Bad bank: het woord zegt het zelf, daar kan niet veel goeds in zitten. Sinds de crisis is het een nieuwe financiële huishoudterm geworden, maar wel eentje die verschillende ladingen dekt. In België hebben we Dexia en het Fortis-vehikel RPI gekend, in Duitsland FMS en EAA, de Ieren en de Britten hebben NAMA en UKAR en in Spanje zorgt de bad bank Sareb ervoor dat de crisis in het nationale geheugen gegrift blijft.
...

Bad bank: het woord zegt het zelf, daar kan niet veel goeds in zitten. Sinds de crisis is het een nieuwe financiële huishoudterm geworden, maar wel eentje die verschillende ladingen dekt. In België hebben we Dexia en het Fortis-vehikel RPI gekend, in Duitsland FMS en EAA, de Ieren en de Britten hebben NAMA en UKAR en in Spanje zorgt de bad bank Sareb ervoor dat de crisis in het nationale geheugen gegrift blijft. Recent goed nieuws is dat de vraag naar de activa van die bad banks aantrekt. Sterker nog, de Europese markt voor probleemkredieten of non-performing loans (NPL's) bloeit als nooit tevoren. Vorig jaar is voor het derde jaar op rij voor meer dan 100 miljard euro aan NPL's verhandeld. De actiefste verkopers van de afgelopen drie jaar zijn door de overheid gesponsorde bad banks, zoals het Britse UKAR of Ierse NAMA, maar ook gewone banken, zoals het Spaanse Santander of Italiaanse UniCredit. Verrassend genoeg staan de grootste transacties in rommelkredieten op het conto van gewone banken. Dat blijkt uit de transactiedatabank die KPMG bijhoudt over de Europese markt. Zo deed het Spaanse Santander in 2017 een leningpakket van 30 miljard euro van de hand. De Italiaanse banken Monte Dei Paschi en Banca Popolare verpatsten respectievelijk 27 en 26 miljard euro aan rommelkredieten. Waarom staan die gigaverkopen op naam van de reguliere banken, en niet op die van de talloze bad banks? Omdat het grootste deel van de rommelkredieten waar Europa al jaren mee zit, op de balansen van gewone banken staat. De Europese bankenwaakhond opperde vorig jaar zelfs het idee een Europese bad bank op te richten, want slechts een deel van die NPL's zit op de balans van door de overheid gesponsorde bad banks, zoals Dexia in België. "Daarom hebben veel Europese banken interne bad banks, zogenoemde non-core-eenheden, opgezet. Daar brengen ze probleemkredieten en andere niet-strategische activa in onder", legt David Edmonds van Deloitte uit. Vanuit Londen monitort hij de Europese markt voor probleemkredieten. "Het volume op die NPL-markt is de jongste jaren enorm toegenomen", zegt hij. "Maar de handel van de overheidsbadbanks is klein bier tegenover die van de private banksector." Dat die markt aantrekt en we de ergste schokken van de financiële crisis achter de rug hebben, betekent niet de erfenis aan bad banks al volledig verwerkt is. In België zijn RPI en Dexia als bad banks respectievelijk uit Fortis en Dexia gesponnen. Zij zijn een goed voorbeeld van hoe het in de Europese banksector staat met de financiële afbraakwerken van probleemactiva. Het Fortis-vehikel RPI heeft zijn portefeuille met rommelactiva in 2013 verkocht en is daarmee ontbonden. Dexia is nog volop in afwikkeling en zit op een berg leningen waar het tien, misschien wel twintig jaar aan vasthangt. Zo is het ook de rest van de Europese bad banks vergaan. Sommige hebben hun portefeuilles verkocht en zijn opgedoekt, andere zijn hun balansen nog aan het afbouwen. Philipp Wackerbeck van PwC Strategy& in Duitsland heeft zowel overheden als banken geholpen bad banks op te zetten. Hij onderscheidt drie soorten: de interne bad banks van de banken, nationale bad banks, en bad banks voor één bank. "De nationale bad banks, zoals Sareb in Spanje en NAMA in Ierland, zijn vehikels die probleemactiva van meerdere banken in een land groeperen, legt hij uit. "Het is een overheidsgesponsorde oplossing om de rommel op te kuisen." Toen de Ierse banken in 2009 in de problemen kwamen, richtte de overheid er het National Asset Management Agency (NAMA) op. Daar bracht ze de rommelactiva van zes Ierse banken in onder, goed voor 30 miljard euro. Een