Pattie Maes is hoofd van de "Fluid Interfaces Group", een onderzoekscel aan het MIT Media Lab dat onderzoek doet naar nieuwe manieren om mensen met digitale machines te laten interageren. De manier waarop dat nu gebeurt, is niet de beste, zegt ze. "Je hebt meestal een scherm en een toetsenbord en je moet voortdurend op dat scherm kijken om iets gedaan te krijgen. Dat is totaal inefficiënt, je hebt geen aandacht voor je omgeving, voor andere mensen of de context waarin je werkt."

De komst van de smartphone heeft dat probleem zelfs nog scherper gesteld. "Momenteel heeft ongeveer een derde van de wereldbevolking een smartphone", aldus Maes. "En uit ongeveer alle onderzoek blijkt dat die smartphone een negatieve impact heeft op de performantie van mensen, op hun geheugen en op hun creativiteit. De verklaring daarvoor is simpel: wie een smartphone heeft, zal ervan uit gaan dat die het werk voor hem doet. Meer nog: als we mensen testjes laten uitvoeren, worden de resultaten daarvan negatief beïnvloed als een smartphone ongebruikt op tafel ligt. Zelfs dan worden we onbewust afgeleid door wat er zich op Facebook en Instagram afspeelt."

Blind

In de Fluid Interfaces Group zoeken Maes en haar team naar nieuwe manieren om dat probleem op te lossen en mensen beter te laten werken met machines. Drie technologische trends zullen die mens-machine-relatie in de toekomst verbeteren, meent Maes.

"De eerste is de opkomst van sensors. Smartphones zijn vandaag blind, ze weten niet waar je bent, met wie je daar bent, met wie je praat of hoe je jezelf voelt. Door meer sensors in te zetten, zullen machines dat wél te weten komen. De tweede technologie is artificiële intelligentie (AI), waardoor machines veel slimmer zullen kunnen inspelen op wat er gebeurt en je ook veel beter zullen kunnen helpen. Zaken herkennen op een foto of in real time teksten vertalen, bijvoorbeeld. Dat kan nu al, maar we staan nog maar aan het begin van die revolutie. De derde nieuwigheid is de opkomst van nieuwe display-technologie die de traditionele beeldschermen gaat vervangen. Denk aan brillen en augmented reality-helmen. Ze worden uitgerust met microfoons, sensoren en luidsprekers waardoor de interactie veel natuurlijker zal verlopen."

Op de werkvloer

Maes geeft verschillende voorbeelden uit haar lab om aan te tonen hoe dit soort technologieën ook op de werkvloer hun nut kunnen bewijzen. "Aandachtsproblemen kunnen we bijvoorbeeld remediëren met een bril die oogbewegingen detecteert en de hersenactiviteit meet. Telkens als de aandacht van de proefpersoon onder een bepaald niveau daalt, wordt hij daarop attent gemaakt. We zien dat proefpersonen met zo'n bril in tests een stuk hoger scoren dan wie de test zonder zo'n bril moet afleggen. Augmented Reality (AR) maakt het ook gemakkelijker om zaken aan te leren. Uit experimenten blijkt dat het veel eenvoudiger is een taal te leren door in een virtueel spel rond te lopen en van alle voorwerpen die je ziet een vertaling te zien. Die toepassingen zijn eindeloos: je kunt de bril bijvoorbeeld ook gebruiken om, stap voor stap, een machine te herstellen."

Einstein als mentor

Maes' team heeft ook een platform ontworpen dat motivatieproblemen kan verhelpen, door virtuele mentoren ter beschikking te stellen. "Het systeem leest alle mogelijke interviews en teksten van specialisten en stelt die kennis ter beschikking aan de proefpersoon. Stel dat je een natuurkundig probleem moet oplossen en Einstein is je mentor en je kunt hem vragen stellen: dat is toch fantastisch."

Op het gebied van 'smart wearables' houdt Maes zich onder meer bezig met slimme kleding: "Stel dat je sensoren kunt inbouwen in jassen en schoenen die je hartslag en je ademhaling meten en ook je omgeving monitoren. Als er bijvoorbeeld een reukloos gas gedetecteerd wordt, word je daar meteen van verwittigd. Of door sensoren in je schoenen kan je meten of het gewicht dat je draagt, niet te zwaar is en dus rugpijn zal veroorzaken. De mogelijkheden zijn eindeloos."

Tot slot: veel van de discussies in het lab van Maes gaan over ethische kwesties. "Natuurlijk worden verzamelde data alleen lokaal bewaard en niet doorgegeven", zegt ze. "Maar we ontwerpen onze uitvindingen ook met specifieke doelgroepen voor oog en we willen gebruikers niet dwingen om dit te gebruiken. De vrije keuze is primordiaal. Zo willen we de machines ook inzetten om gebruikers te trainen en beter te maken, niet om ze er afhankelijk van te maken."

