Het gaat om de loonwet, die de concurrentiepositie van de bedrijven moet bewaken door de loonkosten in de pas te houden met de ontwikkelingen bij onze belangrijkste handelspartners. Die wet laat een loonsverhoging van 3,2 procent toe, waarvan 0,4 procent reële loonsverhoging. Dat is niet veel, maar de bijzonder zwakke stijging van de arbeidsproductiviteit laat sowieso geen grote avonturen toe.

De loonwet is verre van perfect, met haar eenzijdige focus op de loonontwikkelingen in de buurlanden, maar ze heeft de voorbije jaren haar waarde bewezen door onze concurrentiepositie te bewaken en op die manier de werkgelegenheid te beschermen. Als België één beleidsprioriteit heeft, dan wel het verhogen van de nog altijd veel te lage werkgelegenheidsgraad.

Het blijft in dit land blijkbaar moeilijk om zomaar wetten toe te passen die onze welvaart proberen te beschermen. Een coronapremie van maximaal 500 euro was onvoldoende als smeermiddel. PS-voorzitter Paul Magnette dreigde ermee dat zijn federale minister van Werk, Pierre-Yves Dermange, zijn handtekening niet onder het loonakkoord zou zetten, als de deal in het sociaal overleg niet gesmeerd zou worden met een verhoging van de minimumlonen, een soepeler brugpensioen en soepeler landingsbanen. De wet die de werkgelegenheid moet beschermen, zou dus alleen toegepast worden, als er maatregelen komen die de werkgelegenheid opnieuw onder druk zetten. Belgisch surrealisme op zijn best. Gelukkig werd de soep iets minder heet gegeten dan ze opgediend was.

België betaalt te veel voor sociale en politieke vrede.

De sociale partners kwamen vannacht overeen om het minimumloon te verhogen tot 1702 euro per maand tegen 2022. Dat vergroot allerminst de tewerkstellingskansen van de lager geschoolden. Hoe duurder arbeid, hoe lager de vraag naar arbeid vanuit de bedrijven. Minder dan de helft van de lager geschoolden is vandaag actief op de arbeidsmarkt. Dat is een van de laagste cijfers in Europa. De sociale partners rekenen op fiscale maatregelen van de regering, om ervoor te zorgen dat de werknemers de verhoging van het minimumloon zo goed als volledig netto ontvangen. Dat is een goede zaak. Hoe groter het verschil tussen een arbeidsinkomen en een uitkering, hoe groter de motivatie om de arbeidsmarkt te betreden. Daar staat tegenover dat de promotieval scherper wordt. Wie begint tegen de laagste lonen en promotie maakt, ziet zijn extra brutoloon bijna volledig wegbelast worden.

Het is een opsteker dat de sociale partners het SWT, of het brugpensioen, niet soepeler gemaakt hebben. De minimumleeftijd blijft zestig jaar voor wie het kind van de rekening is als bedrijven herstructureren. Hier missen de regering en de sociale partners ambitie en moed. De discussie zou niet mogen gaan over het al dan niet verlagen van de brugpensioenleeftijd, maar over de afschaffing van het brugpensioen. Ook het bestaan van een brugpensioen vanaf zestig jaar staat haaks op de ambitie van een werkgelegenheidsgraad van 80 procent, die in het federale regeerakkoord staat. Oudere werknemers betalen om thuis te blijven, op een ogenblik dat de vergrijzing almaar harder toeslaat en bedrijven schreeuwen om geschoolde arbeidskrachten? Een dergelijke verspilling van menselijk talent is in deze omstandigheden niet meer te verantwoorden. Ook voor de werkgelegenheidsgraad van zestigplussers scoort België nog altijd ondermaats. Oudere werknemers krijgen ook de mogelijkheid om in landingsbanen te stappen vanaf 55 jaar, waardoor ze met een toeslag halftijds kunnen werken. Het zijn recepten van het verleden, die ons vandaag niet vooruithelpen.

Tot slot kunnen alle bedrijven en sectoren vlotter een beroep doen op overuren met een gunstige fiscaliteit. De corona-overuren, uitgevonden om de sectoren te helpen die het druk hadden tijdens de crisis, worden uitgebreid naar alle sectoren en omgedoopt tot relance-uren. Het biedt de bedrijven wat extra flexibiliteit, al blijft dat een druppel op een hete plaat.

Kortom, het is een goede zaak dat de loonakkoord gehonoreerd zal worden, maar er de prijs is hoog. De factuur om de sociale en politieke vrede af te kopen, komt straks als een boemerang terug via een te lage werkgelegenheidsgraad. Hoe minder mensen aan de slag zijn, hoe minder ruimte er is om de nettolonen te verhogen en de sociale zekerheid te financieren. In een tijdperk van vergrijzing en lage productiviteitswinsten wordt de hete aardappel naar de volgende generaties doorgeschoven. Wie niet om de tafel zit, is een deel van het menu.

