Volgens de recentste cijfers van de economen André Decoster en Willem Sas (KU Leuven) bedroegen de geldstromen van Vlaanderen naar andere gewesten 6,9 miljard euro in 2020, en stijgen ze tot 7 miljard euro in 2021 en tot 7,2 miljard euro in 2022. De bedragen liggen in lijn met de cijfers in de andere studies die de voorbije jaren zijn gepubliceerd. De transfers ten voordele van Wallonië en Brussel schommelen tussen 5,2 en 7,9 miljard euro.
...

Volgens de recentste cijfers van de economen André Decoster en Willem Sas (KU Leuven) bedroegen de geldstromen van Vlaanderen naar andere gewesten 6,9 miljard euro in 2020, en stijgen ze tot 7 miljard euro in 2021 en tot 7,2 miljard euro in 2022. De bedragen liggen in lijn met de cijfers in de andere studies die de voorbije jaren zijn gepubliceerd. De transfers ten voordele van Wallonië en Brussel schommelen tussen 5,2 en 7,9 miljard euro. De omvang ervan leidt al een tijd niet meer tot verhitte politieke en maatschappelijke discussies. De aandacht verschuift richting de manieren om die geldstromen tussen het noorden en het zuiden van België te doen dalen. De Waalse econoom Didier Paquot heeft daarover nieuwe berekeningen gemaakt. Hij is de voormalige hoofdeconoom van de Waalse werkgeversorganisatie Union Wallonne des Entreprises (UWE) en is nu aan de slag als hoofdeconoom en onderzoeksdirecteur bij de denktank Institut Jules Destrée. Hij ging na wat het effect op de transfers zou zijn als de Waalse werkzaamheidsgraad stijgt van 64 procent naar het Vlaamse niveau van 74,6 procent. Paquots analyse verscheen in Vlaanderen betaalt. De mythe van de omgekeerde transfers, de heruitgave van een vijftien jaar oude studie van de econoom Juul Hannes, die aantoonde dat er in de negentiende eeuw al geldstromen waren van Vlaanderen naar Wallonië, hoewel het industriële Wallonië toen veel rijker was. De oorzaak van die transfers was een verouderd belastingstelsel dat het industriële Wallonië bevoordeelde. Aan die heruitgave werden enkele essays over de noord-zuidtransfers toegevoegd, samen met het cijferwerk van Paquot. Paquot berekende dat het optrekken van de Waalse werkzaamheidsgraad naar 74,6 procent 229.386 extra Waalse banen zou opleveren en 11,8 miljard euro bijkomende inkomsten. Die extra inkomsten moeten worden opgeteld bij het primaire inkomen van Wallonië. Dat is het geheel aan inkomsten dat een individu haalt uit economische activiteiten (loon of inkomen als zelfstandige) en uit kapitaal. Volgens de recentste gegevens die Paquot heeft gebruikt, bedraagt het Vlaamse primaire inkomen per inwoner 28.589 euro. Het Waalse ligt met 22.934 euro 20 procent lager. Daarnaast is er het beschikbare inkomen dat iemand kan besteden om te consumeren, te investeren en te sparen, of het bedrag dat een persoon overhoudt wanneer belastingen en socialezekerheidsbedragen zijn betaald en hij uitkeringen heeft ontvangen (werkloosheid of pensioen) of vergoedingen zoals de kinderbijslag en tussenkomsten in de gezondheidszorg. Volgens de berekeningen van Paquot ligt het beschikbare inkomen van de gemiddelde Waal 11 procent lager dan dat van een Vlaming. Dat is een halvering van het verschil in het primaire inkomen. "Dat is het resultaat van de herverdeling door verplichte heffingen, zoals de progressieve belastingschaal voor fysieke personen, en sociale uitkeringen", legt Paquot uit. "Zodoende zorgt het verschil tussen het primaire inkomen en het besteedbare inkomen goeddeels voor de transfers tussen de regio's. Het laat zich raden dat een van de voornaamste verklaringen voor de verschillen in primair inkomen gelegen is in de activiteitsgraad." Als er meer Walen aan de slag zouden zijn, zou het primaire inkomen ten zuiden van de taalgrens aanzienlijk stijgen. Bij een Waalse werkzaamheidsgraad op Vlaams niveau stijgt het primaire inkomen van de inwoners tussen Doornik en Aarlen naar 26.292 euro per jaar. De kloof tussen noord en zuid in het primaire inkomen krimpt naar 8 procent. De