokkeerde, of waarmee de VS vluchten uit China verboden. In een tijdperk van angst zijn mensen bereid veel maatregelen te aanvaarden. Dit kan weleens een keerpunt zijn in de richting van een nieuwe koude oorlog." Tarievenoorlogen, zoals die tussen de VS en China, tonen de onvrede over de effecten van globalisering, stelt Hans Bevers, hoofdeconoom bij de bank Degroof-Petercam. "Al voor de verkiezing van Donald Trump waren de Amerikanen bekommerd om het handelstekort met China en andere landen. De strijd tussen die handelsblokken zal niet meteen wegebben. Europa wordt wellicht de volgende regio waarop Trump zijn pijlen richt, want ook met de Europese Unie hebben de VS een groot handelstekort", legt hij uit. Die handelsconflicten zorgen voor hogere invoertarieven, meer onzekerheid, en dus druk op de wereldhandel. Protectionisme en handelsoorlogen zitten ook achter de krimp van de productieketens, volgens Abraham. "Invoertarieven maken een bedrijf kwetsbaar als het ver buiten de eigen regio produceert. Het klassieke argument voor productie in een ver land, de lage loonkosten, speelt almaar minder. China is niet langer de goedkope fabriek van de wereld." Het MGI-rapport bevestigt die tendens. In tegenstelling tot wat velen denken, zoeken multinationals niet langer de laagst mogelijke lonen op. De export van lagelonenlanden naar hogelonenlanden vertegenwoordigt nog amper 18 procent van de wereldwijde goederenhandel. Bedrijven laten de beslissing over hun productievestiging afhangen van andere factoren, zoals de nabijheid van afzetmarkten, de kwaliteit van de infrastructuur en de beschikbaarheid van hooggeschoolde medewerkers. De technologische evolutie heeft decennialang de globalisering in de hand gewerkt, maar nu is het omgekeerde aan de hand. "Recente technologische ontwikkelingen, zoals 3D-printen, artificiële intelligentie en robotisering, maken het mogelijk dichter bij huis te produceren", legt Hans Bevers uit. "Daardoor worden productieketens opnieuw korter, sneller, slimmer en regionaler." Die nieuwe technologieën zullen de productie nog kapitaalintensiever maken, en daardoor nog dichter bij de consument brengen. Dat effect zou de wereldhandel tegen 2030 met 10 procent kunnen doen krimpen, vergeleken met een scenario zonder nieuwe technologieën, schat het MGI-rapport. Naarmate een land klimt op de economische waardeladder, heeft het minder buitenlandse onderdelen en kennis nodig. Vroeger assembleerde China ingevoerde onderdelen. Nu maakt het steeds meer onderdelen zelf. Die transitie naar economische maturiteit zie je ook elders in Azië, zodat in 2017 de opkomende economieën in dat werelddeel voor slechts 8,3 procent van hun goederenproductie afhankelijk waren van ingevoerde onderdelen. In de rest van de ontwikkelingslanden was dat 15,1 procent. Het klimaat wordt almaar belangrijker als drijfveer van de deglobalisering. De duurzaamheidseconoom Herman Daly zei ooit: "De VS exporteren koekjes naar Denemarken en Denemarken exporteert koekjes naar de VS. Zou het niet makkelijker zijn gewoon recepten uit te wisselen?" De toenemende klimaatproblematiek doet de vraag rijzen of bepaalde internationale handelsstromen nog wel te verantwoorden zijn. Een groot vraagteken is het effect van de klimaatverandering op de productieketens. "Net zoals technologie en handelsspanningen dwingt ook het klimaatprobleem bedrijven te bekijken of ze hun productie niet dichter bij huis kunnen brengen", zegt Hans Bevers. "De bezinning in de bedrijfswereld is volop bezig", ziet ook Filip Abraham. "Vroeger waren ecologische problemen niet meer dan neveneffecten van de productie, zogenoemde marktfalingen die je moest corrigeren, bijvoorbeeld met heffingen of taksen. Nu de klimaatverandering dramatische proporties begint te