"Als jong kind werkte ik al. Mijn oma had een grote boerderij. Brak het moment aan om de aardbeien te plukken of de aardappelen te rooien, dan trok de hele familie het veld op.
...

"Als jong kind werkte ik al. Mijn oma had een grote boerderij. Brak het moment aan om de aardbeien te plukken of de aardappelen te rooien, dan trok de hele familie het veld op. "Vanaf ons zestiende gingen wij allemaal iedere zomer een maand aan de slag bij de kippenverwerker Plumax in Stevoort, waar mijn oom personeelsdirecteur was. Kwestie van te weten waarom we studeerden, klonk het. "En of we dat wisten! Het was er keihard werken, in een bitter koude fabriek. Na drie dagen waren je handen bevroren. De kippen werden er levend geleverd. Ze werden ter plaatse geslacht, waarna de kop erafging en ze op een lijn werden gehangen, met van die typische elastiekjes rond de poten, die sneden in je vingers. Wij moesten de ingewanden eruit halen. Afhankelijk van hun gewicht en uitzicht werden ze als hele kippen verkocht, of versneden, in vleugels en boutjes. Ik herinner me vooral dat die hele band verschrikkelijk stonk. En dat hij nooit stopte. Wilde je naar de wc, dan moest je daar toestemming voor vragen, want iemand moest je vervangen. "De sfeer zat wel goed. De ploegbazen hadden een ' work hard, play hard'-attitude. Tijdens de week werkten we samen hard en kregen we wel eens op onze donder, maar op vrijdag gingen we met zijn allen een glas drinken. Je voelt je dan groot, als 17-jarige. "Ook de verloning was dik in orde: 48.000 Belgische frank netto (zo'n 1200 euro), omdat we in shiften werkten. En als je de volledige maand volmaakte, zonder ziek of afwezig te zijn, dan kreeg je nog een premie. Ik was heel blij met dat geld. Ik betaalde er mijn reizen met vriendinnen mee, en ik kocht er een brommertje van, samen met mijn broer. "Voor de mensen die dat werk jaar in, jaar uit deden voelde ik niets dan respect, want na die ene maand was ik telkens kapot. Dat verbeterde toen ik na drie zomers promoveerde naar 'den bureau', waar ik orders opnam." "Helemaal anders, en veel plezanter, was mijn latere studentenjob in een Antwerpse tapasbar. Daar leerde ik met moeilijke klanten om te gaan, vooral door te zien hoe mijn bazin Marina dat deed. Zo was er eens een probleem tussen een dienster en een groep dronken Nederlanders. Marina nam het zonder aarzelen op voor haar medewerkster, terwijl ze toch commercieel bleef. Om pas daarna, achter de schermen, uit te klaren wat er precies gebeurd was. "Marina was een geweldige bazin, die goed voor ons zorgde. In de tapasbar stond altijd een hapje klaar, en op de avond voor sluitingsdag haalde ze frietjes voor iedereen. Geweldig vond ik dat. Ik zorg nu ook elke middag voor brood en beleg voor de medewerkers in mijn bedrijf, zodat ze geen boterhammen moeten meebrengen. "Ik kreeg van Marina ook spontaan opslag na een paar jaar, zonder dat ik daar zelf om vroeg. Hoe blij je mensen maakt op die manier, ook dat heb ik onthouden. Ik vraag me permanent af of iemand opslag verdient, nog voordat ik de vraag krijg." "Mijn kinderen doen ook vakantiejobs. Ik vind het maar normaal dat ze een deel van hun centen zelf verdienen. En het is een goede leerschool, want op de schoolbanken krijg je niet alles mee. Door te werken kweken ze discipline. Ze ondervinden dat ze niet altijd helemaal correct behandeld worden en daar toch mee moeten omgaan. En als er zich een probleem voordoet, dan moeten ze geen uitvluchten maar oplossingen zoeken. Een 'vreemde' kan hen dat nu eenmaal beter bijbrengen dan hun ouders."