Het Planbureau verwacht dat er de komende vijf jaar 205.000 banen bij komen, of gemiddeld 34.000 per jaar. Dat is minder dan in de periode 2015-2019, toen er 266.000 extra banen werden gecreëerd, gemiddeld 65.000. De motor valt dus niet stil, maar er is wel een groeivertraging.
...

Het Planbureau verwacht dat er de komende vijf jaar 205.000 banen bij komen, of gemiddeld 34.000 per jaar. Dat is minder dan in de periode 2015-2019, toen er 266.000 extra banen werden gecreëerd, gemiddeld 65.000. De motor valt dus niet stil, maar er is wel een groeivertraging. Een belangrijke indicator van een afkoeling van de arbeidsmarkt is de evolutie van de uitzendarbeid. De recentste cijfers, van december 2018, van de beroepsfederatie Federgon tonen aan dat de uitzendarbeid in een jaar met 3,69 procent gekrompen is. Maand op maand steeg de Federgon-index, die het niveau van de activiteit weergeeft in de onderzochte maand ten opzichte van de activiteit in de maand januari 2007 (basis 100), wel nog licht: van 112,28 naar 113,17 punten in december 2018. Maar de hoge scores van een jaar geleden haalt de index al een tijdje niet meer (zie grafiek Groei uitzendarbeid vertraagt). "Er is een vertraging van de jobgroei, al moet die zeker nog niet worden overschat", zegt Paul Verschueren, directeur research en economic affairs bij Federgon. "De daling van de uitzendactiviteit is eerst en vooral te verklaren door een verzwakking van de conjunctuur. In het conjunctuurgevoelige arbeiderssegment en in Vlaanderen voelen we dan ook een relatief sterkere verzwakking met 5 procent. Tegelijk is er een effect van de schaarste. In een krappe arbeidsmarkt neemt de inzet van uitzendarbeid als rekruteringsinstrument toe, maar kandidaten vinden is moeilijk en bedrijven bieden uitzendkrachten gemiddeld ook sneller een vast contract aan, wat dan weer een neerwaarts effect heeft op het volume aan uitzendarbeid." Door de schaarste botst de Belgische arbeidsmarkt op haar grenzen. De vacaturegraad (het aantal openstaande vacatures tegenover het totale aantal banen) is historisch hoog. Met 3,5 procent ligt de gemiddelde Belgische vacaturegraad een stuk boven het Europese gemiddelde. Eind december 2018 telden de arbeidsbemiddelingsdiensten 64.000 openstaande vacatures (Zie grafiek Aantal openstaande vacatures blijft historisch hoog). Dat zijn enkel vacatures in het gewone circuit, zonder bijvoorbeeld uitzendarbeid en vacatures die niet via de VDAB worden aangeboden. De voorbije jaren kon een ruimer aanbod deels de vraag invullen, wat extreme krapte op de arbeidsmarkt tegenging. Onder andere via sneller dalende werkloosheidsuitkeringen werd een steeds grotere groep van werklozen ertoe aangezet een baan te zoeken. Zeker voor de leeftijdsgroep tussen 55 en 65 jaar is in het voorbije decennium veel veranderd. In 2008 was amper 15 procent van de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen ouder dan 55 jaar werkzoekend. Dat cijfer is intussen gestegen naar 49 procent, door strengere regels voor het brugpensioen en het vervroegd pensioen en door de afschaffing van het statuut van vrijgestelde oudere werkloze. Maar dat gestegen aanbod heeft niet kunnen vermijden dat op de Belgische markt een gigantische mismatch bestaat. Terwijl de vraag naar arbeid hoog blijft, zijn er in België nog altijd 483.000 niet-werkende werkzoekenden en, vooral, 1,6 miljoen inactieven. Die laatste groep bestaat uit mensen die zich niet eens aanbieden op de arbeidsmarkt, ook al kunnen ze in principe geactiveerd worden. De Belgische werkloosheidsgraad bedraagt 7,1 procent, de inactiviteitsgraad 33 procent (zie grafiek Belgische werkloosheid daalt, inactiviteit blijft hoog). In Wallonië en Brussel bedraagt de inactiviteitsgraad respectievelijk 36 en 34 procent. Vlaanderen pakt graag uit met een werkloosheidsgraad van 4,4 procent, maar ook daar ligt de inactiviteitsgraad met 29 procent nog altijd boven het Europese gemiddelde (7%). "De schaarste op de arbeidsmarkt hebben we voor een deel zelf gecreëerd door een veel te grote groep van niet-actieven uit de arbeidsmarkt te drijven", stelt Paul Verschueren. "Bovendien slagen we er onvoldoende in die mensen de omgekeerde beweging te laten maken: van inactief naar werkzoekend. Het lijkt wel of er terugslagkleppen zitten die de terugstroom van inactiviteit naar activiteit tegenhouden. Dat is een belangrijke taak voor de volgende regeringen." De Nationale Bank haalt in haar jongste jaarverslag verschillende oorzaken voor de mismatch op de arbeidsmarkt aan en ze geeft zowel voor de vraagkant (de bedrijven) als voor de aanbodkant (werkzoekenden of inactieven) beleidsaanbevelingen om die spanning weg te werken.De nog altijd zware loonkosten zetten een rem op de aanbodzijde. Een werkgever betaalt per gewerkt uur gemiddeld 39,6 euro, waarvan 10,7 euro sociale lasten. Enkel in Denemarken zijn de uurloonkosten hoger. Dankzij de taxshift, de indexsprong en de loonmatiging bleven de loonkosten wel onder controle of daalden ze zelfs. Lagere loonkosten maken aanwervingen aantrekkelijker, net zoals een lagere personenbelasting het aan de aanbodzijde van de arbeidsmarkt interessanter maakt een baan te zoeken. Ondanks voorgenoemde fiscale maatregelen blijft de werkloosheidsval bestaan. Werken is in België nog altijd niet aantrekkelijk genoeg. Dat heeft te maken met het systeem van de werkloosheidsuitkeringen. Die zijn in België niet alleen onbeperkt in de tijd, ze dalen bovendien minder snel dan in andere landen. Een Belg die tot vijf jaar werkloos is, heeft volgens de OESO een gemiddeld vervangingsinkomen dat 70 procent bedraagt van zijn laatste nettoloon. In onze buurlanden en in Scandinavische landen ligt die vervangingsratio onder 50 procent. Het gevolg is dat werklozen in België veel minder vlot weer aan de slag gaan dan in andere landen. Van de Belgen op arbeidsleeftijd die in 2016 werkloos waren, was in 2017 amper 27 procent aan de slag. In Nederland was dat 48 procent en in Zweden meer dan 50 procent. Het duwt ook mensen in de inactiviteit: ze doen geen moeite meer om werk te zoeken. Een arbeidsbemiddelingsdienst zoals de VDAB krijgt goede punten, maar de activering kan beter. Er waren in 2017 meer dan 200.000 werkzoekenden bij de VDAB ingeschreven, maar er werden slechts 108.000 persoonlijke begeleidingstrajecten opgezet. Almaar meer werkzoekenden krijgen bovendien het label 'niet-toeleidbaar', wat betekent dat de VDAB om sociale, medische of psychische redenen amper nog mogelijkheden ziet om die mensen een baan te bezorgen op de reguliere arbeidsmarkt. Het gaat om 10 procent van de werkzoekenden, 20.000 in totaal. Slechts 3 procent van hen vindt ooit de weg naar de arbeidsmarkt terug. "Activering, niet enkel van werklozen maar ook van inactieven, moet de topprioriteit worden", zegt Verschueren. De mismatch op de arbeidsmarkt is onder meer een gevolg van de toenemende vraag naar hoger gekwalificeerd personeel. Slechts 27 procent van de werklozen en 16 procent van de inactieven is hooggeschoold, terwijl de helft van de banen hogere kwalificaties vragen. Slechts 10 procent van de banen vraagt een laag kwalificatieniveau, terwijl 27 procent van de bevolking maximaal een diploma lager secundair onderwijs heeft. Dat laatste is te verklaren door de grote groep vroegtijdige schoolverlaters. Dat is een snelweg naar werkloosheid en inactiviteit. Dit percentage is in België de voorbije jaren wel gedaald van bijna 15 naar 9 procent, maar zeker in Brussel (+13%) en Wallonië (11%) ligt het nog hoog. Arbeidsbemiddelingsdiensten en vzw's proberen die schoolverlaters wel te activeren. Bart De Bondt leidt YouthStart, een vzw die als missie heeft NEET-jongeren ( not in employment, education or training) te activeren "We doen dat door hun een achtdaagse training te geven met de focus op ondernemerschap. Het is niet onze bedoeling er allemaal zelfstandigen van te maken, maar wél om ze positief ondernemend te maken in het leven. De resultaten zijn er. Uit een recente VUB-studie blijkt dat 81 procent van onze kanszoekende jongeren onmiddellijk na onze training geactiveerd is. We gaven vorig jaar tachtig trainingen aan in totaal 800 jongeren en zijn van plan dat aantal de komende jaren sterk op te drijven." In haar jaarverslag adviseert de Nationale Bank betere en gerichte scholing om de mismatch op te vangen, maar dat is een werk van lange adem. In 2017 haalde in België 46 procent van de 30- tot 34-jarigen een diploma hoger onderwijs, wat in de buurt ligt van referentielanden. Maar slechts 21 procent van hen heeft op de arbeidsmarkt begeerde diploma's als technologie, wiskunde, statistiek, of communicatie- en informatietechnologie. En dan is er nog de permanente vorming. Uit enquêtes blijkt dat amper 8,5 procent van de werknemers tijdens de laatste vier weken een opleiding heeft gevolgd. Opnieuw valt de kloof met de Scandinavische landen op. Daar bedraagt de deelname aan opleiding tussen 25 en 30 procent. "Hier is te weinig aandacht voor upskilling en reskilling", zegt Paul Verschueren. "Er is in België een zeer lage bereidheid tot opleidingsparticipatie enerzijds en de digitale vaardigheden zijn te laag. Daarin wacht België een gigantische uitdaging."