Ondanks het afzwakken van de Europese regels voor duurzaamheidsrapportering blijven veel Belgische bedrijven erin investeren. Maar slechts 7 procent doet dat omdat ze het als strategisch belangrijk beschouwt. Dat blijkt uit een recente studie van de Antwerp Management School.
In 2022 keurde de Europese Commissie, in het kader van haar streven naar klimaatneutraliteit in 2050, een richtlijn goed die bedrijven verplicht verslag uit te brengen over de impact van hun activiteiten op mens en milieu. De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) was in principe enkel van toepassing op grote en beursgenoteerde bedrijven, maar omdat die moeten rapporteren over hun hele toeleveringsketen, kregen ook veel kleinere ondernemingen ermee af te rekenen.
Uit de bedrijfswereld klonk echter steeds meer kritiek op de zware en complexe administratie die met de duurzaamheidsrapportering gepaard gaat. Daarop besliste Europa vorig jaar met het Omnibus-pakket zijn beleid af te zwakken en de administratieve belasting, vooral voor kmo’s, te verlichten. Enkel bedrijven met meer dan 1.000 werknemers moeten aan de verplichtingen voldoen, terwijl de richtlijn oorspronkelijk de lat op 250 had gelegd. Daardoor worden in ons land vele tienduizenden kmo’s vrijgesteld van de duurzaamheidsrapportering.
Kostenpost
De professoren Jan Beyne en Wouter Van Bockhaven van de Antwerp Management School (AMS) gingen na hoe en in welke mate die koerswijziging de houding van Belgische bedrijven beïnvloedt. Uit hun recente studie blijkt dat veel Belgische bedrijven, ondanks het uitstel en de afzwakking van de rapporteringsverplichtingen, zich blijven voorbereiden op het toepassen van de regelgeving.
60 procent van de 97 organisaties die AMS bevroeg, zegt dat ze doorzetten met hun inspanningen om te rapporteren over hun duurzaamheidsbeleid. Het gaat vooral om grotere ondernemingen die sowieso onderhevig zijn aan de CSRD-verplichtingen. Ook kmo’s willen doorpakken. Zij maken gewag van druk van grote klanten, investeerders of banken om hun milieu- en sociale impact in kaart te brengen. Tegelijk zeggen ze dat ze onderbemand zijn en kampen met een gebrek aan ESG-expertise (environment, social en governance).
“Het grote probleem is dat voor het gros van de ondernemingen de toepassing van CSRD een compliance-oefening blijft”, zegt professor Van Bockhaven. “Daardoor zien bedrijfsleiders en ondernemers het in de eerste plaats als een kostenpost. Slechts 7 procent van de ondervraagde bedrijven beschouwt CSRD als een strategische prioriteit, waarmee ze hun concurrentiepositie kunnen versterken en het vertrouwen van alle stakeholders winnen.”
“Hoopvol is dat 93 procent van de ondervraagde ondernemingen duidelijke procesverbeteringen ziet, zoals betere duurzaamheidsdata en een betere interne coördinatie”, vervolgt Van Bockhaven. “Maar het is voor velen nog moeilijk dat te vertalen in een businesscase. Zelfs de voorlopers in duurzaamheidsrapportering lijken de strategische kansen onvoldoende te zien. Dat houdt een risico in dat CSRD beperkt blijft tot het invullen van vragenlijstjes en daarmee in de weg zit van een echte impact en een reëel engagement om op de lange termijn duurzamer te worden. Slechts 11 procent zegt dat CSRD leidde tot grotere duurzaamheidsambities. Dat toont aan dat het proces een evolutie is en geen revolutie.”
Gebrek aan kennis
Grote Belgische ondernemingen, die kunnen terugvallen op grotere budgetten en eigen compliance- en ESG-teams, zeggen dat ze goed voorbereid zijn om CSRD toe te passen. Kmo’s zijn minder goed voorbereid en signaleren vooral interne barrières. De meest voorkomende klachten zijn een gebrek aan kennis en expertise, een tekort aan tijd of budget, alsook een gebrek aan betrokkenheid van het management, dat CRSD als niet-prioritair beschouwt.
Om het gebrek aan interne kennis op te vangen, doen ondernemingen vooral een beroep op externe consultants. “Outsourcing heeft echter tot gevolg dat de bedrijven minder interne kennis opbouwen”, waarschuwt Van Bockhaven. Daarbij komt de hoge kostprijs. De inzet van consultants voor ESG-rapportering bedraagt gemiddeld 65.000 euro op jaarbasis bij kmo’s, en kan in grote organisaties met meer dan duizend werknemers oplopen tot 340.000 euro, blijkt uit de studie.
‘Het eerste, onmiddellijke effect van de invoering van CSRD lijkt dat het orderboekje van veel consultants gevuld werd’
“Het eerste, onmiddellijke effect van de invoering van CSRD lijkt dat het orderboekje van veel consultants gevuld werd”, zegt Van Bockhaven. “Op de korte termijn is de keuze voor extern advies begrijpelijk. De toepassing van CSRD is complex. Er is een risico van fouten te maken. Maar bedrijven die investeren in eigen mensen en tools zijn op de lange termijn beter af, omdat zij op die manier intern de nodige competenties opbouwen.”
Van Bockhaven hoopt dat ondernemingen begrijpen dat vooral de initiële investering voor CSRD-compliance, waarbij het raamwerk moet worden uitgezet, duur is: gemiddeld 380.000 euro, aldus de studie. Daarna kan een bedrijf het doen met een jaarlijks budget tussen 50.000 en 100.000 euro. Een op de vijf ondervraagde bedrijven zegt evenwel dat het daarvoor de middelen niet heeft.
Waarde creëren
Volgens professor Van Bockhaven zitten we tot 2028 in een transitieperiode: “Tot hiertoe kwam de druk van de overheid en van regelgeving. Maar dwang is niet de beste manier om verandering tot stand te brengen. Door de administratieve lasten te verlichten, krijgen bedrijven de ruimte zich strategisch te bezinnen. De bedoeling moet zijn dat duurzaamheidsstreven en -rapportering steeds meer gedreven wordt vanuit de kernactiviteit. Bedrijven moeten oog hebben voor de opportuniteiten en die grijpen. Duurzaam zijn levert op de langere termijn comparatieve voordelen op, zoals lagere kosten, een betere concurrentiepositie en toegang tot kapitaal en financiering.”
Op basis van de resultaten van de studie kun je dat proces optimistisch of pessimistisch bekijken, geeft Van Bockhaven toe. Zelf is hij gematigd positief: “De visie op duurzaamheidsrapportering moet evolueren van een geïsoleerde compliance-oefening naar een geïntegreerde strategische investering die waarde creëert. Veel bedrijven zijn die bocht aan het maken. Maar dat kan enkel als de duurzaamheidsgedachte wortel schiet in de hele organisatie. Als het management daar niet in slaagt, omdat het de meerwaarde niet ziet, moeten we ons zorgen maken dat het momentum verloren gaat.”
Ten slotte is er ook een rol weggelegd voor de overheid. “Zij kan duurzame bedrijven ondersteunen, bijvoorbeeld door veel selectiever subsidies toe te kennen”, vindt Van Bockhaven. “Maar ook door de criteria bij aanbestedingen in die zin aan te passen. Dat kan een brede impact hebben op de hele toeleveringsketen.”