In de jaren voor de economische crisis van 2008 koos telkens ruim een kwart van de zelfstandigen in bijberoep ervoor om die activiteit in hoofdberoep voort te zetten. Gemiddeld deden ze dat na drie à vier jaar.

Volgens Acerta zorgde de crisis van 2008 ervoor dat de sprong naar zelfstandige in hoofdberoep minder werd genomen. 'Maar de jongste vijf jaar geven aan dat het vertrouwen terug is', aldus Els Schellens, director operations starters bij Acerta. Vorig jaar ging het om 29,8 procent, het voorlopig grootste aandeel sinds 1999. Ook in 2019 zet de trend zich door, met al 28,15 procent van de zelfstandigen in bijberoep die er hun hoofdberoep van maken.

'Dit past bij de tijdsgeest van een grotere algemene zelfstandigheid. Mensen ontwikkelen zich individueler, ze worden mondiger, nemen autonoom beslissingen, hechten aan hun vrijheid. Hoe loopbanen er uitzien, is daar een afspiegeling van', aldus Schellens. 'Vroeger was het aantal jaren dienst bij eenzelfde werkgever bijna een doel op zich. Vandaag willen mensen vooral hun talenten ontwikkelen. En dus zijn loopbanen veel individueler, vertonen ze een veel grilliger traject.'

Ze wijst er ook op dat de drempels naar volledige zelfstandigheid kleiner zijn geworden, doordat het sociaal statuut is verbeterd. Opmerkelijk ook: hoe jonger de bijberoeper zijn activiteiten start, hoe groter de kans dat hij de stap naar zelfstandigheid-in-hoofdberoep zet. Bij de -20-jarigen zet meer dan 40 procent die stap.