"We horen nog van Julien Libeer." De journalist van Het Nieuwsblad besluit het al op zaterdag 8 januari 2000. Libeer is dan twaalf jaar oud en heeft net zijn cd Stappen opgenomen. Een privé-opname, geperst op 100 exemplaren om na zijn plechtige communie uit te delen aan vrienden en familie. Er staat onder meer werk van Johann Sebastian Bach op de schijf. "Bach moest erbij, want Bach verruimt de geest, pepert mijn juf me steeds in. Ik weet nog niet goed wat dat betekent, maar dat zal later wel komen, vermoed ik", laat de jonge Libeer optekenen.
...

"We horen nog van Julien Libeer." De journalist van Het Nieuwsblad besluit het al op zaterdag 8 januari 2000. Libeer is dan twaalf jaar oud en heeft net zijn cd Stappen opgenomen. Een privé-opname, geperst op 100 exemplaren om na zijn plechtige communie uit te delen aan vrienden en familie. Er staat onder meer werk van Johann Sebastian Bach op de schijf. "Bach moest erbij, want Bach verruimt de geest, pepert mijn juf me steeds in. Ik weet nog niet goed wat dat betekent, maar dat zal later wel komen, vermoed ik", laat de jonge Libeer optekenen. "Geestig", glimlacht hij nu. "Maar wat verwacht je van mij? Dat ik commentaar geef op de uitspraken die ik deed toen ik twaalf was?" Libeer (32) aarzelt even, voor het eerst tijdens het gesprek. Tot dan is de pianist iemand die je perfect kunt interviewen zonder vragen te stellen. Dat is journalistenlingo voor: soms moeilijk om een speld tussen te krijgen. Maar ook geconfronteerd met zijn jongere zelf maakt de aarzeling plaats voor een redenering in zwierige taal. Over hoe Bach voor klavierspelers nog altijd een beetje de godfather is, over hoe hij de muzikale grammatica voor het eerst ten volle benutte, en over hoe alle popmuziek nog altijd volgens dat tonale systeem wordt geschreven. We hoorden dus nog van Libeer. Alleen nu even wat minder. Zijn jaar was nochtans goed gestart. Eind januari bracht hij zijn eerste cd uit bij het prestigieuze label Harmonia Mundi. "Ook mijn belangrijkste concerten heb ik nog kunnen afwerken, op één na, dat dan maar live op de radio werd uitgezonden. Ik wil dus niet jammeren dat mijn jaar om zeep is. Ik hoef me nog geen zorgen te maken, ik kan leven van de reserves die ik heb kunnen opbouwen. Maar voor veel andere musici in mijn sector is de coronacrisis een groter probleem, en daardoor wordt het dat misschien ook voor mij. Stel je maar eens voor dat mijn management failliet gaat en dat mijn platenlabel de deuren moet sluiten. Dan mag ik nog zoveel plannen en competenties hebben, dan moet ik helemaal herbeginnen." Libeer ging een paar maanden geleden daarom toch even door een soort van shellshock. "Dat mijn hele concertagenda plots helemaal leeg zou zijn, kon ik me absoluut niet voorstellen. Ik heb de vrijgekomen tijd ingevuld door veel stukken in te studeren, maar ook dat loopt nu een beetje op zijn einde. Niet omdat het repertoire voor piano afgewerkt is, wel omdat je op een bepaald moment toch een richting nodig hebt. Dat nuanceert het zuiver artistieke idealisme waar kunstenaars zich zo graag op beroepen. Als wij onze stok met wortel niet meer voor de neus hebben, loopt het ook allemaal niet meer zo vlotjes", stelt Libeer vast. Die stok hoeft volgens hem niet eens het applaus te zijn, of de vergoeding die aan een optreden vasthangt. "Toen hem na een concert werd gevraagd hoe hij zich voelde, antwoordde een groot pianist ooit dat hij zich voorlopig goed voelde. 