Eind vorig jaar werd het nieuws de wereld in gestuurd dat de bedrijven de indexsprong en de taxshift zouden hebben gebruikt om hun winst op te krikken. "Nadere analyse leert dat de werkelijkheid toch wel anders is", stelt het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). "Belgische exportbedrijven hebben hun relatieve exportprijzen al meteen na die maatregelen flink laten zakken om hun export sterker te doen groeien. De bedrijven uit de private sector hebben ook massaal mensen aangeworven en stellen nu netto 224.000 personen meer te werk dan vijf jaar geleden. Dat is een groei van de werkgelegenheid met 7 procent, of 1,4 procent per jaar."

"Dat betekent dat er per procentpunt economische groei bijna 0,8 procentpunt werkgelegenheidsgroei in de privésector kon worden opgetekend. Dat is een ongewoon hoge arbeidsintensiteit. Normaal ligt die rond de 0,4 tot 0,5 procentpunt." Die jobgroei kan in belangrijke mate worden toegeschreven aan de relatief gunstige ontwikkeling van de arbeidskosten.

Investeringen in digitalisering en vergroening

Volgens het VBO hebben private bedrijven zich niet beperkt tot het aanwerven van relatief veel personeelsleden, maar ze hebben ook veel meer van hun toegevoegde waarde geïnvesteerd dan vroeger. De investeringsquote van de bedrijven is gestegen van 23 tot 24 procent in de eerste jaren van het nieuwe millennium naar 26 tot 27 procent in de voorbije drie jaar.

In waarde zijn de investeringen tussen 2014 en 2018 met ongeveer 21 procent gestegen. In volume gaat het om een stijging met bijna 17 procent of ongeveer 4 procent per jaar. "Dat die investeringsgroei samengaat met een relatief sterke stijging van de werkgelegenheid, geeft ook aan dat er de voorbije jaren meer werd geïnvesteerd in innovatie (in digitalisering en vergroening) en minder vanuit arbeidsbesparende motieven", aldus het VBO. "Dat bevestigt ook de VBO-enquête die elke zes maanden polst naar de investeringsmotieven in de verschillende sectoren van onze economie. De relatief gematigde loonkostenontwikkeling heeft daar duidelijk een grote rol in gespeeld."

De werkgeversorganisatie geeft voorts mee dat de nettorendabiliteit van de bedrijven in 2015-2017 wat was verbeterd tot 8,9 procent van de toegevoegde waarde. Net boven het langetermijngemiddelde van 8,4 procent, maar nog altijd bijna 10 procent lager dan de niveaus van 2004-2007. "In 2018 hebben de sterke werkgelegenheidsgroei, de historisch hoge investeringsinspanningen en de aanzienlijke betalingen van vennootschapsbelasting geleid tot een lichte terugval van de nettorendabiliteit tot 7,8 procent, wat iets onder het langetermijngemiddelde is", aldus het VBO. "Dat concept van macro-economische nettorendabiliteit staat nog niet gelijk aan de uitgekeerde winsten aan de aandeelhouders. Bedrijven kozen er de voorbije jaren ook steeds meer voor winsten te reserveren voor toekomstige investeringen, in plaats van ze uit te keren aan de aandeelhouders."

Eind vorig jaar werd het nieuws de wereld in gestuurd dat de bedrijven de indexsprong en de taxshift zouden hebben gebruikt om hun winst op te krikken. "Nadere analyse leert dat de werkelijkheid toch wel anders is", stelt het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). "Belgische exportbedrijven hebben hun relatieve exportprijzen al meteen na die maatregelen flink laten zakken om hun export sterker te doen groeien. De bedrijven uit de private sector hebben ook massaal mensen aangeworven en stellen nu netto 224.000 personen meer te werk dan vijf jaar geleden. Dat is een groei van de werkgelegenheid met 7 procent, of 1,4 procent per jaar.""Dat betekent dat er per procentpunt economische groei bijna 0,8 procentpunt werkgelegenheidsgroei in de privésector kon worden opgetekend. Dat is een ongewoon hoge arbeidsintensiteit. Normaal ligt die rond de 0,4 tot 0,5 procentpunt." Die jobgroei kan in belangrijke mate worden toegeschreven aan de relatief gunstige ontwikkeling van de arbeidskosten.Investeringen in digitalisering en vergroeningVolgens het VBO hebben private bedrijven zich niet beperkt tot het aanwerven van relatief veel personeelsleden, maar ze hebben ook veel meer van hun toegevoegde waarde geïnvesteerd dan vroeger. De investeringsquote van de bedrijven is gestegen van 23 tot 24 procent in de eerste jaren van het nieuwe millennium naar 26 tot 27 procent in de voorbije drie jaar. In waarde zijn de investeringen tussen 2014 en 2018 met ongeveer 21 procent gestegen. In volume gaat het om een stijging met bijna 17 procent of ongeveer 4 procent per jaar. "Dat die investeringsgroei samengaat met een relatief sterke stijging van de werkgelegenheid, geeft ook aan dat er de voorbije jaren meer werd geïnvesteerd in innovatie (in digitalisering en vergroening) en minder vanuit arbeidsbesparende motieven", aldus het VBO. "Dat bevestigt ook de VBO-enquête die elke zes maanden polst naar de investeringsmotieven in de verschillende sectoren van onze economie. De relatief gematigde loonkostenontwikkeling heeft daar duidelijk een grote rol in gespeeld."De werkgeversorganisatie geeft voorts mee dat de nettorendabiliteit van de bedrijven in 2015-2017 wat was verbeterd tot 8,9 procent van de toegevoegde waarde. Net boven het langetermijngemiddelde van 8,4 procent, maar nog altijd bijna 10 procent lager dan de niveaus van 2004-2007. "In 2018 hebben de sterke werkgelegenheidsgroei, de historisch hoge investeringsinspanningen en de aanzienlijke betalingen van vennootschapsbelasting geleid tot een lichte terugval van de nettorendabiliteit tot 7,8 procent, wat iets onder het langetermijngemiddelde is", aldus het VBO. "Dat concept van macro-economische nettorendabiliteit staat nog niet gelijk aan de uitgekeerde winsten aan de aandeelhouders. Bedrijven kozen er de voorbije jaren ook steeds meer voor winsten te reserveren voor toekomstige investeringen, in plaats van ze uit te keren aan de aandeelhouders."