De Nationale Bank probeert in de aanloop naar Kerst te voorspellen wat de Belgische economie in 2020 te wachten staat. De economische hemel zal ons volgend jaar niet op het hoofd vallen, maar de Nationale Bank moet nogmaals vaststellen dat de Belgische economie niet kan teren op de conditie die de voorbije jaren werd opgebouwd. Dit verslag van de Nationale Bank zou daarom een bijzonder nuttig addendum zijn in de aktetas van de koning, de informateurs, de partijvoorzitters en andere toponderhandelaars. Als er op de lauweren wordt gerust, bijvoorbeeld bij een beleid gebaseerd op de nota-Magnette, dan zal de conditie snel achteruitgaan. Zelfs bij ongewijzigd beleid gaat een groot deel van de inspanningen van de voorbije jaren vanzelf verloren.

1. Bij ongewijzigd beleid leeft België steeds meer boven zijn stand

De Belgische import stijgt al enkele jaren harder dan de export. Die tendens zet door richting 2022. De stijgende koopkracht stuwt de invoer, maar tegelijk remmen de stijgende loonkosten de uitvoer af, wat vreet aan de concurrentiekracht van de bedrijven. Het is tekenend dat onze export minder snel stijgt dan de omvang van de exportmarkten. De Belgische bedrijven verliezen dus verder marktaandeel.

Door de verslechterende handelsprestaties duikt onze lopende rekening met het buitenland, of ons betalingsverkeer met het buitenland, opnieuw in het rood. Je kan het vergelijken met een gezin dat meer geld uitgeeft dan er binnenkomt. Dat tekort moet worden bijgepast door het spaarboekje aan te spreken of door geld te lenen. België zit ook in dat schuitje. Het tekort op de lopende rekening moet worden gefinancierd met buitenlandse leningen of door onze spaarreserves aan te spreken. We leven dus op de poef van het buitenland. Nog anders gezegd, België leeft boven zijn stand.

Tegen 2022 loopt het tekort op de lopende rekening op tot 2,3 procent van het bpp, zo verwacht de Nationale Bank. Dat is een alarmerende trendbreuk, want de voorbije jaren was de lopende rekening grotendeels in evenwicht. Het spaaroverschot van de private sector financierde het begrotingstekort van de overheid. Vanaf volgend jaar zal het spaaroverschot van de bedrijven en de gezinnen, dat niet meer zo groot is, niet langer volstaan om het oplopende begrotingstekort te financieren. België volgt op die manier het Franse economische model. De economie wordt gedragen door private consumptie en stijgende overheidsuitgaven, gedeeltelijk gefinancierd met buitenlands kapitaal. Een tekort van ruim 2 procent op de lopende rekening is nog niet catastrofaal hoog, maar in de eurozone kampen enkel Frankrijk en Griekenland met een tekort. De eurozone als geheel heeft een overschot van 2,9 procent op de lopende rekening, vooral dankzij Duitsland en Nederland. Beide landen overdrijven in de andere richting, en sparen zichzelf en de Europese economie voor een stuk te pletter met overschotten op de lopende rekening van 6,6 procent voor Duitsland en 9,6 procent voor Nederland.

Er is nog geen man overboord, want dankzij langdurige overschotten op de lopende rekening in de vorige decennia, heeft België een ruim spaartegoed in het buitenland opgebouwd, ter waarde van ongeveer 50 procent van het bbp. Bij ongewijzigd beleid worden die reserves versneld aangesproken, wat de Belgische economie alleen maar kwetsbaarder maakt voor tegenslag. Aangezien de vergrijzing nog op kruissnelheid moet komen, is het véél te vroeg om onze buitenlandse spaarpot nu al te kraken.

2. Bij ongewijzigd beleid gaat de begroting verder kopje-onder

Eindigde 2018 nog met een begrotingstekort van 0,7 procent voor de gezamenlijke overheden, dan verwacht de Nationale Bank tegen eind 2022 een begrotingstekort van 2,8 procent. Die ontsporing is voor ongeveer de helft te wijten aan een daling aan de inkomstenzijde, die grotendeels technisch van aard is. In 2017 en 2018 bediende de regering-Michel zich van een begrotingstruc door de bedrijven te verleiden hun vennootschapsbelastingen vroeger te betalen. De verschuldigde belastingen worden echter slechts één keer betaald, en dus daalt de opbrengst van de vennootschapsbelasting in 2019 en 2020 opnieuw tot een normaal niveau. De andere helft van de begrotingsontsporing is te wijten aan de stijging van de overheidsuitgaven, die wel structureel van aard is. Van 2018 tot 2022 stijgen de uitgaven onder impuls van de vergrijzing opnieuw sneller dan het bbp, in tegenstelling tot de periode 2013-2017. Toen wist vooral de regering-Michel de tsunami van stijgende vergrijzingskosten nog te compenseren met een strikte controle van de uitgaven in de gezondheidszorg, met de indexsprong van 2015, en dankzij de stijging van de werkgelegenheidsgraad. Een herhaling van dat kunstje staat momenteel niet op de politieke kalender.

