De ruimte staat vol met eindeloze rekken servers, een beetje zoals een computer ontdaan van het beeldscherm. Op de achtergrond klinkt het gezoem van de duizenden machines, en af en toe zie je bundels van tientallen kabels tussen apparaten hangen. Dit is het vaak vergeten hart van onze digitale economie. Metaforen zoals de cloud (Engels voor wolk) ten spijt, steunt ons internet helemaal niet op wolken. Die term verwijst naar een netwerk van computers met software en data, waarvan de toegang via internet kan worden gedeeld. Het steunt dus op datacenters.
...

De ruimte staat vol met eindeloze rekken servers, een beetje zoals een computer ontdaan van het beeldscherm. Op de achtergrond klinkt het gezoem van de duizenden machines, en af en toe zie je bundels van tientallen kabels tussen apparaten hangen. Dit is het vaak vergeten hart van onze digitale economie. Metaforen zoals de cloud (Engels voor wolk) ten spijt, steunt ons internet helemaal niet op wolken. Die term verwijst naar een netwerk van computers met software en data, waarvan de toegang via internet kan worden gedeeld. Het steunt dus op datacenters. Dat soort centra vormen de basis van de meeste onlinediensten. Als je een nieuwssite bezoekt, een gps-app opent of een serie bekijkt op Netflix, dan maakt je computer of telefoon verbinding met een datacenter ergens ter wereld. Dat is niet enkel het terrein van de grote Amerikaanse cloudgiganten, zoals Amazon of Google, maar ook van kleinere, lokale spelers. In België bedient een bruisend geheel aan datacenterbedrijven de lokale markt. Ze moeten wel het hoofd bieden aan heel wat uitdagingen, van een gebrek aan schaalgrootte en buitenlandse concurrentie tot de hoge Belgische energieprijzen. Frederik Poelman, medeoprichter van het hostingbedrijf Combell, weet heel goed hoe dat onze digitale wereld vormgeeft. Combell, dat websites draaiende houdt, is waarschijnlijk een van de grootste gebruikers van datacenters in België. "Het datacenter is het startpunt van Combell", stelt Poelman. "Als bij hen de stroom uitvalt, en ons netwerk niet meer beschikbaar is, dan zijn we offline. Onze service mag dan nog zo goed zijn, als we offline zijn, valt er weinig te zeggen." Combell steunt daarom op Belgische datacenters om een aantal dingen te doen. "Voor een hostingbedrijf is uptime (beschikbaarheid van het internet, nvdr) natuurlijk heel belangrijk", vertelt Poelman. "De websites van onze klanten draaien op servers die in een datacenter staan." Daarnaast is een betrouwbare verbinding belangrijk voor de rekenkracht en het opslagvermogen. "Om al onze klanten te bedienen, moet een hoop apparatuur in een veilige en gekoelde omgeving staan. Een professioneel datacenter is echt een must voor ons", zegt Poelman. Combell rekent in België vooral op zogenaamde publieke datacenters. Zij staan open voor iedereen, en zijn een soort serverhotel voor andere bedrijven. Er zijn ook private datacenters, zoals de centers uitgebaat door telecomoperatoren, of het datacenter van Google dicht bij Bergen. LCL is een van de grootste aanbieders van dit soort datacenterhotels in België. Het heeft er drie: in Brussel, Aalst en Antwerpen. Een team van 23 werknemers bedient die locaties, samen zijn ze verantwoordelijk voor 10 miljoen euro omzet per jaar. "LCL is ontstaan na de dotcomcrisis", stelt Laurens van Reijen, de managing director van LCL. "Op dat moment namen we een reeks private datacenters over, die we ombouwden tot neutrale centra. Onze Brusselse locatie namen we bijvoorbeeld over van een ander bedrijf." Intussen werkt LCL voor een lange lijst klanten, van Combell over overheden en grote multinationals tot kleine kmo's. "Wij bieden geen IT-diensten aan", stelt van Reijen. "We geven wel advies. Zoals de meeste datacenters, hosten we niet direct websites, maar geven we een thuis aan de servers die dat doen." Volgens Van Reijen is schaalvergroting vandaag de grote trend. "Deze markt vergt erg grote investeringen", vertelt de managing director. "Daarom is schaal ook zo belangrijk. In Aalst investeerden we de voorbije jaren bijvoorbeeld 15,5 miljoen euro in bijkomende capaciteit voor onze klanten. Op termijn zullen enkel grotere datacenters overblijven. De kleinere spelers zullen aan belang inboeten. Er komt een consolidatie op ons af." Niettemin bestaan de kleine spelers nog altijd, en ze doen het niet noodzakelijk slecht. Dat stelt Friso Haringsma, managing director bij Datacenter United, een bedrijf met twee datacenters en acht werknemers. "Al wat digitaal is, verloopt via een datacenter", steekt Haringsma van wal. "Alles van e-mailservers en websites tot SaaS-oplossingen (softwareabonnementen van bedrijven, nvdr) vind je in onze datacenters terug. Dit is de plek waar het digitale tastbaar wordt. Hier draaien de fysieke machines waarmee smartphones en computers zich verbinden." Datacenter United