kloof tussen de bijdragen aan de personenbelasting zakt dan ook, van 20 naar 9 procent, en die tussen de sociale bijdragen van 16 naar 4 procent (zie tabel Hogere Waalse werkzaamheidsgraad betekent kleinere welvaartskloof). Het verschil in beschikbaar inkomen bedraagt in de simulatie nog slechts 5 procent, terwijl het in werkelijkheid 11 procent is. "De gewestelijke verschillen tussen het beschikbare inkomen en het primaire inkomen zouden na bijpassing - verantwoordelijk voor het gros van de intergewestelijke transfers - tot een derde teruggebracht worden", aldus de Waalse econoom. Hij gaat voort: "Mochten we rekening houden met de vermindering van de sociale uitkeringen als gevolg van de stijgende arbeidsgraad, dan zou dat verschil zelfs nog kleiner moeten zijn. Redelijkerwijs mag je veronderstellen dat, bij een gelijke arbeidsgraad in Wallonië en Vlaanderen, de intergewestelijke financiële transfers als gevolg van de interpersoonlijke tegemoetkomingen praktisch zouden verdwijnen. Ook de andere financiële transfers, zoals die voortvloeien uit de btw of de bedrijfsheffingen, zouden sterk afnemen, rekening houdend met de verhoogde activiteitsgraad en het grotere aantal transacties bij een stijgende tewerkstelling. Samengevat komen de financiële transfers tussen Vlaanderen en Wallonië uitsluitend voort uit de lage tewerkstellingsgraad in Wallonië." De oorzaak van de lage Waalse werkzaamheid is volgens Paquot te zoeken in de periode 1981-1995, toen de kloof tussen de Vlaamse en de Waalse economie verder is uitgediept. De werkgelegenheidsratio tussen Wallonië en Vlaanderen is in die periode aanzienlijk verslechterd. In 1981 bedroeg ze 55 procent, wat betekent dat de tewerkstelling van Wallonië toen 55 procent van de Vlaamse was. Die ratio daalde verder tot 47 procent in 1995 en stabiliseerde daarna rond 45 procent."De werkgelegenheid in Wallonië en Vlaanderen loopt sterk uiteen, wat een primaire loonafstand meebrengt die op zijn beurt zorgt voor de transfers tussen de gewesten", aldus Paquot. "Die periode valt samen met de diepgaande herstructurering van de Europese, en heel de Waalse industriële nijverheid. Ook de bouwnijverheid krijgt het zwaar in die periode. Alleen in de handel wordt nog werkgelegenheid gecreëerd, zij het proportioneel minder dan in Vlaanderen." Vooral de maakindustrie werd zwaar geraakt. Tussen 1981 en 1995 gingen daar 91.000 arbeidsplaatsen verloren, een daling met 35 procent. Daarna was er niet echt een inhaalbeweging, hoogstens een stabilisatie tegenover Vlaanderen. De Waalse herstelplannen, zoals het marshallplan, hebben volgens Paquot nochtans een positieve bijdrage geleverd aan het herstel, maar onvoldoende (zie kader 'Waalse herstelplannen zorgden voor mentaliteitswijziging'). Paquot gaat in zijn studie niet in op de vraag of het realistisch is dat Wallonië een sterke economische inhaalbeweging maakt en Vlaanderen uiteindelijk bijbeent. Bijna 230.000 extra banen creëren zou een indrukwekkende prestatie zijn. Om dat te bereiken moet Wallonië zijn werkzaamheidsgraad met 10 procentpunten optrekken. De Waalse regering heeft - zij het vóór corona - de ambitie uitgesproken tegen 2024 een werkzaamheidsgraad van 69 procent te bereiken. Een stijging met 5 procentpunten in vijf jaar zou een nooit geziene prestatie zijn. Tussen 2012 en 2020 steeg de Waalse werkzaamheidsgraad met slechts 3 procentpunten. Vlaanderen moet ook in een soort economische stilstand terechtkomen opdat het Waalse primaire inkomen op hetzelfde niveau zou komen. Realistischer is dat de Vlaamse werkzaamheidsgraad de komende jaren licht blijft stijgen. Volgens arbeidseconomen moet de groei van de Waalse banencreatie in zo'n scenario vier keer hoger liggen. Niemand gelooft dat dat kan. Paquot geeft dat in zijn studie ook toe: "We moeten realistisch blijven: op korte termijn zullen de transfers niet uitdoven, ook al zullen ze geleidelijk kunnen verminderen naarmate de Waalse tewerkstellingsgraad stijgt."