De Belgische arbeidsmarkt heeft de reputatie rigide te zijn. Bedrijven zouden maar beperkt gebruik kunnen maken van flexibiliteitsinstrumenten als uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid. De waarheid is genuanceerder. Onze bedrijven gebruiken tal van vormen van flexibele arbeid. Een onderzoek van de Stichting Innovatie en Arbeid, het onderzoeksinstituut van de SERV, toont aan dat Vlaamse bedrijven gemiddeld 3,8 vormen van arbeidsflexibiliteit gebruiken. Voor grote bedrijven met meer dan 200 werknemers gaat dat richting 7,7 vormen. De resultaten van de studie zijn een paar weken geleden besproken op een seminarie van Voka en Federgon, de federatie van hr-dienstverleners.
...

De Belgische arbeidsmarkt heeft de reputatie rigide te zijn. Bedrijven zouden maar beperkt gebruik kunnen maken van flexibiliteitsinstrumenten als uitzendarbeid en tijdelijke werkloosheid. De waarheid is genuanceerder. Onze bedrijven gebruiken tal van vormen van flexibele arbeid. Een onderzoek van de Stichting Innovatie en Arbeid, het onderzoeksinstituut van de SERV, toont aan dat Vlaamse bedrijven gemiddeld 3,8 vormen van arbeidsflexibiliteit gebruiken. Voor grote bedrijven met meer dan 200 werknemers gaat dat richting 7,7 vormen. De resultaten van de studie zijn een paar weken geleden besproken op een seminarie van Voka en Federgon, de federatie van hr-dienstverleners. Het onderzoek toont sectorale verschillen aan. De non-profit gebruikt gemiddeld 4,7 flexibiliteitsmaatregelen, een stuk meer dan de bouwsector. In de non-profit komen vooral deeltijds werk, nachtwerk, contracten van bepaalde duur, flexibele uurroosters, polyvalentie (verschillende opdrachten uitvoeren) en projectgebonden uitbesteding vaak voor. In de industrie ligt het aantal vormen van flexibel werk iets lager. Daar kiest men vooral voor nachtwerk, contracten van bepaalde duur en polyvalente inzet. Ook de tijdelijke werkloosheid ligt er tamelijk hoog. 34,9 procent van de industriële bedrijven heeft er gebruik van gemaakt. Enkel in de bouw komt tijdelijke werkloosheid meer voor (43,1%). In die sector zijn ook overuren populair. Dat groeibedrijven meer dan bedrijven in een krimpfase op zoek gaan naar vormen van flexibiliteit is logisch. Zeker in een krapper wordende arbeidsmarkt vinden ze niet altijd de juiste mensen en wordt gezocht naar nieuwe vormen van flexibiliteit. De populairste vorm van flexibel werk is deeltijdse arbeid. 62 procent van de bedrijven maakt er gebruik van (zie grafiek Deeltijdse arbeid blijft populairste flexibiliteitsinstrument). Daarna volgen de polyvalente opdrachten, aangepaste verlofregelingen en studentenjobs. Bedrijven doen ook vaak een beroep op vrijwilligers en flexi-jobs, maar voor de onderzoekers vallen die maatregelen onder een aparte categorie omdat ze niet in alle sectoren kunnen worden gebruikt. Vrijwilligerswerk komt vooral in de non-profit voor. Flexi-jobs zijn tot nu toe beperkt tot de horeca. Vanaf 1 januari kunnen gepensioneerden en werknemers die vier vijfde werken in de handel (bakkers, slagers, winkels, kappers, ...) aan de slag gaan via een flexi-job. Alle maatregelen komen vaker voor bij bedrijven die aangeven pieken te hebben. Het meest voor de hand liggen de studentenjobs ter vervanging van personeel dat met vakantie is, en weekend- of nachtwerk. Naast deeltijds werk blijft ook uitzendarbeid een belangrijke vorm van arbeidsflexibiliteit, zo leert het SERV-onderzoek. 