surft zo mee op een bredere golf in de markt. Bedrijven verplaatsen hun servers almaar vaker naar externe datacenters. "Vroeger stond bij elk bedrijf wel een server", vertelt Haringsma. "Nu verplaatsen steeds meer bedrijven die naar een datacenter. We zijn begonnen vanuit de vraag van ondernemingen om hun IT-infrastructuur naar de cloud te verplaatsen." Op die trend steunt zowat de hele Belgische datacentersector voor zijn expansie. Er is wel concurrentie van de grote Amerikaanse cloudgiganten, zoals Amazon, Microsoft en Google. Niettemin is Haringsma niet bezorgd: "Ze zijn natuurlijk concurrenten, maar de markt groeit substantieel. Dankzij die grote partijen beginnen bedrijven ook na te denken over hun data en over de cloud. Niet alles vloeit naar de grote Amerikaanse spelers, het zorgt ook voor meer vraag naar lokale datacenters. Het voordeel van een lokaal datacenter is dat je weet waar je data staan. De grote spelers maken de markt groter. Er groeit vandaag zelfs een hybride cloud, waarbij een deel van de data in de publieke cloud van de grote giganten staat en bedrijven gevoelige systemen in lokale datacenters plaatsen." Unix-Solutions is nog zo'n kleinere speler, die mooie groei neerzet. Het bedrijf onderhoudt met negen mensen twee datacenters, in Zaventem en in Leuven. Steven Bens, een ex-werknemer van het Belgische sociaal netwerk Netlog, richtte het bedrijf op. "Ik was als tiener al bezig met servers en netwerken, als hobby", stelt Bens. "Veel heb ik al doende geleerd. Op mijn negentiende startte ik tegelijk Unix-Solutions op als zelfstandige in bijberoep en ging ik werken voor Netlog als systeem- en netwerkbeheerder. Dankzij die ervaring leerde ik enorm veel bij. Op piekmomenten beheerden we toen meer dan 2000 servers." Bens vertrok bij Netlog om zich volledig te richten op Unix-Solutions. In tegenstelling tot LCL en Datacenter United biedt het bedrijf zowel diensten als housing aan. Je kan je server bij Unix-Solutions plaatsen, maar evengoed je site direct bij hen plaatsen. "Dat we als kleinere partij zowel de datacenterinfrastructuur beheren, als de cloud en hosting doen, is vrij uitzonderlijk", stelt Bens. "Het geeft ons enorm veel flexibiliteit. We bieden alles van A tot Z in eigen beheer aan. Zo zorgen we ervoor dat een klant één enkel contactpunt heeft voor vragen of problemen. We schakelen pingpongspelletjes tussen verschillende leveranciers uit, want wij bieden gewoon alles zelf aan." Dat klinkt mooi, maar de Belgische datacentersector kampt ook met uitdagingen, vertelt de consultant Peter Witsenburg, medeoprichter van de gemeenschap Belgium Cloud. "België doet het vrij slecht in vergelijking met onze buurlanden", stelt hij. "Ons land telt ongeveer 36 publieke datacenters, Nederland ruim 200. Zelfs in Luxemburg heb je er al zestien, terwijl het toch veel kleiner is." Dat heeft te maken met factoren zoals de aanwezigheid van internetknooppunten, waar grote hoeveelheden glasvezelkabels samenkomen. Amsterdam is het eindpunt van een aantal onderzeese internetkabels, een ideaal punt om datacenters te plaatsen. Deels gaat het ook om beleid. "Onze energie is te duur en te onzeker", vertelt Witsenburg. "Elektriciteit is een gigantische kostenpost voor datacenters. Door een reeks belastingen heeft België hoge energieprijzen. Er zijn in de winter ook al enkele keren stroomonderbrekingen aangekondigd, wat voor een datacenter funest is. Dan moet je permanent in je eigen stroom voorzien, en dat is een dure investering die weinig opbrengt." Laurens van Reijen van LCL bevestigt dat. "Elektriciteit is onze belangrijkste kostenpost", stelt hij. "De energie zelf kost niet uitzonderlijk veel meer dan in het buitenland, maar de taksen in België maken het grote verschil. De taksbrief die we elke maand ontvangen maakt het zo duur." Ondertussen proberen Belgische datacenters zichzelf zo energie-efficiënt mogelijk te maken, en zetten ze in op duurzaamheid. "In Zaventem werken we samen met de gemeente om een nieuw warmtenet aan te leggen in ons industriepark", vertelt Bens. "Zo fungeren we als een verwarmingsketel voor naburige bedrijven en gebouwen. We verwarmen ze met onze overtollige hitte, zodat we die niet zomaar de lucht in blazen. We willen ook inzetten op andere technieken, zoals zonnepanelen op onze datacenters, en bekijken ook andere duurzame opties. Maar voorlopig wekken die niet genoeg energie op." Ondanks die uitdagingen is zelfs Witsenburg voorzichtig positief over de toekomst. "Er is een trend om meer applicaties in de cloud te plaatsen", stelt hij. "Ik voorspel een gestage groei, maar die zal niet maal twee of maal drie gaan." De sector zelf ziet het positiever in. "Onze sector groeit wereldwijd elk jaar met ongeveer 10 procent", vertelt Laurens van Reijen. "LCL wil minstens die 10 procent groei halen in België. Weinig sectoren groeien zoveel elk jaar."