Vergeet projectmanagement. Een project plannen, opstarten, opdelen in deelprojecten, regelmatig evalueren en - enfin - managen, dat heet tegenwoordig 'scrummen'. Het woord wordt al in verschillende bedrijfskringen gebruikt. Het klinkt dan ook lekker gewichtig, internationaal en een tikje mysterieus. Er valt bovendien nog te verdienen aan het woord dat oorspronkelijk alleen in IT-omgevingen werd gebruikt. "Zeker wie managementadvies geeft, adopteert een begrip zoals scrummen daarom graag", merkt Japke-d. Bouma. "Als je als scrumconsultant bedrijfsleiders plots kunt aanraden dat ze scrummen maar beter opnemen in de strategie van hun onderneming, kun je daar een flinke duit aan overhouden. Terwijl je eigenlijk gewoon oude wijn in nieuwe zakken verkoopt."
...

Vergeet projectmanagement. Een project plannen, opstarten, opdelen in deelprojecten, regelmatig evalueren en - enfin - managen, dat heet tegenwoordig 'scrummen'. Het woord wordt al in verschillende bedrijfskringen gebruikt. Het klinkt dan ook lekker gewichtig, internationaal en een tikje mysterieus. Er valt bovendien nog te verdienen aan het woord dat oorspronkelijk alleen in IT-omgevingen werd gebruikt. "Zeker wie managementadvies geeft, adopteert een begrip zoals scrummen daarom graag", merkt Japke-d. Bouma. "Als je als scrumconsultant bedrijfsleiders plots kunt aanraden dat ze scrummen maar beter opnemen in de strategie van hun onderneming, kun je daar een flinke duit aan overhouden. Terwijl je eigenlijk gewoon oude wijn in nieuwe zakken verkoopt." Bouma ergert zich feestelijk aan het nieuwe modewoord, net zoals ze zich ergert aan een heleboel andere 'jeukwoorden' uit de kantoortaal. Denk aan stakeholders, gamechangers, output, pitch, terugkoppelen of aanjagen. Als columniste voor de Nederlandse krant NRC fileert ze het managementjargon wekelijks en dat doet ze nu ook in het geinige boek Uitrollen is het nieuwe doorpakken. In dat boek verkettert Bouma niet alleen typische kantoorbegrippen, ze gaat ook op zoek naar de redenen waarom zo veel mensen die begrippen opnemen in hun werkwoordenschat. Is het omdat ze te veel Engelstalige managementliteratuur verslinden? Is het omdat hun werk dynamischer aanvoelt als ze zich uitdrukken in sporttermen zoals 'de lat hoog leggen' en 'de finish halen'? Of is het omdat ze willen ontsnappen aan de grauwheid van een kantoor dat werknemers liever kiezen voor vliegenierstaal zoals 'landen', 'helikopterview' en 'boven jezelf uitstijgen'? Bouma lijkt er wel uit waarom kantoortaal het perfecte schild vormt. "Dat mensen elkaar in het bedrijfsleven met vaagheden bestoken, is heel normaal geworden. Mensen voelen zich er prettig bij." Want, zo vermoedt Bouma, dan hoeven ze niet echt te vertellen wat ze doen. "Bedrijfstaal zorgt zo voor een veilige situatie, waarin mensen op een wollige manier tegen elkaar aanbotsen zonder dat ze echt voelen wat er gebeurt." Heel negatief hoeft dat op het eerste gezicht niet te zijn. Het lijkt zelfs logisch dat je bij een ontslag iemand in mildere bewoordingen aan de deur zet. Kwestie van de persoon in zijn waarde te laten. Toch lukt dat volgens Bouma niet per se door je in te dekken met onbestemde termen. "Als je zegt wat je eigenlijk bedoelt, kom je vaak heel direct en soms een beetje onbeschoft over. Voor dat laatste pleit ik natuurlijk niet, maar als je eerlijk bent en in je eigen woorden praat, laat je iemand net meer in zijn waarde. Mensen beseffen dat ze er plots alleen voor staan. Dat maak je niet goed door verbloemd te melden dat ze hun talent beter buiten het bedrijf kunnen inzetten." Wie daarna op zoek moet naar een nieuwe baan, komt nog voldoende in contact met kantoortermen. De functietitels in personeelsadvertenties bevatten ook almaar meer Engelse leenwoorden, die succes moeten uitstralen. Een greep uit het aanbod: contentmarketeer, officemanager, chief digital transformation en customer experience executive. Tussen 2005 en 2008 stond in 53,8 procent van de functietitels in de vacatures al een Engelse term, terwijl dat tussen 1989 en 1995 nog maar 14,3 procent was. Dat ontdekten de taalkundige