'Maar, ' zei hij erbij, 'binnen een uur of maximaal twee leef ik niet meer na dit concert, maar voor het volgende.' Zo is het maar net. Die aaneenschakeling van programma's en deadlines heb je nodig als muzikant. Altijd vijftien bordjes in de lucht moeten houden, maakt dit vak net zo fijn", vindt Libeer. "Je kunt deze hele situatie natuurlijk ook zien als een oproep tot grote creativiteit", beseft hij. "Dat klinkt mooi, maar het is evengoed masochistisch, want ik heb geen idee hoe ik mijn ei dan precies kwijt moet. Ik merk wel dat de ondernemer in mij nu nog meer naar boven komt, maar dat betekent niet dat je alles zomaar kunt vertalen naar de wereld van de klassieke muziek. Thuis filmpjes maken met de slechte klank van je iPhone en aan een piano die al enkele weken niet is gestemd en twee gebroken snaren heeft, dat zijn frustrerende omstandigheden. Zeker in een vak waarin je het verschil wilt maken op basis van uitmuntendheid, zin voor detail en perfectionisme." Nochtans deelt Libeer online wel wat opnames van concerten en andere video's, maar die liggen volgens hem in het verlengde van wat hij vroeger al deed. "Het enige verschil is dat ik die onlineaanwezigheid vroeger zag als een investering, om ervoor te zorgen dat ik in het zicht bleef bij managementbureaus, platenlabels, concertorganisatoren en het publiek. Tot nu was die investering zijn geld waard, want de inkomsten uit liveconcerten en opnames zouden de kostprijs ruimschoots compenseren. Nu is het anders: er is geen publiek meer. Dan merk je meteen dat er voor mijn sector online nog geen leefbaar businessmodel bestaat." Libeer haalt er een vergelijking bij. "Stel dat ik een zaaltje huur, tickets verkoop tegen 20 euro per stuk en een concert speel voor dertig mensen. Dan heb ik een omzet van 600 euro, waarvan ik misschien 400 euro overhoud. Film ik dat recital en plaats ik het op YouTube of Facebook, dan zijn mijn inkomsten nul. Alles wat op het internet gebeurt, komt tenslotte uit de koker van de Silicon Valley-boys. Zij werken heel marktgedreven en volgens de codes van de popcultuur. Fair enough, maar daar kunnen wij in onze sector weinig mee. Om online te scoren moet je inhoud kort, spectaculair of grappig zijn. De Negende symfonie van Mahler duurt anderhalf uur en heeft geen tekst om mee te zingen. Hoe wil je die in een viraal filmpje steken? Dat lukt niet." En de stukken waarmee het wel lukt, vind je talloze keren op het wereldwijde web. "Neem een standaardwerk zoals de Vijfde symfonie van Beethoven. Op YouTube alleen al zijn er waarschijnlijk 6000 versies. Bij enkele toporkesten zullen de views waarschijnlijk relatief oplopen, maar met de 5995 andere gebeurt weinig. Het internet is voor ons dus te grenzeloos", meent Libeer. "Een andere vraag is ook of het onze job is nu massaal muziekjes te produceren. Moeten mensen vijftien keer per dag een stuk van Bach of Chopin horen? Zit er geen waarde in schaarste en uniciteit?" Geef Libeer dan maar de grenzen van een concertzaal. "Dat die een beperkt aantal plaatsen heeft, zorgt ervoor dat je totaal andere prijzen kan vragen. De live-ervaring zal dus altijd de kerntaak van de klassieke muziek blijven. De Fransen hebben daar een heel mooi woord voor: le spectacle vivant. Dat groepsgevoel, dat je je met een groep mensen op een bepaald moment op een bepaalde plek bevindt, is bijna een ritueel gebeuren. En dat is nu compleet weg." Het stoorde andere artiesten de voorbije weken dat te weinig beleidsvoerders daar oog voor hadden. "Ik heb de afgelopen weken ook momenten van groot cynisme gehad", reageert Libeer. "Maar om een andere reden. Ik