Vrije Tribune
‘Overheidspensioenen blijven voordeliger dan privépensioenen, zonder objectieve reden’
De overheidspensioenen voor statutaire ambtenaren zijn een typisch voorbeeld van een door de overheid gecreëerde ongelijkheid, schrijft econoom Frank Boll naar aanleiding van de spoorstakingen.
De publieke opinie zou enerzijds begrip hebben voor de stakers van het rijdend personeel van de spoorwegen, maar anderzijds onbegrip voor de daardoor gecreëerde chaos. Dat illustreert dat de situatie niet echt wordt begrepen.
Men staat niet stil bij het feit dat de overheid aan bepaalde groepen van mensen, in dit geval een overheidsbedrijf, een beloningspakket toekent dat beter is dan dat van vele anderen met gelijkaardig werk in de privésector. Een onrechtvaardige beslissing van een overheid en van partijen die tegelijkertijd beloven de ongelijkheden in de maatschappij te willen aanpakken. Ze concentreren zich wel op ongelijkheden die het resultaat zijn van de werking van een vrije markt waarin door miljoenen mensen de prijs van arbeid, en van goederen en diensten, wordt bepaald in functie van hun belangen en niet in functie van een groep belanghebbenden.
Pensioenen: de openbare versus de privésector
De overheidspensioenen voor statutaire ambtenaren is een typisch voorbeeld van een door de overheid gecreëerde ongelijkheid. In de publieke sector bedraagt een gemiddeld maandpensioen nu iets meer dan 3.600 euro bruto, in de privésector iets meer dan 1.600 euro bruto. De nettocijfers bedragen respectievelijk 2.358 en 1.467 euro, of een verschil van 891 euro, terwijl het werk bij de overheid niet zwaarder is dan in de privésector. Daarenboven wordt in de privésector meer bijgedragen aan parafiscale belastingen dan in de overheidssector en wordt er langer gewerkt. Verder geniet het overheidspersoneel nog van tal van andere voordelen in de berekeningswijze van hun pensioen. Wat in de privésector niet wordt gecompenseerd door bijvoorbeeld een extra groepsverzekering.
Dat was niet het uitgangspunt van het pensioensysteem. Oorspronkelijk gold de opinie dat in het actieve leven de loonwaaier om economische redenen uitgesproken kan zijn, terwijl voor pensioenen het solidariteitsprincipe moet gelden – dus met kleinere verschillen. Dat beginsel werd echter continu uitgehold door het invoeren van voordelen voor statutaire ambtenaren, zoals onder meer: het berekenen van pensioenrechten op basis van de wedden van enkel de laatste loopbaanjaren, de toepassing van een hoger percentage op de referentiewedde in de publieke sector (75%) dan in de privé sector (60%), en de zogenoemde perequatie. Dat is maar een greep uit de verrassend veel modaliteiten die de overheidspensioenen bevoordelen.
De huidige regering probeert nu in te grijpen, maar het blijft morrelen in de marge. Aan het einde van de rit blijven de overheidspensioenen voordeliger dan de privépensioenen, zonder objectieve reden. De pensioenhistoriek illustreert de verregaande politisering van de maatschappij.
Die speciale statuten stapelden zich op in de naoorlogse periode. Zo goed als nooit worden er geschrapt. Men noemt ze ‘verworven rechten’. Een eufemisme dat eigenlijk ‘onverdiende privileges’ zou moeten heten. De regering-De Croo startte met de bevestiging van al die verworven rechten. Of de bevriezing van gecreëerde ongelijkheden die de economie belasten.
Negatieve som
De overheidspensioenen zijn maar één voorbeeld van door de overheid gecreëerde ongelijkheid. Zo is er een waaier aan sociale voordelen die vaak het verschil tussen werken en niet werken onbestaand maken. Zulke beslissingen zijn dikwijls enkel politiek geïnspireerd. Een spel tussen partijen, of de zogenoemde wafelijzerpolitiek: u krijgt dit als wij dat krijgen. Dat ondermijnt op termijn de democratie.
Zulke statuten worden in het economische jargon ‘negatieve-som-spelen’ genoemd. Of, de som van de voordelen voor de bevoordeelden is kleiner dan de som van de nadelen voor alle andere leden van de bevolking die zulke privilegies mee moeten financieren, via hogere prijzen, via hogere belastingen, of via meer ontleningen door de overheid. Dat negatieve saldo weegt op de welvaart en het bruto binnenlands product (bbp). Maar de meeste mensen zijn zich daar niet van bewust. Het onmiddellijk nadeel voor hen persoonlijk is immers zeer klein. Maar een zeer klein nadeel per capita wordt wel zeer groot voor een hele bevolking.
De vele gecreëerde speciale statuten van dit ‘negatieve-som’-type maken dat de welvaart en de economische groei veel lager liggen dan het geval zou zijn zonder deze gecreëerde ongelijkheden.
De auteur is econoom, doceerde economie in binnen- en buitenland, was financieel consultant in Europa en het Midden Oosten, en is publicist in Belgische en buitenlandse media.
Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier