De zegebulletins over de arbeidsmarkt volgen elkaar in snel tempo op. Het recentste rapport van het Vlaams Steunpunt Werk en Economie leert dat vooral de Vlaamse arbeidsmarkt in goeden doen blijft. Het aantal werklozen daalt al 36 maanden op rij. In juni waren er 205.977 niet-werkende werkzoekenden in Vlaanderen, een daling van 8,5 procent op jaarbasis (zie grafiek Aantal Vlaamse werklozen daalt al maanden).
...

De zegebulletins over de arbeidsmarkt volgen elkaar in snel tempo op. Het recentste rapport van het Vlaams Steunpunt Werk en Economie leert dat vooral de Vlaamse arbeidsmarkt in goeden doen blijft. Het aantal werklozen daalt al 36 maanden op rij. In juni waren er 205.977 niet-werkende werkzoekenden in Vlaanderen, een daling van 8,5 procent op jaarbasis (zie grafiek Aantal Vlaamse werklozen daalt al maanden). In het tweede kwartaal van 2018 vond 10,1 procent van de werklozen een baan, dat is iets meer dan de 9,8 procent van dezelfde periode in 2017. Toch blijft de doorstroming van werklozen naar de arbeidsmarkt in een internationaal perspectief opvallend laag. Het risico dat iemand in werkloosheid vast blijft zitten, is in België groter dan bijvoorbeeld in de Scandinavische landen en buurland Frankrijk. En dat in tijden waarin het aantal vacatures blijft stijgen. De VDAB telde deze zomer 52.557 vacatures, 36,3 procent meer dan vorig jaar. Die spanning op de arbeidsmarkt baart de beleidsmakers al een tijd zorgen. De federale regering sloot daarom een arbeidsdeal, om de mismatch op de arbeidsmarkt aan te pakken. Een belangrijk onderdeel daarvan is een sterkere degressiviteit van de uitkeringen. Ze zullen sneller dalen, wat de werkloze ertoe moet aanzetten intensiever op zoek te gaan naar werk. Dat is eigenlijk een compromis. Open Vld en de N-VA wilden de werkloosheidsuitkeringen beperken in de tijd, maar dat lag zeer moeilijk voor de coalitiepartners MR en CD&V. Een versnelde daling van de uitkeringen was de middenweg. De federale regering haalde de mosterd bij de Gentse econoom Stijn Baert. In zijn voorstel liggen de uitkeringen in de periode direct nadat iemand zijn werk heeft verloren, hoger dan nu het geval is. Daarna zouden ze sneller beginnen te dalen. "Er is al sprake van degressiviteit, maar de uitkeringen zijn nu eigenlijk behoorlijk vlak, stelt Baert. "Zeker voor gezinshoofden en alleenstaanden neemt de uitkering in de eerste twee jaar van de werkloosheid nu amper af. Na twee jaar is men eigenlijk al langdurig werkloos. We moeten ervoor zorgen dat mensen sneller een baan vinden. In mijn voorstel, dat ik midden juni aan minister van Werk Kris Peeters bezorgde, bedraagt de uitkering in de eerste drie maanden van de werkloosheid 70 in plaats van 65 procent van het laatste loon. Vervolgens neemt de uitkering om de drie maanden en in gelijkmatige stapjes af, om na twee jaar op een bodemniveau te komen. In mijn voorstel ligt dat 15 procent hoger dan het leefloon." In welke mate de regering het voorstel van Baert overneemt, is nog niet duidelijk. Vast staat dat de werkloosheidsuitkeringen in de eerste zes maanden stijgen. Niet bekend is of dat gebeurt door een verhoging van het plafond van 2619,09 euro (een hoger inkomen wordt niet meegeteld in de berekening van de uitkering) of door een verhoging van het percentage van 65 procent. Hoelang de periodes tussen de dalingen zullen zijn en hoeveel de uitkering met elk stapje zakt, is evenmin bekend. In november moet de regering-Michel daarover een akkoord op zak hebben. "Ik zou niet het maximumloon verhogen, waarop alles berekend wordt", waarschuwt Baert. "Ons activeringsbeleid moet vooral op de laagste inkomens gericht zijn." De onduidelijkheid over de uitwerking voedt ook bij andere experts het wantrouwen. Jan Denys, de arbeidsmarktspecialist van Randstad, noemt de stijging van de uitkering in de eerste periode "weggegooid geld". "Wie nu werkloos is, vindt met de huidige krapte snel een baan." Stijn Baert begrijpt de kritiek, maar blijft de lichte verhoging verdedigen. "Ik mag hopen dat we een systeem opzetten dat ook robuust is wanneer het economisch minder goed gaat. Een voldoende hoog startniveau van de uitkeringen moet werklozen de ruimte geven niet zomaar een baan aan te nemen, maar meteen te gaan voor een goede match. We weten uit onderzoek dat wie onder zijn niveau werkt, daar nog moeilijk uit wegraakt. Dat is een slechte zaak voor die persoon, maar ook voor de economie: een mismatch is niet efficiënt en zorgt ervoor dat onze investeringen in onderwijs onvoldoende lonen." Bij Open Vld en de N-VA zijn de verwachtingen over de nieuwe maatregel niet hooggespannen. "De hervorming die nu voorligt, is beperkter dan onder de regering-Di Rupo. De bedragen verschuiven wat en dat is het. Zal het een groot verschil maken, wanneer de uitkering in het begin van 1600 naar 1700 stijgt en dan sneller daalt naar pakweg 