De vijftigste werknemer in een kmo wordt met de nieuwe vennootschapsbelasting de duurste", zegt Marc Lambotte, de topman van de technologiefederatie Agoria. Hij heeft het gemunt op het behoud van de twee tarieven in de vennootschapsbelasting. Bedrijven betalen nu nog 33,99 procent belasting op hun winst. Vanaf volgend jaar daalt dat basistarief naar 29 procent en in 2020 tot 25 procent. Maar voor kmo's met minder dan 50 werknemers is er een apart tarief. Nu al betalen kmo's met een omzet onder 9 miljoen euro en een balanstotaal van minder dan 4,5 miljoen euro op hun eerste schijf winst van 25.000 euro een tarief van 25 procent. Vanaf 2018 wordt dat 20 procent voor de eerste 100.000 euro winst.

"Iedereen heeft het over de verlaging van de vennootschapsbelasting. Zeer goed, maar we hebben al duizend keer gezegd dat meer rechtszekerheid en vereenvoudiging prioritair is. Agoria wil hetzelfde tarief voor iedereen en daar blijven we bij: 22 procent", zegt Lambotte. "Dat kan negatieve neveneffecten vermijden. De kmo-bedrijfsleider zal nooit een vijftigste werknemer aanwerven, want dan valt zijn bedrijfswinst onder een hoger belastingtarief. Hij zal ervoor kiezen een tweede vennootschap op te richten. Het dubbele tarief straft ook kleine ondernemingen die willen doorgroeien." De Agoria-topman voegt er wel aan toe dat hij tevreden is met de verlaging van de tarieven. "Er is een stap vooruit gedaan. En binnen het compromis is het redelijk."

Uitgeholde notionele- intrestaftrek

Wel heeft Agoria, net als andere sectoren, veel vragen over de precieze modaliteiten van het akkoord. In ruil voor de tariefverlaging wordt een aantal aftrekposten ingeperkt en wordt een minimumbelasting van 7,5 procent ingevoerd. "Laat mij duidelijk zijn: iedereen moet zijn eerlijke deel betalen", zegt Lambotte. "Door die minimumbelasting voelen wij ons niet aangesproken. Onze bedrijven betalen al veel belastingen. Maar de regeling rond de minimumbelasting blijft wel complex. We hebben ook vragen bij een aantal verminderde aftrekken zoals de minder soepele overdraagbaarheid van verliezen."

De minimumbelasting bepaalt dat bedrijven op het eerste miljoen euro winst nog volop aftrekken kunnen toepassen om de vennootschapsbelasting zo veel mogelijk te drukken, desnoods tot nul euro. Maar boven het miljoen euro winst loopt dat anders. Dan mogen de bedrijven slechts voor 70 procent aftrekposten indienen. Op de overige 30 procent winst moet volgend jaar het tarief van 29 procent worden betaald en 25 procent vanaf 2020. De mogelijkheden om verliezen fiscaal te recupereren worden dus uitgesmeerd in de tijd en beperkt in omvang.

"Een bedrijf dat drie jaar verlies maakt en het jaar erop plots een winst van meer dan 1 miljoen euro haalt, moet dan ook direct vennootschapsbelasting betalen", stelt Frank Vandermarliere vast. "Ik denk dat vooral de cyclische bedrijven het gelag betalen. Ook bedrijven die zwaar investeren, lange tijd verliezen boeken en er later de vruchten van plukken. Moet men daar het geld zoeken? Ik denk dat de regering niet gemakkelijk kan inschatten wat de opbrengst van de hervorming zal zijn. Met een minimumbelasting is ze dan toch zeker van een aantal inkomsten."

De hoofdeconoom wijst er voorts op dat de bedrijven de voorbije jaren de staatskas goed hebben gespekt. De opbrengst uit de vennootschapsbelasting komt van 15 miljard euro, bedraagt nu 17,5 miljard euro en gaat richting 18 miljard euro. Een reden is onder andere de minder aantrekkelijke notionele-intrestaftrek. Bedrijven kunnen een fictieve rentevergoeding van hun belastingen aftrekken op basis van het eigen vermogen. Die rente volgt de tienjarige rente op overheidsobligaties. "Dat rentetarief lag een paar jaar geleden boven 2,5 procent. Voor het aanslagjaar 2018 wordt dat 0,23 procent. De belastingvermindering via de notionele-intrestaftrek stelt bijna niets meer voor. Hij wordt nu voort beperkt tot de aangroei van het kapitaal gedurende de jongste vijf jaar. Maar dat zal de overheid niet veel opbrengen, omdat de notionele-intrestaftrek al grotendeels is uitgehold."

Loonkosten

Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) benadrukte bij de voorstelling van het zomerakkoord dat de verlaagde vennootschapsbelasting de concurrentiekracht van de ondernemingen versterkt. Ook al is Agoria tevreden met de eerste stap, toch wijzen CEO Marc Lambotte en hoofdeconoom Frank Vandermarliere er nog eens op dat de concurrentie ook kon worden bevorderd door de loonkosten te verlagen. "De loonkostenhandicap bedraagt historisch gezien nog altijd 9 procent ten opzichte van de buurlanden", aldus Vandermarliere. "De regering heeft het over 9,8 miljard euro competitiviteits- en koopkrachtmaatregelen die deze legislatuur worden genomen. De indexsprong, ingrepen in de bedrijfsvoorheffing en de verlaging van de werkgeversbijdrage van 33 naar 25 procent waren welkom. Maar van die 9,8 miljard is slechts 5,3 miljard euro voor loonkostverlagingen voor de bedrijven. De rest zijn koopkrachtmaatregelen, onder andere in de personenbelasting. 5,3 miljard euro op een loonmassa van 150 miljard, dat is een correctie van een goede 3 procent. Het mocht voor ons wat meer zijn." Marc Lambotte sluit zich daarbij aan: "Een loonkostenhandicap van 15 procent was niet langer werkbaar. 9 procent is een goede zaak, maar een handicap van 6 procent zou echt een belangrijk psychologisch verschil zijn."

'Winstpremie gaat maar in één richting'

Een opvallende maatregel in het zomerakkoord is de fiscaal aantrekkelijke winstbonus die bedrijven aan hun personeel kunnen uitkeren. Op die premie moeten de werknemers 13,07 procent socialezekerheidsbijdragen betalen en 7 procent belasting. "Voor bedrijven die in een oorlog om talent zitten is dat goed nieuws", zegt Marc Lambotte. "

Sommige bedrijven willen een inspanning doen om hun mensen te houden. Dat kan met zo'n winstbonus. Maar aan de andere kant wordt die winstbonus buiten het interprofessioneel akkoord gezet. Wordt die niet meegeteld in de berekening van de loonkosten? Zegt men dat er geen loonnorm is? Agoria is altijd een voorstander van symmetrie en evenwichten bij beleidsbeslissingen. Is dat hier het geval? Er is in het interprofessioneel akkoord een reële loonstijging van 1,1 procent afgesproken. Daar kan nog een winstpremie bij. Mij goed, maar die winstpremie gaat maar in één richting. Waarom zouden bedrijven die het niet zo goed doen, niet de kans moeten hebben de loonindexering niet of onvolledig door te voeren?"