De Belgische uitgaven voor sociale bescherming bedroegen in 2016 29,8 procent van het bbp. Dat is een daling tegenover 2015, toen 30,3 procent van het bbp werd uitgegeven aan sociale bescherming.

Ons land zit daarmee boven het gemiddelde in de Europese Unie (28,2 procent). Enkel in Frankrijk (34,3 procent), Finland en Denemarken (beiden 32 procent) en Oostenrijk (30,3 procent) werd procentueel nog meer van het bbp besteed aan sociale bescherming. Onderaan het lijstje bengelen Roemenië, Letland en Litouwen (elk 15 procent). De gemiddelde bestedingen in de EU daalden in 2016 (28,2 procent) in vergelijking met 2015 (28,4 procent).

Grootste slokop zijn de rust- en overlevingspensioenen: die waren in 2016 goed voor 44,9 procent van de bestedingen voor sociale bescherming. Daarmee zit ons land wel onder het EU-gemiddelde (45,6 procent). De bestedingen voor de ziekteverzekering en invaliditeitsuitkeringen slokten 35,2 procent van de uitgaven op. Ook dat is onder het EU-gemiddelde (36,9).

Nog eens 9,1 procent van de bestedingen voor sociale bescherming gaat naar werkloosheid. Daarmee zit ons land duidelijk boven het EU-gemiddelde (4,7 procent). Enkel Ierland (10,1 procent) besteedt procentueel meer van zijn sociale bescherming aan werkloosheid. Ook de uitgaven voor kind en gezin in ons land (7,5 procent van de bestedingen) en huisvesting en sociale exclusie (3,3 procent) liggen onder het Europees gemiddelde (respectievelijk 8,7 en 4,2 procent).

Eurostat becijferde ook waar het meest per inwoner wordt uitgetrokken voor sociale bescherming. Dat is in Luxemburg, gevolgd door Oostenrijk, Duitsland, Denemarken, Nederland en Frankrijk. België komt op plaats negen.