3. Bij ongewijzigd beleid vertraagt de banencreatie

Kwamen er dit jaar nog 67.000 banen bij, dan zouden er in 2022 nog amper 25.000 jobs bij komen. In de periode 2019-2022 verwacht de Nationale Bank 169.000 extra banen. Dat is een derde minder dan in de voorgaande vier jaar. Dat zijn dus ongeveer 60.000 banen, die bij ongewijzigd beleid niet zullen gecreëerd worden. Daar zal amper inkt over vloeien, maar het effect op de werkgelegenheid is hetzelfde als een ontslaggolf die 60.000 banen kost en het land op stelten zet. Die vertraging van de banencreatie is vooral te wijten aan de snellere stijging van de loonkosten, aan een herneming van de indexering, aan beperkte reële loonstijgingen, en aan het uitdovende effect van maatregelen die het arbeidsaanbod een boost gaven. Ook toenemende schaarste aan arbeidskrachten in een aantal knelpuntberoepen remt de werkgelegenheid af.

4. Bij ongewijzigd beleid vertraagt de economische groei

Als u dacht dat 2019 geen al te best jaar was voor de Belgische economie, dan moet u wellicht ook de verwachtingen voor de volgende jaren neerwaarts bijstellen. De economische groei zou verder vertragen van 1,3 procent dit jaar naar 1 procent in 2022. De Nationale Bank merkt wel op dat de economische groei zich opvallend kranig houdt, vooral omdat de gezinnen het geld laten rollen. De groei rust bijna volledig op een stijgende consumptie, die een boost krijgt van de stijgende lonen en een verdere stijging van de werkgelegenheid. In de periode 2019-2022 stijgt het reële beschikbaar inkomen van de gezinnen, of zeg maar de koopkracht, met 7 procent. Als de economische groei vanaf 2020 licht vertraagt, dan is dat vooral te wijten aan vertraging van de bedrijfsinvesteringen en aan een negatieve bijdrage van de handel met het buitenland. Dat eerste is cyclisch en daarom minder alarmerend, maar de tanende exportprestaties zijn voor een open economie als de Belgische wél een grote reden tot bezorgdheid.