jaar later zette de Britse overheid UK Asset Resolution (UKAR) op. Dat werd de verzamelbak voor 116 miljard Britse pond aan hypotheken van de teloorgegane banken Northern Rock en Bradford&Bingley. Spanje volgde in 2012 door Sareb op te tuigen als vergaarbekken voor de rommelkredieten van een tiental Spaanse banken en regionale spaarkassen. Een tweede soort bad bank zijn die zoals het Fortis-vehikel RPI of Dexia. "Die zijn ook opgezet door de overheid, maar dan voor de redding van een enkele financiële instelling", aldus Wackerbeck. Veruit de grootste is het Duitse FMS Wertmanagement, dat ontstaan is uit de omgevallen bank Hypo Real Estate. Andere voorbeelden zijn het Duitse Erste Abwicklungsanstalt (EAA), dat WestLB bank moest redden, en Propertize in Nederland, dat als overblijfsel van het failliete SNS-Reaal met staatssteun recht werd gehouden. Uit onderzoek van het Duitse Hertie-instituut blijkt dat in Europa sinds de crisis meer dan twintig bad banks met overheidssteun zijn opgericht om zo'n veertigtal individuele banken te redden. Het doel was steeds de rommelactiva van de balansen van de goede banken af te scheiden. De grootste uitdaging voor de bad banks was en is financiering te vinden om die portefeuille te beheren en af te wikkelen. De staatssteun en -garanties waren voor alle bad banks cruciaal om op de financiële markten die financiering op te halen. Dat deden ze via obligaties of kortlopend schuldpapier, die dankzij de ruggensteun van Vadertje Staat een hoge kredietscore kregen van de ratingagentschappen. "Het zakenmodel van een bad bank is het tegenovergestelde van dat van een gewone bank", verduidelijkt Benjamin Baur, eveneens van PwC Strategy&. "Een gewone bank focust op klanten, wil haar activiteiten doen groeien en de risico's beheren. Een bad bank wil haar activiteiten en portefeuille juist afbouwen en er nog zo veel mogelijk waarde uit recupereren." Daar hebben bad banks twee opties voor: of de kredieten beheren door de kapitaal- en intrestaflossingen zelf te innen, of ze op de markten te verkopen. "De strategie om zo'n portfolio af te wikkelen, hangt sterk af van welke activa erin zitten en hoe complex die zijn", legt Benjamin Baur uit. De Europese overheidsvehikels hebben heel diverse activa op hun balansen. Zo kreeg het Spaanse Sareb een portefeuille van 50 miljard euro met vooral woonleningen en residentieel vastgoed. Het Ierse NAMA had vooral leningen voor commercieel vastgoed en het Britse UKAR kreeg voor meer dan 100 miljard Britse pond aan af te wikkelen woonleningen in de schoot geworpen. De individuele bad banks blinken nog meer uit in diversiteit. Het Duitse FMS is in 2010 begonnen met een portefeuille van 176 miljard euro. Die bestond uit vastgoed- en infrastructuurkredieten, leningen aan gemeentes en andere overheidsinstanties, en gestructureerde producten. Het kan nog exotischer: het Duitse EAA had vooral verpakte leningen allerhande en hypotheken op de balans, en zelfs specifieke kredietpakketten in de zee- en de luchtvaartsector. Los van die overheidsgesponsorde vehikels die vooral als crisismaatregel zijn opgezet, is er dus nog een derde soort bad bank: de afwikkelstructuren of non-core-eenheden binnen banken zelf. "Veel Europese banken hebben zo'n interne bad bank opgezet om rommelactiva mee af te bouwen", legt Philipp Wackerbeck uit. In tegenstelling tot de overheidsbadbanks blijven de activa gewoon op de balans van de bank. De voordelen zijn dat er geen nieuwe structuur moet worden opgezet en dat die interne rommelportefeuilles makkelijker te financieren zijn via de overkoepelende bank. Bij sommige interne bad banks was wel overheidssteun gemoeid. In het Verenigd Koninkrijk richtte het ministerie van Financiën het Asset Protection Agency op om de afbouw van rommelactiva bij RBS en Lloyds Bank te faciliteren. De Zwitserse nationale bank SNB schoot UBS te hulp met het StabFund, een stabiliseringsfonds waarin UBS meer dan 35 miljard euro aan rommelactiva dumpte. In ruil kreeg de bank een lening van meer dan 20 miljard euro van de SNB. Het StabFund