Trends Talk Beleggersspecial – lessen uit 2025: ‘Als goud volgend jaar opnieuw 40 à 50 procent stijgt, oogt de wereld niet fraai’

Ilse De Witte Redacteur bij Trends

“Je moet echt terug naar 1979 om dat soort stijgingen te zien.” Met die vaststelling over de goudprijs zet Paul Buitink (Holland Gold) de toon in een Beleggersspecial van Trends Talk, waarin hij samen met kwaliteitsbelegger Pieter Slegers (Compounding Quality) en ETF-specialist Yoran Brondsema (Curvo, De Hangmatbelegger) het beursjaar fileert en vooruitblikt op 2026.

Dat goud de opvallendste koersbeweging van 2025 liet zien, is volgens goudhandelaar Paul Buitink geen toeval. Het edelmetaal steeg meer dan 40 procent in waarde. Zilver deed het zelfs nog beter, maar goud sprong eruit door zijn systeemrol. “In euro is het zo’n 43 procent” (per troy ounce, of 31,1035 gram), zegt hij. “Je moet terug naar 1979 om dat soort percentages te zien.” Dat was het moment waarop, na het loslaten van de goudkoppeling van de dollar en na jaren van inflatie en geopolitieke spanningen, het vertrouwen in papiergeld wegzakte en de goudprijs explodeerde. Zelfs begin december, toen de Trends Talk werd opgenomen, was voor Buitink al duidelijk dat het hier niet om een klassieke inflatierally ging, maar om een signaal.

Voor Buitink lag dat signaal niet alleen in de prijs, maar ook in de werking van de markt. “Het is natuurlijk een fysiek product”, zegt hij. “Aandelen en cryptomarkten kun je vrij makkelijk opschalen, maar bij fysieke goud- en zilvermarkten ontstaan meteen problemen in de keten, bij raffinaderijen en in de logistiek.” Voor de sector werd 2025 daardoor “een hectisch en druk jaar”.

Volledige Trends Talk hier te bekijken: (lees verder eronder)

Euroclear

De diepere verklaring ligt volgens Buitink bij de geopolitiek, niet bij het monetair beleid. “Ook deze bullmarkt kenmerkt zich door geopolitieke ontwikkelingen”, zegt hij. Hij verwijst naar 2022, toen het Westen ongeveer 300 miljard dollar aan Russische tegoeden bevroor. “Dat leidde ertoe dat heel veel opkomende centrale banken, zoals China en India, meer goud zijn gaan kopen en afstand namen van westerse deviezen.”

Volgens Buitink is dat proces nog niet afgerond. Het directe gebruik van de bevroren Russische tegoeden bij Euroclear is voorlopig van de baan, maar het debat is daarmee niet verdwenen. “Momenteel praten we in Europa over het mogelijke gebruik van die bevroren tegoeden”, zegt hij. “Dat zou opnieuw een katalysator kunnen zijn.” Alleen al het feit dat die optie op tafel ligt, kan volgens Buitink verstrekkende gevolgen hebben. “BRICS-landen kunnen daardoor versneld afscheid nemen van de euro en de dollar, omdat die niet langer worden gezien als een neutraal reserve-asset.”

Opvallend is zijn slotbedenking. Buitink hoopt niet op een herhaling van de rally. “Als goud volgend jaar opnieuw 40 à 50 procent stijgt, dan oogt de wereld waarschijnlijk niet fraai.” Een stabielere goudprijs zou volgens hem beter nieuws betekenen. “Dat is wat ik iedereen gun.”

Lees verder onder videofragment waarin Paul Buitink een van de oorzaken van de stijging van de goudprijs benoemt:

Europa: veel hoop, weinig resultaten

Vanuit dat geopolitieke kader verschuift de blik naar de aandelenmarkten, in het bijzonder naar Europa. Europese aandelen begonnen 2025 met een zeldzame portie optimisme. De defensie-uitgaven gingen omhoog, Duitsland flirtte met een “whatever it takes”-moment en er stroomde geld naar Europese aandelen-ETF’s. Maar tegen het einde van het jaar was de ‘Europa-trade’ opnieuw een verhaal van uitgestelde beloftes.