De Nationale Bank probeert in de aanloop naar Kerst te voorspellen wat de Belgische economie in 2020 te wachten staat. De economische hemel zal ons volgend jaar niet op het hoofd vallen, maar de Nationale Bank moet nogmaals vaststellen dat de Belgische economie niet kan teren op de conditie die de voorbije jaren werd opgebouwd. Dit verslag van de Nationale Bank zou daarom een bijzonder nuttig addendum zijn in de aktetas van de koning, de informateurs, de partijvoorzitters en andere toponderhandelaars. Als er op de lauweren wordt gerust, bijvoorbeeld bij een beleid gebaseerd op de nota-Magnette, dan zal de conditie snel achteruitgaan. Zelfs bij ongewijzigd beleid gaat een groot deel van de inspanningen van de voorbije jaren vanzelf verloren. De Belgische import stijgt al enkele jaren harder dan de export. Die tendens zet door richting 2022. De stijgende koopkracht stuwt de invoer, maar tegelijk remmen de stijgende loonkosten de uitvoer af, wat vreet aan de concurrentiekracht van de bedrijven. Het is tekenend dat onze export minder snel stijgt dan de omvang van de exportmarkten. De Belgische bedrijven verliezen dus verder marktaandeel. Door de verslechterende handelsprestaties duikt onze lopende rekening met het buitenland, of ons betalingsverkeer met het buitenland, opnieuw in het rood. Je kan het vergelijken met een gezin dat meer geld uitgeeft dan er binnenkomt. Dat tekort moet worden bijgepast door het spaarboekje aan te spreken of door geld te lenen. België zit ook in dat schuitje. Het tekort op de lopende rekening moet worden gefinancierd met buitenlandse leningen of door onze spaarreserves aan te spreken. We leven dus op de poef van het buitenland. Nog anders gezegd, België leeft boven zijn stand. Tegen 2022 loopt het tekort op de lopende rekening op tot 2,3 procent van het bpp, zo verwacht de Nationale Bank. Dat is een alarmerende trendbreuk, want de voorbije jaren was de lopende rekening grotendeels in evenwicht. Het spaaroverschot van de private sector financierde het begrotingstekort van de overheid. Vanaf volgend jaar zal het spaaroverschot van de bedrijven en de gezinnen, dat niet meer zo groot is, niet langer volstaan om het oplopende begrotingstekort te financieren. België volgt op die manier het Franse economische model. De economie wordt gedragen door private consumptie en stijgende overheidsuitgaven, gedeeltelijk gefinancierd met buitenlands kapitaal. Een tekort van ruim 2 procent op de lopende rekening is nog niet catastrofaal hoog, maar in de eurozone kampen enkel Frankrijk en Griekenland met een tekort. De eurozone als geheel heeft een overschot van 2,9 procent op de lopende rekening, vooral dankzij Duitsland en Nederland. Beide landen overdrijven in de andere richting, en sparen zichzelf en de Europese economie voor een stuk te pletter met overschotten op de lopende rekening van 6,6 procent voor Duitsland en 9,6 procent voor Nederland.Er is nog geen man overboord, want dankzij langdurige overschotten op de lopende rekening in de vorige decennia, heeft België een ruim spaartegoed in het buitenland opgebouwd, ter waarde van ongeveer 50 procent van het bbp. Bij ongewijzigd beleid worden die reserves versneld aangesproken, wat de Belgische economie alleen maar kwetsbaarder maakt voor tegenslag. Aangezien de vergrijzing nog op kruissnelheid moet komen, is het véél te vroeg om onze buitenlandse spaarpot nu al te kraken.Eindigde 2018 nog met een begrotingstekort van 0,7 procent voor de gezamenlijke overheden, dan verwacht de Nationale Bank tegen eind 2022 een begrotingstekort van 2,8 procent. Die ontsporing is voor ongeveer de helft te wijten aan een daling aan de inkomstenzijde, die grotendeels technisch van aard is. In 2017 en 2018 bediende de regering-Michel zich van een begrotingstruc door de bedrijven te verleiden hun vennootschapsbelastingen vroeger te betalen. De verschuldigde belastingen worden echter slechts één keer betaald, en dus daalt de opbrengst van de vennootschapsbelasting in 2019 en 2020 opnieuw tot een normaal niveau. De andere helft van de begrotingsontsporing is te wijten aan de stijging van de overheidsuitgaven, die wel structureel van aard is. Van 2018 tot 2022 stijgen de uitgaven onder impuls van de vergrijzing opnieuw sneller dan het bbp, in tegenstelling tot de periode 2013-2017. Toen wist vooral de regering-Michel de tsunami van stijgende vergrijzingskosten nog te compenseren met een strikte controle van de uitgaven in de gezondheidszorg, met de indexsprong van 2015, en dankzij de stijging van de werkgelegenheidsgraad. Een herhaling van dat kunstje staat momenteel niet op de politieke kalender.Kwamen er dit jaar nog 67.000 banen bij, dan zouden er in 2022 nog amper 25.000 jobs bij komen. In de periode 2019-2022 verwacht de Nationale Bank 169.000 extra banen. Dat is een derde minder dan in de voorgaande vier jaar. Dat zijn dus ongeveer 60.000 banen, die bij ongewijzigd beleid niet zullen gecreëerd worden. Daar zal amper inkt over vloeien, maar het effect op de werkgelegenheid is hetzelfde als een ontslaggolf die 60.000 banen kost en het land op stelten zet. Die vertraging van de banencreatie is vooral te wijten aan de snellere stijging van de loonkosten, aan een herneming van de indexering, aan beperkte reële loonstijgingen, en aan het uitdovende effect van maatregelen die het arbeidsaanbod een boost gaven. Ook toenemende schaarste aan arbeidskrachten in een aantal knelpuntberoepen remt de werkgelegenheid af. Als u dacht dat 2019 geen al te best jaar was voor de Belgische economie, dan moet u wellicht ook de verwachtingen voor de volgende jaren neerwaarts bijstellen. De economische groei zou verder vertragen van 1,3 procent dit jaar naar 1 procent in 2022. De Nationale Bank merkt wel op dat de economische groei zich opvallend kranig houdt, vooral omdat de gezinnen het geld laten rollen. De groei rust bijna volledig op een stijgende consumptie, die een boost krijgt van de stijgende lonen en een verdere stijging van de werkgelegenheid. In de periode 2019-2022 stijgt het reële beschikbaar inkomen van de gezinnen, of zeg maar de koopkracht, met 7 procent. Als de economische groei vanaf 2020 licht vertraagt, dan is dat vooral te wijten aan vertraging van de bedrijfsinvesteringen en aan een negatieve bijdrage van de handel met het buitenland. Dat eerste is cyclisch en daarom minder alarmerend, maar de tanende exportprestaties zijn voor een open economie als de Belgische wél een grote reden tot bezorgdheid.