ben er nu een beetje over, maar toen ik mijn artistieke kompanen heel hoogdravend hoorde zeggen dat de overheid de cultuursector te weinig vermeldde en dat cultuur belangrijk is voor de samenleving, ben ik toch eens in de statistieken gedoken. Hoeveel procent van de bevolking gaat naar liveoptredens? Dertig. Hoeveel procent naar klassieke optredens? Vier tot vijf. Op zo'n moment denk je toch: als iedereen in de problemen zit, moeten wij dan echt beweren dat wij zo belangrijk zijn?" Geen aangename gedachte, geeft Libeer toe. "Ze gaat ook compleet in tegen wat ik eigenlijk geloof. Daar heb ik best al mee geworsteld. Na de besparingen in de cultuursector heb ik bijvoorbeeld wel mee de brief aan minister van Cultuur Jan Jambon (N-VA) ondertekend, maar daarna zag ik mensen dingen doen die de karikatuur van de cultuurwereld zo bevestigden. Heel contraproductief. Als de spaarpot niet gevuld raakt, kun je nog zo luid om geld vragen, je zult er geen krijgen. Geld groeit niet aan de bomen, dat heb ik thuis genoeg meegekregen, als zoon van een ex-Vokabaas" (Jo Libeer, nvdr). Wat niet betekent dat Libeer zelf niet gelooft in cultuursubsidies. "Mensen vragen soms waarom hun belastinggeld moet worden gebruikt voor avant-gardetheater dat voor amper dertig mensen wordt gespeeld. Terwijl een grote productie zoals Game of Thrones helemaal geen subsidies nodig heeft, omdat ze marktgedreven is en kan leven van sponsoring. Wel, het antwoord is dat de acteurs en de schrijvers van Game of Thrones allicht ook ooit zijn begonnen bij dat avant-gardetheater. De 1 procent van de producties die kan overleven zonder publieke investering, kon dus niet bestaan zonder die publieke investering." Ook de invloed op het publiek dat van die subsidies profiteert, valt naar Libeers mening niet te onderschatten. "Als we bereid zijn de hele samenleving plat te leggen om 2 tot 3 procent overlijdens te vermijden, moeten we misschien ook denken aan de mentale gezondheid van de 5 procent van de bevolking die naar klassieke concerten gaat. En aan de 30 procent van de bevolking die naar allerlei concerten gaat. Voor hen gaat het nu niet om leven of dood, maar wel over hun levenskwaliteit in de komende maanden en jaren. Dat hoort misschien niet eerst te staan op de lijst van prioriteiten, maar het verdient wel een tweede plaats." Geen kwestie van leven of dood, noemt Libeer het, maar zijn meer cynische collega's denken daar soms anders over. "Hen hoor je nu zeggen dat het coronavirus vooral oudere mensen treft. Ons publiek dus. Straks gaat er niemand meer zijn", lacht Libeer. Zelf maakt hij zich daar absoluut geen zorgen over. "Ja, het publiek voor klassieke muziek is vijftigplus, misschien veertigplus, maar de twintigers die vandaag niet naar klassieke muziek luisteren, zullen dat binnen twintig of dertig jaar mogelijk wel doen. Er zijn genoeg mensen die daarin groeien om onze sector leefbaar te houden. Ook zij gaan altijd behoefte hebben aan een live-ervaring die het moment en de ticketprijs overstijgt. Daarom haat ik het woord 'cultuurconsument' ook zo. Alsof die gewoon van het ene naar het andere product hopt." Al zetten artiesten zich natuurlijk ook zelf als een product op de markt. "Klopt, wij zijn van de massa afhankelijk om een inkomen te hebben. Dat zet ons ook in de positie van de verkoper die zich afvraagt hoe hij zijn product zo aantrekkelijk mogelijk kan maken", antwoordt Libeer. "Topmuzikanten worden dus gemáákt, je moet daar niet naïef in zijn. Die muzikanten weten wat ze wel en niet willen en