" Mijn eerste studentenjob deed ik bij Georges, de huisschilder van Pepingen, het Brabantse dorp waar ik ben opgegroeid. Georges was een fantastische man en leerde mij de rijkdom en de complexiteit van verf kennen. Ik was 's zomers bij Georges, en dan werkten we vooral buiten. Dat vond ik heerlijk, de hele dag in de openlucht doorbrengen, met de fluitende vogels op de achtergrond en met uitzicht op het glooiende Pajottenland.

"De hele Vlaamse schilderkunst passeerde daar voor mijn ogen, terwijl ik met de verfborstel in de weer was: de favoriete landschappen van Jean Brusselmans, het werk van Gust De Smet, de Permeke-taferelen met de ploegende boeren op hun akkers. Ik droomde er in die tijd van kunstschilder te worden. Georges noemde mij 'de artiest'. Met het geld dat ik bij hem verdiende, kocht ik verf en doeken en maakte ik mijn eerste schilderijen.

"Pas op, het was hard werken bij Georges, en er kwam veel stof bij kijken. Muren afschuren, afplakken, voortdurend de ladder op en af klauteren. Ik zat geen seconde stil, maar ik vond het fijn in beweging te zijn. Die schildersladder beklimmen voelde een beetje als opstijgen, als vliegen.

"Ook op sociaal gebied was de job boeiend. We kwamen bij alle soorten mensen over de vloer. Meestal werden we warm onthaald. Dan stond er minstens een fles water koud, in het beste geval een gevulde koelkast. Dorst hebben we nooit geleden."

Buitenbeentje

"Tijdens mijn studentenjaren aan Sint-Lucas in Brussel werkte ik in het weekend bij Paul Degueldre. De man was decorbouwer bij de Belgische Radio en Televisie. Het klikte meteen tussen ons. Van al zijn medewerkers was ik het buitenbeentje. Voor mij ging een nieuwe wereld open, maar ook voor hem was onze samenwerking verrijkend. Via mij bleef hij op de hoogte van wat er in de kunstwereld gebeurde.

"Paul werkte aan de decors van Studio Sonart en het Amerikaans Theater. In die immense studio's werken, dat gaf mij een kick. Hij maakte ook de decors voor de grote feuilletons uit die tijd, zoals Schipper naast Mathilde. Daar zag ik voor het eerst acteurs als Nand Buyl en Chris Lomme in levenden lijve. Dat deed mij wel wat, als jonge kerel. Ook omdat televisie voor mij nog pure magie was. Bij ons op de buiten had lang niet iedereen een tv-toestel.

"Decorbouwers zijn sfeerscheppers. Een decor maken, dat is een imaginaire wereld bedenken en creëren. Maar er komt heel veel handenarbeid bij kijken. Knippen, snijden, boren, kloppen en schilderen, en je moet met heel veel materialen kunnen werken. Ook bij Paul moest ik vaak op hoge ladders klimmen, om grote vlakken te schilderen. Maar dat was ik dus al gewoon. Voorts leerde ik ook daar met mensen om te gaan, en begon ik in te zien dat ieder mens anders is en anders denkt."

Schoon kostuum

"Het zakgeld dat ik bij Paul verdiende, kwam later van pas om mijn studie aan de Academie in Antwerpen te betalen, en mijn kot. Maar vooral de praktische zaken die ik daar heb geleerd, hebben mij later geholpen. Nog altijd. De laatste retouches voor een tentoonstelling opengaat? Die doe ik zelf, ook al heb ik mijn schoon kostuum al aan.

"Vooral toen ik met De Zwarte Panter begon, kwam die kennis van pas. Ik kon goedkoop een pand huren, maar er was wel veel opknapwerk aan. Ik heb toen eigenhandig mijn galerie ingericht, met afbraakmateriaal van televisie. Zonder die ervaring bij Paul had ik dat nooit gekund."

Adriaan Raemdonck

Oprichter Galerie De Zwarte Panter

Werkte als huisschilder en als decorbouwer voor televisie