31 procent van de ondernemingen en non-profitorganisaties in Vlaanderen heeft het voorbije jaar uitzendkrachten ingezet. Hendrik Delagrange, die het onderzoek coördineerde: "Het percentage ondernemingen dat gebruikmaakt van uitzendarbeid is in vergelijking met de onderzoeken van 2000 en 2004 niet significant gedaald of gestegen. Er is wel een lichte toename bij grote industriële bedrijven en een sterke toename bij de kleinere dienstenbedrijven." Grote ondernemingen doen het vaker (59%) dan kleine (26%), en industriële (45%) meer dan de diensten (34%). Ook al zijn de grote en industriële bedrijven de meest intensieve gebruikers, door hun grote aantal maken de kleine dienstenbedrijven toch bijna de helft (48%) uit van alle gebruikers van uitzendarbeid. In het bedrijf blijft het gewicht van de uitzendkrachten wel beperkt. Bij 64 procent van de bedrijven bedraagt het aantal uitzendkrachten niet meer dan 5 procent van het aantal vaste werknemers. Uit het onderzoek blijkt dat bedrijven doorgaans meer dan één motief hebben voor de inzet van uitzendarbeid. Het vervangen van afwezige werknemers is voor 53 procent een belangrijk motief, tijdelijke tewerkstelling is dat voor 55 procent en het opvangen van pieken is voor 48 procent belangrijk. Opvallend: het nieuwe motief 'instroom' (een beroep doen op een uitzendkracht met het oog op vaste indiensttreding) is niet zo populair. 14 procent heeft er nog nooit van gehoord en vooral kleinere bedrijven geven aan dat ze het te ingewikkeld vinden.Een opvallende vorm van arbeidsflexibiliteit die in het onderzoek is opgenomen, is het uitbesteden van basisactiviteiten. 16,9 procent van de ondernemingen en organisaties doet dat weleens. Maar is dat wel een vorm van flexibiliteit? Gaat het niet om opdrachten die een extern bedrijf uitvoert omdat een onderneming er niet de expertise voor in huis heeft? Hendrik Delagrange nuanceert: "Er zijn goede redenen voor omdat ondernemingen en organisaties met pieken dubbel zo vaak basisactiviteiten uitbesteden. 21,8 procent tegenover 11,7 procent. Ook is er een verband met de marktsituatie. Een onderneming of organisatie die zich in een sterk groeiende markt bevindt besteedt het vaakst uit, 22,2 procent van de respondenten om precies te zijn." 29 procent van de ondernemingen en organisaties werkt met freelancers of zelfstandigen. Het zijn net ook die bedrijven die vaker en intensiever uitzendkrachten inzetten. Freelancers en zelfstandigen komen vaker voor in bedrijven die pieken kennen, groeien, die een groter aantal werknemers hebben en die activiteiten uitbesteden. Er wordt meer gebruik gemaakt van zelfstandigen en freelancers (vooral voor intellectuele diensten, ICT en consultancy) dan vroeger, maar het zou fout zijn te denken dat ze de klassieke vaste tewerkstelling verdringen. Bij de helft van de ondernemingen en organisaties die zelfstandigen en freelancers inzetten, komt hun aantal overeen met 36 procent van hun vast personeel. Als we alle flexibiliteitsvormen afzetten tegen de vaste tewerkstelling, dan blijft die laatste nog altijd dominant. Voor elke duizend werknemers met een contract van onbepaalde duur zijn er 104 werknemers met een contract van bepaalde duur, 77 uitzendkrachten, 89 jobstudenten, 45 zelfstandigen en freelancers, en 56 projectmedewerkers. 51 werknemers zijn op een bepaald moment tijdelijk werkloos (zie grafiek Vaste tewerkstelling blijft dominant). Maar zij maken wel deel uit van de werknemers met een contract van onbepaalde duur.