“De verwachtingen zijn niet waargemaakt”, zegt Yoran Brondsema. Volgens hem lag dat niet aan een gebrek aan politieke intenties, maar aan de economische realiteit. “Reglementering maakt het moeilijker om sneller en goedkoper te innoveren.” Europa bleef daardoor achter in rendement, ondanks de vroege kapitaalinstroom.

Pieter Slegers wil het Europese waarderingsvoordeel nuanceren. “Europese aandelen zijn beduidend goedkoper dan Amerikaanse”, erkent hij, maar hij voegt er meteen aan toe: “Er is ook wel een reden waarom die aandelen goedkoper zijn.” Volgens Slegers mogen beleggers dat verschil niet wegpoetsen met lage koers-winstverhoudingen. “Amerikaanse bedrijven zijn in het algemeen ook iets beter: winstgevender, vaak iets meer gefocust op kapitaalallocatie.” Zijn samenvatting klinkt bekend, maar blijft volgens hem relevant: “Amerika innoveert, China kopieert en Europa reguleert.”

Amerika: duur, maar vooral geconcentreerd

Tegelijk waarschuwt Slegers voor een al te simplistisch beeld van de Amerikaanse beurs. “De Amerikaanse beurs oogt vandaag echt wel pittig gewaardeerd, maar dat is vooral door die grote technologieaandelen”, zegt hij. Wie de concentratie wegdenkt, ziet een ander plaatje. “Als je de grootste tien aandelen uit de S&P 500 haalt, zijn die waarderingen al veel meer gematigd.” Meer nog: “Kleine en middelgrote bedrijven zijn zelfs licht ondergewaardeerd in Amerika ten opzichte van het gemiddelde.”

Die concentratie is volgens Slegers een van de meest onderschatte risico’s van dit beursjaar. “Nvidia weegt vandaag 7 procent in de S&P 500”, zegt hij. “Sinds die index is opgericht, is het nog nooit voorgekomen dat één aandeel zo zwaar woog.” In de Nasdaq is het beeld nog scherper: “Daar maken de toptienposities meer dan de helft van het gewicht uit.”

Voor indexbeleggers is dat geen detail. “Als je de S&P 500 of de Nasdaq koopt, besef dan dat je vooral in die grote technologiebedrijven zit”, zegt Slegers. En net die groep is duur. “Dat zijn de bedrijven die vandaag pittig gewaardeerd zijn.” Hij wijst op een klassiek beursmechanisme dat vaak wordt vergeten: “Op de beurs heb je reversion to the mean, de terugkeer naar het gemiddelde.”

‘Het echte risico voor mij is dat je je financiële doelen niet haalt’

Yoran Brondsema over de volatiliteit op de beurs

Spreiding boven finesse

De reflex bij veel beleggers is dan technische oplossingen te zoeken, zoals equal weight, waarbij elk aandeel even zwaar weegt en de dominantie van megacaps wordt afgevlakt. Maar Brondsema wijst erop dat de kern elders ligt: spreiding.

“Ik lees ook heel veel op forums en community’s dat mensen de tip krijgen om, bijvoorbeeld, gewoon enkel in de S&P 500 te beleggen”, zegt hij. Dat werkte in het verleden, maar is geen garantie voor de toekomst. “De vraag is: is dat komende tien jaar, twintig jaar, dertig jaar ook zo?” Het risico is duidelijk: “Het gevaar is dat dat niet het geval zal zijn.”

Zijn alternatief klinkt minder spectaculair, maar is consistenter: niet focussen op één index, maar breder spreiden. “Niet enkel de Nasdaq, niet enkel de S&P 500” zegt hij, “maar bijvoorbeeld via de MSCI World of MSCI ACWI, zodat je niet alleen in Amerika belegt, maar ook in Europa, Japan en opkomende markten.”

Lees verder onder videofragment waarin Yoran Brondsema spreiding als essentieel principe benoemt:

Hypes en thematische valkuilen

Ook bij thematische beleggingen duikt volgens de drie hetzelfde patroon op. Defensie hield stand, aandelen van cannabisbedrijven gelden tegenwoordig als waarschuwing. “Cannabis was dé grote hype in 2018–2019”, zegt Brondsema. Wie via een mandje of ETF instapte, kwam bedrogen uit. “Dan zie je dat het rendement zelfs negatief is. Je geld stond beter op een spaarrekening dan in cannabistrackers.”

Het probleem is volgens hem timing. “Tegen de tijd dat particuliere beleggers ervan horen en tegen de tijd dat fondsuitgevers ook zo’n ETF maken, is het meestal al te laat,” zegt hij. “De grote rendementen zijn dan al voorbij.” Wat volgt, is een bekend scenario: “De waarderingen zijn te hoog en het verwachte rendement ligt een stuk lager.”

Slegers sluit zich daarbij aan en verwijst naar onderzoek. “Heel wat studies tonen aan dat thematische ETF’s het structureel slechter doen dan de markt”, zegt hij. De reden is voorspelbaar: “Wanneer wordt zo’n thematische ETF gelanceerd? Net wanneer de populariteit het grootst is – en dan is het vaak al te laat.”

Voor wie toch wil afwijken van de markt, ziet Slegers meer heil in factoren met een bewezen historiek. Expliciet noemt hij equal weight. “Over periodes van twintig, dertig of veertig jaar is bewezen dat zo’n ETF het beter doet.” Ook andere factoren komen in aanmerking, zoals bedrijven waar de oprichter nog aan het roer staat. “Owner-led bedrijven doen het gemiddeld 3 tot 4 procent per jaar beter, volgens Harvard.” Zijn conclusie is helder: beter dat dan “het nieuwe of het hot news achterna hollen.”

Bitcoin: geen georganiseerde vraag, zoals bij goud

Bitcoin kreeg in 2025 het etiket ‘tegenvaller’, zeker gezien de verwachtingen rond de Amerikaanse president Donald Trump. Buitink schetst de ontgoocheling in cijfers. “Begin van het jaar stond de bitcoin nog op 91.000 euro en nu rond 77.000.” “In eurorendement is het gewoon slecht geweest dit jaar.”

Hij linkt dat aan te hoge verwachtingen. Trump beloofde veel, “met name het opbouwen van een reserve”, maar “dat is helemaal afgezwakt”. Wat bleef er over? “Wat ze aan bitcoin en andere cryptomunten hebben geconfisqueerd, gaan ze niet verkopen.” Buitink vindt dat Trump “in zekere zin zijn crypto-donoren uit de campagne heeft teleurgesteld.”

Het structurele probleem zit volgens hem bij de vraag. “Bij goud weet je dat er de komende jaren vraag is vanuit centrale banken, en die vraag is georganiseerd.” Bij bitcoin ontbreekt dat. “Georganiseerde vraag zie je niet rondom bitcoin bij diezelfde partijen.” Daardoor blijft bitcoin “wat grilliger” en “heel erg afhankelijk van wat Trump nu weer zegt”.

De les voor 2026

Opmerkelijk: de uitzending eindigt niet met een sectorcall, maar met een gedragsles. Buitink benadrukt dat er “veel te weinig wordt belegd”. In Nederland staat volgens hem “600 miljard” op betaal- en spaarrekeningen, met “te weinig rente om de inflatie te verslaan”. Brondsema plaatst daar een andere definitie van risico tegenover: niet de schommelingen van de beurs, maar de kans dat je je financiële doelen niet haalt. “Dat is voor mij het echte risico.”

Videofragment waarin Pieter Slegers zijn visie op actief versus passief beleggen uiteenzet:

Deze Trends Talk Beleggersspecial is vanaf 27 december te bekijken op Trends Z.

Partner Expertise