Het moet lang geleden zijn dat Vlaamse economen zoveel stof deden opwaaien. Jan Eeckhout en Jan De Loecker passeerden intussen in zowat alle economische media die ertoe doen, zoals Financial Times, The Wall Street Journal en The Economist. Ook op gespecialiseerde blogs wordt hun studie The Rise of Market Power duchtig gefileerd en besproken.
...

Het moet lang geleden zijn dat Vlaamse economen zoveel stof deden opwaaien. Jan Eeckhout en Jan De Loecker passeerden intussen in zowat alle economische media die ertoe doen, zoals Financial Times, The Wall Street Journal en The Economist. Ook op gespecialiseerde blogs wordt hun studie The Rise of Market Power duchtig gefileerd en besproken.Bij het grote publiek is het tweetal zo goed als onbekend, maar dat zal gauw veranderen. Jan Eeckhout, momenteel op sabbatjaar aan de Amerikaanse Princeton University, is professor economie aan University College London en aan Universitat Pompeu Fabra in Barcelona. Jan De Loecker is professor economie aan de Princeton University en doceert aan de KU Leuven. Waar gaat de beroering over? De twee Vlamingen komen met nieuwe bewijzen voor de toenemende monopolisering van het bedrijfsleven. Op zich niks speciaals, er waren al langer tekenen dat het schort met de marktwerking. Maar de berekeningen van Eeckhout en De Loecker ogen best wel spectaculair. Ze gebruiken het concept 'marktmacht'. Dat is de mate waarin een bedrijf in staat is zijn verkoopprijs op te trekken boven de variabele kosten, zoals uitgaven voor grondstoffen en onderdelen. In een gezonde markt zal de verkoopprijs niet veel hoger liggen dan de variabele kosten. Te hoge prijzen worden er meteen weggeconcurreerd. Dat is niet wat in de voorbije decennia gebeurde bij de Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven. Daar steeg het verschil tussen de verkoopprijs en de variabele kosten, de zogenoemde marge. In 1980 bedroeg die marge gemiddeld 18 procent, tegen 2014 was ze gezwollen tot 67 procent, meer dan drie keer zoveel. Op zich hoeft dat nog geen bewijs van marktmacht te zijn. De marge dient ook om de vaste kosten te dekken.Denk bijvoorbeeld aan de software-investeringen van een internetbedrijf. Maar de toename van de marge was meestal pure winst, wat wijst op echte marktmacht. "We merken dat de winsten zelfs sneller gestegen zijn dan de marges", zegt Eeckhout. Die stijging van de winsten is indrukwekkend. Tussen 1980 en 2014 is hun aandeel in het Amerikaanse bruto binnenlands product (bbp) liefst verviervoudigd. Dat is te veel om normaal te zijn. Het komt erop neer dat de Amerikaanse bedrijven almaar meer zelf hun prijs kunnen bepalen. Dat is het cruciale onderscheid met vrije concurrentie, waar bedrijven de prijs moeten slikken die de markt hun dicteert. Nog erger is dat de bedrijven met de meeste marktmacht nog machtiger zijn geworden. Dat blijkt uit een rangschikking van de bedrijven volgens hun marge. De bovenste tien procent van de rangschikking wist zijn marge tussen 1980 en 2014 te vergroten van 46 naar 160 procent. De rest komt er veel bekaaider uit. De mediaan - het bedrijf in het midden van de rangschikking - zag zijn marge slechts een beetje stijgen. De bedrijven in de onderste helft van de rangschikking horen er al helemaal niet meer bij: hun marge kalfde af. De machtsophoping zet een kwalijke kettingreactie in gang. Bedrijven met marktmacht vragen hogere prijzen. Daardoor verkopen ze minder, zodat ook de productie daalt. Bedrijven die minder produceren, investeren minder, en werven ook minder werknemers aan. De vraag naar arbeid neemt af, zodat de lonen zakken, vooral bij de laaggeschoolden.Slotsom, meer marktmacht betekent stagnatie van de groei en toename van de ongelijkheid. Twee van de grootste economische vraagstukken van deze tijd zijn in één ruk verklaard. Eeckhout en De Loecker hadden voor minder de aandacht van de wereld getrokken. Zoals het goede academici past, blijven Eeckhout en De Loecker voorzichtig. Allicht is marktmacht niet de enige verklaring voor de opgesomde kwalen, schrijven ze. Maar er valt moeilijk naast de cijfers te kijken. De groei van de marktmacht loopt netjes in pas met de afbrokkeling van de investeringen sinds 1980, en houdt ook gelijke tred met de daling van het aandeel van de loonmassa