Pattie Maes is hoofd van de "Fluid Interfaces Group", een onderzoekscel aan het MIT Media Lab dat onderzoek doet naar nieuwe manieren om mensen met digitale machines te laten interageren. De manier waarop dat nu gebeurt, is niet de beste, zegt ze. "Je hebt meestal een scherm en een toetsenbord en je moet voortdurend op dat scherm kijken om iets gedaan te krijgen. Dat is totaal inefficiënt, je hebt geen aandacht voor je omgeving, voor andere mensen of de context waarin je werkt."De komst van de smartphone heeft dat probleem zelfs nog scherper gesteld. "Momenteel heeft ongeveer een derde van de wereldbevolking een smartphone", aldus Maes. "En uit ongeveer alle onderzoek blijkt dat die smartphone een negatieve impact heeft op de performantie van mensen, op hun geheugen en op hun creativiteit. De verklaring daarvoor is simpel: wie een smartphone heeft, zal ervan uit gaan dat die het werk voor hem doet. Meer nog: als we mensen testjes laten uitvoeren, worden de resultaten daarvan negatief beïnvloed als een smartphone ongebruikt op tafel ligt. Zelfs dan worden we onbewust afgeleid door wat er zich op Facebook en Instagram afspeelt."In de Fluid Interfaces Group zoeken Maes en haar team naar nieuwe manieren om dat probleem op te lossen en mensen beter te laten werken met machines. Drie technologische trends zullen die mens-machine-relatie in de toekomst verbeteren, meent Maes."De eerste is de opkomst van sensors. Smartphones zijn vandaag blind, ze weten niet waar je bent, met wie je daar bent, met wie je praat of hoe je jezelf voelt. Door meer sensors in te zetten, zullen machines dat wél te weten komen. De tweede technologie is artificiële intelligentie (AI), waardoor machines veel slimmer zullen kunnen inspelen op wat er gebeurt en je ook veel beter zullen kunnen helpen. Zaken herkennen op een foto of in real time teksten vertalen, bijvoorbeeld. Dat kan nu al, maar we staan nog maar aan het begin van die revolutie. De derde nieuwigheid is de opkomst van nieuwe display-technologie die de traditionele beeldschermen gaat vervangen. Denk aan brillen en augmented reality-helmen. Ze worden uitgerust met microfoons, sensoren en luidsprekers waardoor de interactie veel natuurlijker zal verlopen."Maes geeft verschillende voorbeelden uit haar lab om aan te tonen hoe dit soort technologieën ook op de werkvloer hun nut kunnen bewijzen. "Aandachtsproblemen kunnen we bijvoorbeeld remediëren met een bril die oogbewegingen detecteert en de hersenactiviteit meet. Telkens als de aandacht van de proefpersoon onder een bepaald niveau daalt, wordt hij daarop attent gemaakt. We zien dat proefpersonen met zo'n bril in tests een stuk hoger scoren dan wie de test zonder zo'n bril moet afleggen. Augmented Reality (AR) maakt het ook gemakkelijker om zaken aan te leren. Uit experimenten blijkt dat het veel eenvoudiger is een taal te leren door in een virtueel spel rond te lopen en van alle voorwerpen die je ziet een vertaling te zien. Die toepassingen zijn eindeloos: je kunt de bril bijvoorbeeld ook gebruiken om, stap voor stap, een machine te herstellen."Maes' team heeft ook een platform ontworpen dat motivatieproblemen kan verhelpen, door virtuele mentoren ter beschikking te stellen. "Het systeem leest alle mogelijke interviews en teksten van specialisten en stelt die kennis ter beschikking aan de proefpersoon. Stel dat je een natuurkundig probleem moet oplossen en Einstein is je mentor en je kunt hem vragen stellen: dat is toch fantastisch."Op het gebied van 'smart wearables' houdt Maes zich onder meer bezig met slimme kleding: "Stel dat je sensoren kunt inbouwen in jassen en schoenen die je hartslag en je ademhaling meten en ook je omgeving monitoren. Als er bijvoorbeeld een reukloos gas gedetecteerd wordt, word je daar meteen van verwittigd. Of door sensoren in je schoenen kan je meten of het gewicht dat je draagt, niet te zwaar is en dus rugpijn zal veroorzaken. De mogelijkheden zijn eindeloos."Tot slot: veel van de discussies in het lab van Maes gaan over ethische kwesties. "Natuurlijk worden verzamelde data alleen lokaal bewaard en niet doorgegeven", zegt ze. "Maar we ontwerpen onze uitvindingen ook met specifieke doelgroepen voor oog en we willen gebruikers niet dwingen om dit te gebruiken. De vrije keuze is primordiaal. Zo willen we de machines ook inzetten om gebruikers te trainen en beter te maken, niet om ze er afhankelijk van te maken."