1. De groep is informeel. De medewerkers leren elkaar kennen en zijn niet echt operationeel. Ze kijken toe, ze zijn wantrouwig, ze maken zich zorgen. De rol van de manager is de zaken te benoemen en iedereen gerust te stellen.
2. De groep is fusioneel. De doelstellingen worden duidelijker en een eerste organisatie wordt doorgevoerd. De groep concentreert zich meer op haar samenstelling dan op efficiëntie. De rol van de manager is de zaken uit te leggen en iedereen op zijn plichten te wijzen.
3. De groep is conflictueel. Leidertypes dringen zich op de voorgrond, er komen spanningen. De groep wordt tegelijkertijd productief en broos. De rol van de manager is geschillen op te lossen en het team te mobiliseren. 4. De groep is matuur. Er zijn geen wrijvingen meer: de verschillen zijn aanvaard, de competenties en rollen van alle teamleden zijn duidelijk. De groep wordt een echt collectief. De rol van de manager is om het team te consolideren en te feliciteren.
Bron: Management

1. De groep is informeel. De medewerkers leren elkaar kennen en zijn niet echt operationeel. Ze kijken toe, ze zijn wantrouwig, ze maken zich zorgen. De rol van de manager is de zaken te benoemen en iedereen gerust te stellen. 2. De groep is fusioneel. De doelstellingen worden duidelijker en een eerste organisatie wordt doorgevoerd. De groep concentreert zich meer op haar samenstelling dan op efficiëntie. De rol van de manager is de zaken uit te leggen en iedereen op zijn plichten te wijzen. 3. De groep is conflictueel. Leidertypes dringen zich op de voorgrond, er komen spanningen. De groep wordt tegelijkertijd productief en broos. De rol van de manager is geschillen op te lossen en het team te mobiliseren. 4. De groep is matuur. Er zijn geen wrijvingen meer: de verschillen zijn aanvaard, de competenties en rollen van alle teamleden zijn duidelijk. De groep wordt een echt collectief. De rol van de manager is om het team te consolideren en te feliciteren. Bron: Management