Eline Zenner (KU Leuven) en haar collega's toen ze 13.500 functietitels vergeleken. "Er zijn nu eenmaal sectoren waarin Engels de voertaal is. Dan is het handig om via Engelstalige advertenties al een eerste selectie van kandidaten te maken", zegt Zenner. "Veel hr-managers denken daarnaast dat hun bedrijf hipper zal overkomen als ze Engelse woorden en functietitels gebruiken om mensen aan te werven." Ten onrechte. Werkzoekenden zijn volgens Zenner even vaak geneigd te solliciteren voor vacatures die in het Nederlands zijn opgesteld. "Maar wat je bewondert, ga je imiteren. Dus kiezen hr-managers voor de taal die verbonden wordt met globalisering en met Hollywood, twee zaken die voor hen synoniem zijn met succes." Aan de keukentafel van die managers wordt content wel weer Vlaams voor tevreden, maar binnen de bedrijfsmuren houden ook collega's van andere afdelingen graag vast aan hun Engelse termen. "Dat een paar van die leenwoorden in een taal sluipen, is logisch", vindt taalkundige Freek Van de Velde (KU Leuven). "Woorden zoals kelder en kaas zijn ook leenwoorden." Alleen bestaat voor het gros van de Engelse managementwoordenschat een eenvoudig alternatief dat iedereen begrijpt. "Als je kiest voor die Nederlandse woorden, is het natuurlijk moeilijker aan anderen te tonen dat je carrière toch zo internationaal is." Van de Velde vergelijkt gretige gebruikers van kantoortaal graag met pauwen die hun staart openzetten. Het showen van de staartveren is volgens de taalkundige zelden nuttig en kan het dier bovendien in gevaar brengen. "Maar het dier toont zo wel dat het zich dat kan permitteren. Dat is in werkomgevingen niet anders. Door met managementtermen te strooien, willen collega's tonen dat ze intelligent en succesvol genoeg zijn om dat te kunnen." Vandaar dat medewerkers het typische jargon van een bedrijf of sector ook vaker in de mond nemen zodra ze opklimmen op de carrièreladder. Ze hopen zo snel professionalisme uit te stralen en aan te geven dat ze bij een hoger geplaatste groep in de onderneming horen. "Je mag niet onderschatten hoe taal ook strategisch wordt gebruikt om je identiteit mee vorm te geven", stipt Van de Velde aan. "Al blijft het een riskante strategie. Als je door de mand valt, blijf je die windbuil die onnozele managementwoorden gebruikte. Dan ben je snel het onderwerp van spot." Het zijn niet de enige risico's die verbonden zijn aan overmatig gebruik van kantoortaal. Hoewel het praten in vakjargon een handige manier is om ervoor te zorgen dat buitenstaanders niet altijd goed beseffen waarover je het hebt, kan dat zich even makkelijk tegen je keren. Dat het vertrouwen in politici zo klein is, is volgens Bouma bijvoorbeeld grotendeels een gevolg van hun manier van spreken. "Politici delen een eigen taal, maar voor de burger is dat toch veelal vage praat", zegt de auteur. Haar eigen ergernis over jeukwoorden, zoals zij ze noemt, startte toen ze leerde dat ombuigen politieke taal is voor bezuinigen. Ook in bedrijven kan vakjargon naar Bouma's mening wat onbedoelde gevolgen hebben. "Wie al een tijdje ergens werkt, weet wel wanneer de baas in holle frasen en loze kreten vervalt. Onervaren medewerkers merken dat misschien niet en zij willen mogelijk aan de slag met wat ze net hoorden", denkt Bouma. "Hoe kan je dan garanderen dat ze de juiste dingen doen? Of dat ze niet gefrustreerd geraken omdat ze niet precies weten wat er aan de hand is?" Het mooiste zou daarom naar Bouma's mening zijn dat managementpraat helemaal verdwijnt. Tot het zover is, is ze ook al tevreden als mensen er even bij stilstaan voor ze in vaktaal vervallen. Al mag dat verdoezelen van slecht nieuws voor haar part snel uitsterven. Bouma: "De volgende keer dat iemand iets inlevert of oppert waar je niets mee kan, zeg je daarom maar beter wat er aan de hand is. Het is toch gemeen om te zeggen dat je er wel even naar zult kijken, om het daarna in een lade te flikkeren. Het klinkt misschien onaardiger, maar kies toch maar voor: ik vind het ontzettend lief dat je het hebt geprobeerd, maar hier kunnen we gewoon niets mee." Sjoukje Smedts