Het gaat om de loonwet, die de concurrentiepositie van de bedrijven moet bewaken door de loonkosten in de pas te houden met de ontwikkelingen bij onze belangrijkste handelspartners. Die wet laat een loonsverhoging van 3,2 procent toe, waarvan 0,4 procent reële loonsverhoging. Dat is niet veel, maar de bijzonder zwakke stijging van de arbeidsproductiviteit laat sowieso geen grote avonturen toe. De loonwet is verre van perfect, met haar eenzijdige focus op de loonontwikkelingen in de buurlanden, maar ze heeft de voorbije jaren haar waarde bewezen door onze concurrentiepositie te bewaken en op die manier de werkgelegenheid te beschermen. Als België één beleidsprioriteit heeft, dan wel het verhogen van de nog altijd veel te lage werkgelegenheidsgraad.Het blijft in dit land blijkbaar moeilijk om zomaar wetten toe te passen die onze welvaart proberen te beschermen. Een coronapremie van maximaal 500 euro was onvoldoende als smeermiddel. PS-voorzitter Paul Magnette dreigde ermee dat zijn federale minister van Werk, Pierre-Yves Dermange, zijn handtekening niet onder het loonakkoord zou zetten, als de deal in het sociaal overleg niet gesmeerd zou worden met een verhoging van de minimumlonen, een soepeler brugpensioen en soepeler landingsbanen. De wet die de werkgelegenheid moet beschermen, zou dus alleen toegepast worden, als er maatregelen komen die de werkgelegenheid opnieuw onder druk zetten. Belgisch surrealisme op zijn best. Gelukkig werd de soep iets minder heet gegeten dan ze opgediend was.De sociale partners kwamen vannacht overeen om het minimumloon te verhogen tot 1702 euro per maand tegen 2022. Dat vergroot allerminst de tewerkstellingskansen van de lager geschoolden. Hoe duurder arbeid, hoe lager de vraag naar arbeid vanuit de bedrijven. Minder dan de helft van de lager geschoolden is vandaag actief op de arbeidsmarkt. Dat is een van de laagste cijfers in Europa. De sociale partners rekenen op fiscale maatregelen van de regering, om ervoor te zorgen dat de werknemers de verhoging van het minimumloon zo goed als volledig netto ontvangen. Dat is een goede zaak. Hoe groter het verschil tussen een arbeidsinkomen en een uitkering, hoe groter de motivatie om de arbeidsmarkt te betreden. Daar staat tegenover dat de promotieval scherper wordt. Wie begint tegen de laagste lonen en promotie maakt, ziet zijn extra brutoloon bijna volledig wegbelast worden.Het is een opsteker dat de sociale partners het SWT, of het brugpensioen, niet soepeler gemaakt hebben. De minimumleeftijd blijft zestig jaar voor wie het kind van de rekening is als bedrijven herstructureren. Hier missen de regering en de sociale partners ambitie en moed. De discussie zou niet mogen gaan over het al dan niet verlagen van de brugpensioenleeftijd, maar over de afschaffing van het brugpensioen. Ook het bestaan van een brugpensioen vanaf zestig jaar staat haaks op de ambitie van een werkgelegenheidsgraad van 80 procent, die in het federale regeerakkoord staat. Oudere werknemers betalen om thuis te blijven, op een ogenblik dat de vergrijzing almaar harder toeslaat en bedrijven schreeuwen om geschoolde arbeidskrachten? Een dergelijke verspilling van menselijk talent is in deze omstandigheden niet meer te verantwoorden. Ook voor de werkgelegenheidsgraad van zestigplussers scoort België nog altijd ondermaats. Oudere werknemers krijgen ook de mogelijkheid om in landingsbanen te stappen vanaf 55 jaar, waardoor ze met een toeslag halftijds kunnen werken. Het zijn recepten van het verleden, die ons vandaag niet vooruithelpen.Tot slot kunnen alle bedrijven en sectoren vlotter een beroep doen op overuren met een gunstige fiscaliteit. De corona-overuren, uitgevonden om de sectoren te helpen die het druk hadden tijdens de crisis, worden uitgebreid naar alle sectoren en omgedoopt tot relance-uren. Het biedt de bedrijven wat extra flexibiliteit, al blijft dat een druppel op een hete plaat.Kortom, het is een goede zaak dat de loonakkoord gehonoreerd zal worden, maar er de prijs is hoog. De factuur om de sociale en politieke vrede af te kopen, komt straks als een boemerang terug via een te lage werkgelegenheidsgraad. Hoe minder mensen aan de slag zijn, hoe minder ruimte er is om de nettolonen te verhogen en de sociale zekerheid te financieren. In een tijdperk van vergrijzing en lage productiviteitswinsten wordt de hete aardappel naar de volgende generaties doorgeschoven. Wie niet om de tafel zit, is een deel van het menu.