was tegen 2013 volledig afgewikkeld, wat niet wil zeggen dat UBS van alle rommel verlost was. Sinds 2012 heeft de Zwitserse bank een interne afwikkelstructuur die een balans van 355 miljard euro moest afbouwen. Banken die in de eerste crisisjaren door overheden zijn rechtgehouden, zetten hun afwikkeling vaak intern voort nadat ze die overheidssteun van zich hebben afgeworpen. Lloyds koppelde zich al na enkele maanden af van het APA-infuus en zette de afbouw intern voort. RBS volgde enkele jaren later. Barclays pompte zelfs voor 600 miljard euro aan af te wikkelen activa in haar interne bad bank zonder daarvoor af te hangen van staatsgaranties. Volgens Benjamin Baur is er een verschil tussen de openbare en de interne bad banks in de manier en de snelheid waarmee ze hun portefeuilles afbouwen. "Bad banks die met overheidsgeld zijn opgericht, moeten hun reputatie hoog houden. Ze werken uiteindelijk met belastinggeld. Daarom zijn ze minder geneigd hun portefeuilles met grote kortingen te verkopen om er snel vanaf te zijn", verklaart de PWC-onderzoeker. "Een snelle afwikkeling kost geld", zegt ook Philipp Wackerbeck. "Je moet je kredieten en andere activa met kortingen verkopen om investeerders er warm voor te krijgen." Ook belangrijk is of de bad bank zelf de activa met een korting heeft overgenomen. In dat geval heeft ze meer marge om die door te verkopen. NAMA nam bijvoorbeeld de rommelkredieten van de Ierse banken over met een gemiddelde korting van 58 procent. In Spanje kreeg Sareb meer dan 50 procent korting op haar portefeuille. In Duitsland kregen FMS en EAA niet die luxe, wat deels hun tragere afwikkeling verklaart. Interne bad banks daarentegen krijgen hun portefeuilles sneller gesleten. Hoewel zij grotere balansen hadden dan de overheidsvehikels, zijn ze ondertussen bijna allemaal opgedoekt. De bad bank van RBS moest meer dan 400 miljard euro afwikkelen en is vorig jaar opgeheven. Ook Barclays had eind vorig jaar zijn balans van meer dan 600 miljard euro afgebouwd. Deutsche Bank deed eind 2016 de boeken van haar interne bad bank dicht nadat de oorspronkelijke balans van 100 miljard was geslonken tot 6 miljard. Veel overheidsgesponsorde bad banks zitten echter nog volop in afwikkelingsmodus. De ene is al wat verder gevorderd dan de andere. Het Spaanse Sareb moest eind 2017 nog 37 van de oorspronkelijke 50 miljard euro afbouwen. Het Ierse NAMA heeft nog 10 procent van zijn oorspronkelijke portefeuille over, goed voor 3 miljard euro. En UKAR in het VK zit nog op een portefeuille van 15 miljard Britse pond, tegenover een aanvangsbedrag van 116 miljard. Het Duitse FMS had eind vorig jaar nog 77 miljard van de oorspronkelijke 176 miljard af te wikkelen. Het vastgoedgedeelte was bijna volledig afgebouwd, van de gemeenteleningen staat meer dan de helft nog op de balans. "De markt voor gemeente- en overheidskredieten is nu aan het verbeteren", merkt Wackerbeck op. "Dus kan het die toch sneller dan verwacht afbouwen." Er zijn ook al wel succesverhalen van ontbonden overheidsvehikels. Zo verkochten het Nederlandse Propertize en het Fortis-vehikel RPI hun portefeuilles aan het private-equityfonds Lone Star. De markt in rommelkredieten werpt vruchten af. Volgens de European Banking Authority gaat het de goede richting uit met de NPL's in Europa. In drie jaar is de waarde ervan met een derde geslonken. Begin dit jaar was van de 1100 miljard euro nog tot 780 miljard over. De gemiddelde NPL-ratio van Europese banken (verhouding rommelkredieten op het totale aantal leningen, nvdr) is eveneens verbeterd: van 6,5 procent in 2014 tot 3,9 procent nu. Er zijn grote verschillen tussen landen. In Griekenland bedraagt de NPL-ratio liefst 45 procent, in Portugal en Italië meer dan 10 procent. In België is die slechts 2,4 procent. Dat het nog erger kan, weet David Edmonds van Deloitte. "Na de Aziatische schuldencrisis van eind de jaren negentig hadden sommige landen NPL-ratio's van 60 tot 70 procent." Dat het beter kan, bewijzen de VS en Japan, waar de NPL-ratio's iets meer dan een luttele procent zijn.