De Belgische ondernemingen melden een stevig herstel van hun omzet. Die lag in oktober 2021 9 procent hoger dan in oktober 2019. Dat herstel staat in contrast met de omzetverliezen die tijdens de covid-19-crisis werden opgetekend, ook al is een deel van de omzetstijging toe te schrijven aan een stijging van de prijzen. Dat is de eerste conclusie van een nieuwe ERMG-enquête die de Nationale Bank van België en de verschillende sectorfederaties en werkgeverorganisaties hebben afgenomen bij de Belgische bedrijven. De ERMG-enquêtes worden sinds de uitbraak van de coronacrisis afgenomen om een beeld te krijgen van de impact van de pandemie op het Belgisch economisch weefsel. In het voorjaar van 2021 werd besloten te stoppen met de enquête, maar bij wijze van update werd in oktober een nieuwe vragenronde gehouden.

Dat de economie al een stuk boven het pre-coronaniveau zit, is volgens de Nationale Bank goed nieuws, al zijn er grote sectorale verschillen. Branches die zwaar geraakt werden door corona, hinken nog altijd achterop, zoals de reissector en het toerisme (-50%) en de horeca (-30%). Bovendien zou het algemene herstel veel sterker zijn geweest als de bedrijven niet werden geconfronteerd met aanzienlijke aanbodbeperkingen. Die situeren zich op verschillende niveaus.

Schaarste bij leveranciers

Ten eerste zijn er de aanhoudende bevoorradingsproblemen. Die bevoorrading was al in juni verstoord, maar het huidige klimaat heeft de problemen voor tal van bedrijven nog verergerd. Dat komt des te meer tot uiting in de bedrijfstakken waarvan de activiteit sterk afhankelijk is van bevoorrading. Zo ondervindt meer dan 80 procent van de ondervraagde ondernemingen uit de groothandel, de detailhandel (levensmiddelen en niet-levensmiddelen), de industrie en de bouwnijverheid bevoorradingsproblemen. Dat geldt ook voor meer dan 60 procent van de bedrijven in de landbouw en de horeca. Veruit de vaakst genoemde reden voor die bevoorradingsproblemen is de schaarste bij de leveranciers, hoewel ook transportproblemen regelmatig worden aangehaald in de groothandel, de niet-voedingswinkels en de industrie.

De bevoorradingsproblemen gingen, in combinatie met een stijging van de energieprijzen, gepaard met een sterke toename van de inputkosten. Dat zijn de kosten voor energiedragers, halffabricaten, grondstoffen, vervoer en verpakking. De meeste bedrijfstakken waarvan de activiteit sterk afhankelijk is van inputs, achten de kosten daarvan hoger dan in juni. Ze vinden ze gemiddeld 22 procent hoger dan gebruikelijk in de industrie, de landbouw en de bouwnijverheid, en 20 procent hoger in de klein- en groothandel.

De meeste ondervraagde ondernemingen verwachten dat de bevoorradingsproblemen nog tot medio of eind 2022 zullen duren. Van de ondernemingen met bevoorradingsproblemen verwacht slechts 13 procent dat die verstoringen tegen eind 2021 opgelost zullen zijn, terwijl drie vierde van hen een oplossing verwacht in de loop van 2022.

Onvoldoende competente kandidaten

Een ander aanbodprobleem is het gebrek aan werkkrachten. Dat treft bijna zes op de tien ondernemingen (zelfstandigen worden niet meegerekend). 17 procent van de ondervraagde ondernemingen kampt met een ernstig tekort, 22 procent met een matig tekort en 19 procent met een licht tekort. Afgezien van het krachtige herstel en de toegenomen vraag wordt het tekort aan arbeidskrachten ook veroorzaakt door zowel een groter aantal vrijwillige uittredingen als de moeilijkheid om nieuwe werknemers aan te werven.

Volgens de ondervraagde ondernemingen houden de wervingsproblemen vooral verband met de kandidaten: een op de twee ondernemingen meldt dat er zich te weinig kandidaten aanbieden en een op de drie bedrijven vindt dat de kandidaten over onvoldoende vaardigheden beschikken.

Geen keynesiaans vraagbeleid

Volgens Pierre Wunsch, de gouverneur van de Nationale Bank, toont de enquête aan dat een keynesiaans vraagbeleid, dat onder andere de consumptie moet aanwakkeren via hogere inkomens en zo het herstel moet doen versnellen, niet langer de prioriteit is. "De focus moet liggen op investeringen, en op het aanpakken van aanbodproblemen. Dat betekent onder andere dat er werk moet worden gemaakt van verdere hervormingen op de arbeidsmarkt."