in het Amerikaanse bbp. Tussen 1980 en vandaag is het aandeel van de loonmassa geslonken van 62 naar 56 procent. "In feite betalen de mensen twee keer, als werknemer en als consument", zegt Eeckhout. "Omdat de lonen dalen, gaat een deel van de koek naar het bedrijf. Dat is pure herverdeling. De winst van het bedrijf is het loon dat de werknemers niet krijgen. En omdat de prijzen stijgen, krijgt de consument minder waar voor zijn geld. Met het mediane loon in de Verenigde Staten koop je vandaag nog maar de helft wat je er in 1980 voor kreeg. De toename van de marktmacht is op zijn eentje verantwoordelijk voor een prijsstijging van 42 procent in de voorbije 35 jaar." De marktmacht tast ook de arbeidsmarkt aan. De magere lonen ontmoedigen mensen om te gaan werken, zodat de arbeidsparticipatie daalt. Bedrijven houden ook hun werknemers langer vast. "Bedrijven met marktmacht zijn beter bestand tegen economische schokken", zegt Eeckhout. "Als het slecht gaat, hoeven ze minder mensen te ontslaan. Omgekeerd, als het goed gaat, werven ze minder aan.""Dat merken we aan de jobrotatie: Amerikanen veranderen minder vaak van werk. Sinds de jaren negentig is de rotatie met zowat de helft gezakt. Hetzelfde zie je bij de verhuizingen. Wie op zoek moet naar een andere baan, vindt die vaak in een andere stad. Maar sinds 1980 is het aantal verhuizingen gehalveerd." Een populaire verklaring voor de stagnerende groei is de verzwakking van de productiviteit. Die uitleg schuiven Eeckhout en De Loecker van tafel. "Onze berekeningen tonen het omgekeerde aan", zegt Eeckhout. "De productiviteit is gestegen sedert 2000. Het effect van de marktmacht maskeert die stijging. De productiviteit daalt niet, we produceren gewoon minder."Wat wèl daalt, is de dynamiek. Nieuwkomers komen niet meer aan de bak. Eeckhout: "Hoe meer marktmacht, hoe minder concurrentie, en hoe minder faillissementen. Omdat gevestigde bedrijven de markt bezet houden, hebben starters geen zin meer om eraan te beginnen. Geen wonder dat het aantal starters spectaculair gedaald is in de VS." Ook de spaarders doen een slechte zaak. "De rente is de jongste dertig jaar enorm gezakt", zegt Eeckhout. "De slapte van de investeringen vermindert de vraag naar geld, wat de intrestvoeten lager stuurt. Tegelijk stijgt het aanbod van geld, want de bedrijven weten geen blijf met hun cash. Dankzij hun marktmacht maken ze mooie winsten, zodat het geld binnenstroomt." Het maakt alvast de beleggers gelukkig. "Waarom willen beleggers zo veel betalen voor een aandeel van Apple? Omdat ze verwachten dat het bedrijf veel winst zal maken en riante dividenden zal uitkeren. De aandelenkoersen profiteren dus van de toegenomen marktmacht, want het doet de winsten toenemen. Bij gezonde concurrentie zou de Dow Jones wellicht de helft lager noteren dan vandaag." Is de marktmacht ook in Europa een probleem geworden? "We zijn bezig met een onderzoek", zegt Eeckhout. "Het heeft wat voeten in de aarde om de juiste data bijeen te krijgen. Naar mijn aanvoelen is het probleem in Europa minder groot. De marktmacht zal toegenomen zijn, maar slechts half zoveel als in de VS, schat ik. Ik ondervind dat zelf. Ik woon in de VS. De telecomfactuur van ons gezin is twee tot drie keer hoger dan in Europa.De verklaring is simpel. Er zijn in de VS nog maar vier grote telecomoperatoren over. Het is een groot verschil met de jaren tachtig, toen de Amerikanen de strijd aanbonden met de grote monopolies. Uit die tijd dateert het opbreken van de telecomgigant AT&T bijvoorbeeld. Maar sindsdien vinden ze het daar allemaal niet meer zo nodig. Megafusies en megabedrijven zijn weer in zwang." Europa is alerter, op zijn manier. "Europa doet de grote bedrijven liever boetes betalen voor oneerlijke concurrentie, dan dat het de concurrentie herstelt. Want dat laatste brengt geen geld op. Wie moet concurreren, maakt minder winst en betaalt dus minder belastingen. Kijk naar de 13 miljard euro aan onrechtmatige staatssteun die Apple moet terugbetalen. Dat is mooi voor de staatskas, maar bij een gezonde concurrentie zou dat bedrag direct naar de mensen vloeien. De werknemers van Apple zouden een hoger loon krijgen, en u en ik zouden onze smartphone tegen de helft van de prijs kunnen kopen. Iedereen content."