krijgen, nemen bedrijven ook de eigen werking onder de loep. Als ze niet veranderen, worden niet alleen het klimaat maar ook zijzelf het slachtoffer. Wat dat zal betekenen voor de productieketens, kan ik niet inschatten. Maar één ding is zeker: tenzij het coronavirus verandert in een soort ebolavirus, wordt het economische effect van de klimaatverandering veel belangrijker." Hans Bevers ziet dat verhoogde risicobewustzijn de verdere globalisering afremmen. "De wereldhandel werd tot nu vooral gedreven door lagere handelstarieven en -barrières, maar ik verwacht dat er almaar meer aandacht zal komen voor de risico's." Koen De Leus, hoofdeconoom bij BNP Paribas Fortis, treedt hem bij. "Door die nieuwe structurele factoren, zoals het klimaat en de handelsspanningen, schuiven we stilaan op in de richting van ' small is beautiful'. Bedrijven met een meer lokale productie en kortere ketens zijn minder vatbaar voor ontwrichting." Naast die structurele krachten is volgens Alicia García-Herrero in de deglobalisering nog een onderbelichte factor aan het werk: de gestage ondergang van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) als instelling om de handel te bevorderen en handelsgeschillen te beslechten. "De WTO heeft een beetje weg van de Titanic. Het einde is nabij, maar men acht een redding nog mogelijk", zegt ze. "Niemand ontkent de goede bedoelingen van de WTO, maar dat verhaal is afgelopen. Zeker Europa moet dat aanvaarden. Elke poging om die instelling te reanimeren, leidt af van andere zaken die men kan doen om onze positie in de handel te vrijwaren." Na enkele decennia van hyperglobalisering is de omgekeerde beweging ingezet. De vraag is of dat slecht is voor het globale productieapparaat, de burger en de consument. Volgens Koen De Leus zijn de wereldeconomie en het bedrijfsleven rijp genoeg om die handelskrimp op te vangen. "Corona kan op langere termijn de deglobalisering versnellen. De bedrijfswereld kan dat aan. De winstmarge van veel, vooral internationale bedrijven zit op een piek." Een recent rapport van Bridgewater, het hefboomfonds van de wereldvermaarde Ray Dalio, stelde dat de winstmarges van Amerikaanse bedrijven nog nooit zo groot zijn geweest. De krimpende handelsstromen hoeven geen catastrofe te zijn, aldus Hans Bevers. "Na de Nixon-shock in de jaren zeventig en tachtig plafonneerde de internationale handel, zonder dat dat de economie ontwrichtte", legt hij uit. Om de hoogoplopende inflatie in de jaren zeventig tegen te gaan, nam de Amerikaanse president Nixon boude maatregelen, zoals hogere invoertarieven.Minder wereldhandel hoeft niet noodzakelijk te leiden tot hogere productiekosten en een hogere inflatie. "We hebben periodes gekend van permanent hogere handelstarieven en hun effect op de inflatie is beperkt geweest", zegt Hans Bevers daarover. De drijfveren achter de deglobalisering kunnen dat risico op hogere prijzen zelfs indammen. "Kortere, efficiëntere handelsketens en technologie kunnen een mogelijk inflatoir effect opvangen", stelt hij. Voor westerse economieën die hun productie dichter bij huis brengen, is het belangrijk de technologie- en de productiviteitswinsten breder te verspreiden over alle bedrijven. Dat moet voorkomen dat de prijzen voor de consumenten stijgen. Nu zitten de hoge productiviteit en innovatie vooral geconcentreerd bij een klein schare topbedrijven. Ondanks de huidige tegenwind zal de wereldproductie nog altijd op een hoog peil blijven draaien. Waar de wereldhandel in de jaren zeventig minder dan 20 procent van de wereldproductie bedroeg, is dat cijfer na de jaren 2000 naar meer dan 50 procent geschoten. Sindsdien hebben de handelsstromen enkele dipjes gekend, maar een terugval tot de cijfers van de vorige eeuw is nog lang niet aan de orde.