Goed nieuws, zo leek het toch. De webwinkel Amazon verhoogt het minimumloon voor zijn Amerikaanse en Britse werknemers. Ik heb geluisterd naar de critici, verklaarde CEO Jeff Bezos. De Amerikaanse werknemers kunnen voortaan rekenen op minimaal 15 dollar per uur, de Britse op 9,5 pond, en de Londense zelfs op 10,5 pond. Gewezen Democratisch presidentskandidaat Bernie Sanders feliciteerde Bezos "for doing exactly the right thing". Werd de baas van Amazon overmand door een vlaag van generositeit? Niet echt, berekenden analisten. De loonsverhoging zal amper 1 procent uitmaken van de verwachte 235 miljard dollar omzet dit jaar.
...

Goed nieuws, zo leek het toch. De webwinkel Amazon verhoogt het minimumloon voor zijn Amerikaanse en Britse werknemers. Ik heb geluisterd naar de critici, verklaarde CEO Jeff Bezos. De Amerikaanse werknemers kunnen voortaan rekenen op minimaal 15 dollar per uur, de Britse op 9,5 pond, en de Londense zelfs op 10,5 pond. Gewezen Democratisch presidentskandidaat Bernie Sanders feliciteerde Bezos "for doing exactly the right thing". Werd de baas van Amazon overmand door een vlaag van generositeit? Niet echt, berekenden analisten. De loonsverhoging zal amper 1 procent uitmaken van de verwachte 235 miljard dollar omzet dit jaar. Lonen zijn haast een bijzaak geworden voor de superbedrijven, en van dat soort bedrijven zijn er steeds meer, in alle sectoren. Dankzij hun technologie zijn ze hyperproductief, en palmen ze zo grote delen van de markt in. Wie innoveert, kan in deze tijden van globalisering en internet veel sneller groot worden dan vroeger. De sectoren met de hoogste machtsconcentratie zijn precies de sectoren met de snelste technologische vooruitgang, aldus MIT-econoom John Van Reenen. De machtsconcentratie komt niet door een gebrek aan concurrentie. In de huidige wereld is het eerder omgekeerd, aldus Van Reenen in een paper die hij afgelopen zomer mocht voorstellen op de vergadering van de centrale bankiers in Jackson Hole. Bedrijven zijn nu eenmaal niet gelijk. Het ene is sneller, slimmer en dynamischer dan het andere. Als de concurrentie dan toeneemt - ook consumenten gebruiken het internet en vergelijken de prijzen - dan gaat het productiefste bedrijf met het grootste marktaandeel lopen. Hoe meer concurrentie, hoe meer machtsconcentratie: van een paradox gesproken. De consumenten doen hun voordeel met hyperproductieve bedrijven, maar voor de werknemers is het pech. "Het deel van de omzet dat naar de werknemers vloeit, is erg klein in die bedrijven", zegt Van Reenen, die vorige week even in Brussel was. "Het is niet zozeer dat zij hun mensen lage lonen uitbetalen. Een bedrijf als Google betaalt zijn medewerkers good amounts of money. Maar de superbedrijven maken enorme winsten, waardoor het loonaandeel in de omzet vanzelf kleiner wordt. Bovendien gaat een groot deel van de winst naar software en andere investeringen, zodat er minder overblijft voor lonen." Niemand die dat beter voelt dat de gemiddelde Amerikaan. Met zijn loon koopt hij vandaag evenveel in de winkel als 35 jaar geleden. Tussen 1979 en 2014 is het gemiddelde reële loon niet gestegen in de VS. De gemiddelde werknemer werd wel productiever, maar de vrucht daarvan nam hij niet mee naar huis, zodat zijn aandeel in de economische koek almaar kleiner werd. Het arbeidsaandeel, het deel van de werknemers in de toegevoegde waarde, daalde van 65 procent in 1977 tot 59 procent in 2010. De Amerikaanse werknemer staat niet alleen. In de hele wereld is het arbeidsaandeel gezakt, sinds de jaren 80 in de geavanceerde economieën, en sinds de jaren 90 ook in de opkomende economieën, aldus een IMF-rapport (zie grafiek De boetegang van de loontrekkende). Over alle landen heen ging het arbeidsaandeel zowat 5 procentpunten lager tussen 1980 en 2006, en bleef het hangen sedert de crisis van 2008-2009. Sommige landen ontsnapten aan de dans. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld is het arbeidsaandeel gestegen tussen 1991 en 2014. Maar dat weegt niet op tegen de globale trend. Van de grootste 50 economieën kenden 29 een dalend arbeidsaandeel tussen 1991 en 2014, en die 29 zijn goed voor twee derde van de wereldeconomie, aldus nog het IMF. De vraag is of alleen de superbedrijven daarvoor verantwoordelijk zijn. De voorbije jaren hebben economen veel andere verklaringen aangedragen voor het dalende arbeidsaandeel, zoals de automatisering, de concurrentie van arbeid uit lagelonenlanden, of de gedaalde syndicalisatiegraad in heel wat geavanceerde economieën. Spelen al die factoren dan geen rol? "Dat zal je mij niet horen zeggen", zegt Van Reenen. "Voor sommige sectoren zullen die factoren wel een rol spelen. Maar de dominantie van een klein aantal zeer grote bedrijven is belangrijker." Die conclusie leidt Van Reenen af uit internationale vergelijkingen. Marktconcentratie en dalende arbeidsaandelen zie je niet alleen in de VS. Ook in Europa bijvoorbeeld zijn die trends aan het werk, hoewel het oude continent sociaal en institutioneel anders in elkaar zit dan de VS. Denk maar aan de verschillen in vakbondsmacht, minimumloon, regulering en mededingingsbeleid. Er moet dus iets fundamenteels aan de gang zijn, schrijft Van Reenen. Zelfs in België - toch een schoolvoorbeeld van de welvaartsstaat - moesten de werknemers terrein prijsgeven. Het arbeidsaandeel daalde van 65,6 procent in 1985 naar 60,4 procent in 2014. In dat dalingstempo loopt de Belgische werknemer elk jaar 139 euro mis, aldus Yannick Bormans, econoom bij Vives, een onderzoekscentrum van de KU Leuven. In tegenstelling tot zijn Amerikaanse collega, kocht de Belgische werknemer wel meer voor zijn geld. Het gemiddelde reële loon is tussen 1985 en 2014 met zo'n 25 procent gestegen. Maar de productiviteit steeg met 35 procent, zodat ook de Belgische werknemer zijn deel van de koek zag krimpen. De remmende werking van de Belgische loonnorm zal daar zeker een rol in spelen, maar ook ons land blijft niet gespaard van superbedrijven, stelde Bormans vast. In de grootste drie sectoren - samen goed voor bijna twee derde Belgische toegevoegde waarde - neemt de concentratie toe. Voor industrie en distributie is dat vanaf de jaren 90, voor logistiek is dat vanaf 2007. "Vroeger kon een werknemer met de juiste vaardigheden zich aanbieden bij negen of tien bedrijven, nu zijn er dat nog een of twee", zegt Bormans. "Het is logisch dat zoiets de machtsverhoudingen bij loononderhandelingen verandert." Superbedrijven doen het arbeidsaandeel ook onrechtstreeks dalen, via uitbesteding. Schoonmaaksters, koks en ander dienstpersoneel pikten vroeger een graantje mee van de hogere lonen in grote bedrijven. Uitbesteding maakt daar een einde aan. In zijn jongste verslag spreekt de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid over een domino-effect. Leidende bedrijven blijven hun winsten met hun werknemers delen, maar de toeleveranciers zijn al minder genereus, zeker als ze minder gespecialiseerd zijn. Aan het einde van de keten zitten de schoonmaakbedrijven, de