1200 euro? Het is een goede stap, maar niet de grote hervorming", klinkt het. Die flank van de federale regering blijft pleiten voor een beperking van de uitkeringen in de tijd. Maar dat zal ten vroegste op tafel komen bij de regeringsonderhandelingen na de verkiezingen van 2019. Baert is er niet voor te vinden, ook al is België een van de weinige landen die de beperking in de tijd nog niet heeft ingevoerd. Zijn bezwaar luidt dat een beperking in de tijd de werklozen uiteindelijk in de inactiviteit duwt. In Vlaanderen mag de werkloosheidsgraad dan wel amper 3,2 procent bedragen, het aantal inactieven (mensen die niet werken en zich niet aanbieden op de arbeidsmarkt) bedraagt meer dan 23 procent. "Onderzoek geeft aan dat bij een stopzetting van de werkloosheidsuitkeringen er inderdaad een piek is in de uitstroom naar werk", zegt Baert. "Maar tegelijk neemt ook de inactiviteit toe. Dat kunnen we ons niet permitteren. Een ander argument is dat je werklozen niet in de richting van inactiviteit en een leefloon moet duwen, wanneer ze alles op alles gezet hebben maar na pakweg twee jaar geen baan gevonden hebben. Dan moet je hen in het kader van de werkloosheid houden, met dus een nauwe opvolging door de VDAB. In tijden van hoge arbeidsmarktkrapte is dat een kleine groep, maar ze verdient een faire behandeling." Er is intussen ook onverwachte kritiek opgedoken op de versterkte degressiviteit. Een studie van Leuvense economen pleitte voor een stijging van de uitkeringen naarmate men langer werkloos is. Ze baseren zich op cijfers uit Zweden, waar de uitkeringen eerst laag zijn om de werklozen aan te sporen, en daarna stijgen. "Ik kan dat voorstel echt niet volgen", zegt Baert. "De voorstanders baseren zich op één studie, waarin een knap theoretisch model wordt getoetst aan Zweedse data. Die studie geeft, net als vele andere, aan dat genereuzere uitkeringen hand in hand gaan met een langere werkloosheidsduur, én ze concludeert dat financiële prikkels meer impact hebben op het gedrag van werklozen wanneer ze eerder toegediend worden. Mij lijken uitkeringen die afnemen naarmate men langer werkloos is, dan het juiste antwoord." "Het belangrijkste argument tegen het voorstel van de Leuvense economen is dat het de werkloosheidsval opnieuw invoert", zegt Jan Denys. "Dat is ook de reden waarom die hogere uitkeringen in de tijd in geen enkel ander land bestaan." De voorbije jaren is de werkloosheidsval in België grotendeels verdwenen, onder andere dankzij lagere lasten op arbeid via de werkbonus. Ook de taxshift hielp, met 100 euro extra per maand voor de laagste lonen. Toch blijft voor een groep van laaggeschoolden het verschil tussen wat ze ontvangen wanneer ze werken en wanneer ze niet werken, te klein. De reden is dat werken ook betekent dat nieuwe kosten opduiken, bijvoorbeeld voor mobiliteit, kleding en kinderopvang. Bewijst dat dat een snellere daling van de werkloosheidsuitkeringen alleen niet voldoende is om de werkloosheid voort te doen dalen? "Inderdaad. Ik zou vooral inzetten op de aanbodzijde. Zorg bijvoorbeeld voor meer, goedkopere en flexibeler kinderopvang, waarbij de kinderen van werkenden voorrang krijgen. En verlaag de lasten op arbeid, maar dan enkel voor de laagste inkomens. Voor hen moet werken echt meer lonen", stelt Baert vast. "Daarnaast is er behoefte aan een betere activering van de werklozen." In België gaat nog altijd 70 procent van de uitgaven voor arbeidsmarktbeleid naar wat men 'steun' noemt, zoals werkloosheidsuitkeringen en brugpensioen. Slechts 22 procent gaat naar activeringsmaatregelen. In Zweden is dat bijvoorbeeld 57 procent (zie grafiek België steekt vooral geld in uitkeringen). "De versterkte degressiviteit is belangrijk, maar slechts een klein onderdeel van een goede beleidsmix in het arbeidsmarktbeleid. Veel groepen in onze maatschappij worden nog te weinig geactiveerd", zegt Vlaams Parlementslid Robrecht Bothuyne (CD&V), die het Vlaamse arbeidsmarktbeleid van nabij volgt. Hij vindt dat de VDAB te weinig doet. "In 2017 waren meer dan 200.000 werkzoekenden bij de VDAB ingeschreven, maar in dat jaar zijn slechts 108.000 persoonlijke begeleidingstrajecten opgezet. Dat kan en moet beter. Elke laag- en middelmatig geschoolde zou onmiddellijk in een traject naar werk moeten terechtkomen en opleidingen volgen." Een steeds grotere groep krijgt het etiket 'onbruikbaar voor de reguliere arbeidsmarkt': bijna 20.000 werklozen of bijna 10 procent van het totaal. Voorts blijkt dat 91.000 van de 206.000 werklozen laaggeschoold zijn, terwijl voor de helft van de vacatures geen opleiding nodig is. "Daar is minder sprake van een mismatch, maar veeleer van een probleem van arbeidsbemiddeling en misschien ruimer van controle en bestraffing door de VDAB. Schoonmaakster is een knelpuntberoep. Als ik de cijfers zie, zou dat absoluut niet mogen", besluit Bothuyne.