hebben een strategie. Geen enkele muzikant die een beetje succes heeft, is een naïeve kunstenaar die in een hoekje zijn ding zit te doen en al de anderen het werk laat opknappen. Er zijn muzikanten die zo buitengewoon zijn dat ze mensen rondom zich mobiliseren, maar als die artiesten zo chaotisch zijn dat je er geen kant mee op kunt, zal dat niet lang duren. Iedere artiest die op een bepaald moment in zijn carrière staat, is daar geraakt door vijf, tien, vijftien jaar lang op een bepaalde manier en met de juiste mensen te werken." Dat merkt Libeer ook in zijn omgeving. "Ik ben heel goed bevriend met de celliste Camille Thomas. Haar publieke persona is de mooie Parisienne met haar cello, en haar optredens gaan over muziek en emotie. Dat is allemaal heel oprecht, maar Camille is tegelijk een zakenvrouw zoals ik ze nog maar zelden heb gezien. Al tien jaar lang bouwt ze met een enorme focus aan een wereldcarrière als celliste. Punt. Het is heel indrukwekkend en soms ook een beetje verbazend dat als vriend in de coulissen te zien." Ook zelf bevindt Libeer zich soms in die spreidstand. "Kijk, ik wil graag mijn leven lang het grootste deel van mijn dag met dit vak bezig zijn, dit is mijn habitat. Om dat mogelijk te maken, moet ik er geld mee kunnen verdienen. Maar ik kan mijn reputatie niet alleen uitbouwen. Dus word ik een bron van inkomsten voor managers, platenlabels, concertpromotoren en noem maar op. Dus moet ook mijn naam, die op 10 oktober 1987 gewoon een naam aan de burgerlijke stand was, plots een merk worden", beseft Libeer. "Ik vind dat een ellendige term en ik ben me heel bewust van de gevaren die dat met zich meebrengt. Je kunt als merk heel snel een karikatuur van jezelf worden. Als je merkt dat de industrie je wil boetseren tot een personage dat makkelijker zou verkopen, moet je allicht met andere mensen in zee gaan. Maar je moet de mensen met wie je werkt wel de mogelijkheid geven om je naam te maken. Er bestaan 15.000 cd's van iemand die Bach speelt, maar amper één cd van Julien Libeer die Bach speelt." Het toont hoe moordend de concurrentie kan zijn, maar zo kijkt Libeer er liever niet naar. "In China alleen al zijn er tien miljoen professionele pianisten. Je kunt dus zeggen dat ik daar tien miljoen concurrenten heb, maar wat wil je dat ik daarmee doe? De aflossing van de wacht komt blijkbaar van een plek die cultureel niet verder kon liggen van wat wij hier de voorbije 2000 jaar hebben gedaan. Dat is geen waardeoordeel, maar een vaststelling." Libeer trekt volgend jaar ook zelf naar Hongkong en Japan. "Als alles meezit", voegt hij eraan toe. Het programma dat hij er kan spelen, is er wel beperkter. "De smaak is in Azië op zijn zachtst gezegd heel conservatief", zegt hij. "Het is heel moeilijk er avontuurlijk te programmeren, om er klassieke stukken te spelen die niet in de wereldwijde top tien staan. Maar Azië is een heel grote markt. In Tokio heb je twintig concertzalen ter grootte van Bozar en die zitten elke avond vol." Het bewijst volgens Libeer dat er altijd voldoende netwerken zullen zijn om een muzikaal bestaan met voldoening uit te bouwen. "Sommigen zullen meer spelen dan anderen, maar het leuke aan dit vak is nog altijd dat het niet de bedoeling is zo veel mogelijk geld te verdienen. De bedoeling is er zo goed mogelijk van te kunnen leven. Zelfs de meest succesvolle klassieke pianisten krijgen per optreden met een orkest niet meer betaald dan 15.000 euro. Dat is veel natuurlijk, maar Paul McCartney verdient dat na één minuut op het podium."