cateraars en andere bedrijven in markten met weinig toegangsbelemmeringen en veel concurrentie. De winsten zijn er nagenoeg nul, zodat er amper iets te delen valt met de werknemers. Uitbesteding, ook het uitbesteden van productie aan lagelonenlanden, en het automatiseren van routineuze jobs doen het arbeidsaandeel dalen, maar niet voor iedereen. In de hele wereld ging het arbeidsaandeel van de hooggeschoolden met 5 procentpunten vooruit tussen 1995 en 2009, volgens het IMF. Het zijn de midden- en laaggeschoolden die inboeten. Hun gezamenlijke arbeidsaandeel dook 7 procentpunt lager. Het gaat om wereldwijde trends, aldus het IMF, maar de polarisatie is een stuk erger in de geavanceerde economieën (zie grafiek Poetsvrouw en boekhouder de pineut, ingenieur de winnaar). Het verlies van de midden- en laaggeschoolden tegenover de hooggeschoolden doet de inkomensongelijkheid toenemen, maar er is meer. Als het arbeidsaandeel daalt, dan stijgt het deel van de koek dat naar de kapitaalbezitters vloeit. Kapitaalinkomen is veel ongelijker verdeeld dan arbeidsinkomen, zodat de polarisatie nog aanscherpt. Volgens een OESO-rapport uit 2015 incasseerden de 10 procent hoogste arbeidsinkomens 25 procent van de loonmassa in Europa, terwijl de 10 procent grootse kapitaalbezitters 60 procent van kapitaal in handen hadden. Tel je de inkomens uit arbeid en kapitaal samen, dan krijgen de 10 procent grootste verdieners 35 procent van het totale inkomen. In de VS, waar de ongelijkheid nog groter is, bedraagt dat laatste cijfer zelfs 50 procent. Wat kan de overheid doen? "Mensen zijn blij als hun loon elk jaar stijgt", zegt Bormans. "Waar het echt om gaat, is de verdeling van de koek. Het is als een partijtje touwtrekken tussen arbeid en kapitaal: wie gaat met welk deel van de toegevoegde waarde lopen? Al jaren krijgt arbeid minder, en kapitaal meer. Als dat nog enkele decennia blijft duren, kom je uit bij een grote inkomensongelijkheid. Dan zou ik me als beleidsmaker toch zorgen maken." Het arbeidsaandeel zegt echter niet alles over die inkomensongelijkheid, aldus Ive Marx, arbeidseconoom aan de Universiteit Antwerpen. "Achter een dalend arbeidsaandeel kan net zo goed een toename van het aantal zelfstandigen zitten, die zichzelf een laag arbeidsinkomen uitbetalen en de rest van hun opbrengsten naar hun vennootschap laten vloeien, wat het kapitaalaandeel doet stijgen. Voor mij niet gelaten. Wat telt, is de evolutie van de levensstandaard aan de onder- en de bovenkant van de samenleving. Dát moet de overheid in de gaten houden." Voor zover bekend, heeft het dalende arbeidsaandeel nog niet gezorgd voor een stijgende inkomens- of zelfs vermogensongelijkheid in België, aldus Marx. "De vakbondsman zal zeggen: 'toch wordt het geld niet fair verdeeld. De bedrijfswinsten stijgen, maar door de loonnorm mogen wij ons graantje ervan niet meepikken.' Hij heeft een punt. Maar de ondernemer zal zeggen: 'dankzij de loonnorm kunnen wij onze winsten herinvesteren in innovatie en uitbreiding, zodat we competitief blijven en ook meer mensen kunnen aanwerven.' Ook hij heeft een punt. Wie gelijk heeft, zullen we pas over langere termijn weten. Het laatste woord zal van de politiek moeten komen." Als concurrentie de machtsconcentratie stuwt, wat kan een concurrentiewaakhond dan nog doen? "De supersbedrijven zullen hun marktaandeel willen verdedigen, ook met ongeoorloofde praktijken", zegt Alexis Walckiers, hoofdeconoom van de Belgische Mededingsautoriteit. "Wij blijven nodig."