De Belgische ondernemingen melden een stevig herstel van hun omzet. Die lag in oktober 2021 9 procent hoger dan in oktober 2019. Dat herstel staat in contrast met de omzetverliezen die tijdens de covid-19-crisis werden opgetekend, ook al is een deel van de omzetstijging toe te schrijven aan een stijging van de prijzen. Dat is de eerste conclusie van een nieuwe ERMG-enquête die de Nationale Bank van België en de verschillende sectorfederaties en werkgeverorganisaties hebben afgenomen bij de Belgische bedrijven. De ERMG-enquêtes worden sinds de uitbraak van de coronacrisis afgenomen om een beeld te krijgen van de impact van de pandemie op het Belgisch economisch weefsel. In het voorjaar van 2021 werd besloten te stoppen met de enquête, maar bij wijze van update werd in oktober een nieuwe vragenronde gehouden.Dat de economie al een stuk boven het pre-coronaniveau zit, is volgens de Nationale Bank goed nieuws, al zijn er grote sectorale verschillen. Branches die zwaar geraakt werden door corona, hinken nog altijd achterop, zoals de reissector en het toerisme (-50%) en de horeca (-30%). Bovendien zou het algemene herstel veel sterker zijn geweest als de bedrijven niet werden geconfronteerd met aanzienlijke aanbodbeperkingen. Die situeren zich op verschillende niveaus.Ten eerste zijn er de aanhoudende bevoorradingsproblemen. Die bevoorrading was al in juni verstoord, maar het huidige klimaat heeft de problemen voor tal van bedrijven nog verergerd. Dat komt des te meer tot uiting in de bedrijfstakken waarvan de activiteit sterk afhankelijk is van bevoorrading. Zo ondervindt meer dan 80 procent van de ondervraagde ondernemingen uit de groothandel, de detailhandel (levensmiddelen en niet-levensmiddelen), de industrie en de bouwnijverheid bevoorradingsproblemen. Dat geldt ook voor meer dan 60 procent van de bedrijven in de landbouw en de horeca. Veruit de vaakst genoemde reden voor die bevoorradingsproblemen is de schaarste bij de leveranciers, hoewel ook transportproblemen regelmatig worden aangehaald in de groothandel, de niet-voedingswinkels en de industrie.De bevoorradingsproblemen gingen, in combinatie met een stijging van de energieprijzen, gepaard met een sterke toename van de inputkosten. Dat zijn de kosten voor energiedragers, halffabricaten, grondstoffen, vervoer en verpakking. De meeste bedrijfstakken waarvan de activiteit sterk afhankelijk is van inputs, achten de kosten daarvan hoger dan in juni. Ze vinden ze gemiddeld 22 procent hoger dan gebruikelijk in de industrie, de landbouw en de bouwnijverheid, en 20 procent hoger in de klein- en groothandel.De meeste ondervraagde ondernemingen verwachten dat de bevoorradingsproblemen nog tot medio of eind 2022 zullen duren. Van de ondernemingen met bevoorradingsproblemen verwacht slechts 13 procent dat die verstoringen tegen eind 2021 opgelost zullen zijn, terwijl drie vierde van hen een oplossing verwacht in de loop van 2022.Een ander aanbodprobleem is het gebrek aan werkkrachten. Dat treft bijna zes op de tien ondernemingen (zelfstandigen worden niet meegerekend). 17 procent van de ondervraagde ondernemingen kampt met een ernstig tekort, 22 procent met een matig tekort en 19 procent met een licht tekort. Afgezien van het krachtige herstel en de toegenomen vraag wordt het tekort aan arbeidskrachten ook veroorzaakt door zowel een groter aantal vrijwillige uittredingen als de moeilijkheid om nieuwe werknemers aan te werven.Volgens de ondervraagde ondernemingen houden de wervingsproblemen vooral verband met de kandidaten: een op de twee ondernemingen meldt dat er zich te weinig kandidaten aanbieden en een op de drie bedrijven vindt dat de kandidaten over onvoldoende vaardigheden beschikken.Volgens Pierre Wunsch, de gouverneur van de Nationale Bank, toont de enquête aan dat een keynesiaans vraagbeleid, dat onder andere de consumptie moet aanwakkeren via hogere inkomens en zo het herstel moet doen versnellen, niet langer de prioriteit is. "De focus moet liggen op investeringen, en op het aanpakken van aanbodproblemen. Dat betekent onder andere dat er werk moet worden gemaakt van verdere hervormingen op de arbeidsmarkt."