Silicon Valley is zó creatief, ondernemend en dynamisch dat het soms wordt vergeleken met Florence in de middeleeuwen. Wie een bezoek brengt aan San Francisco of de welvarende voorsteden waar bedrijven als Facebook en Apple zijn gehuisvest, voelt de energie onmiddellijk. Maar het succes is niet voor iedereen weggelegd. Veel Amerikanen grijpen naast de welvaart, zegt insider Martin Ford, die onlangs de prestigieuze Financial Times-prijs won voor zijn bestseller 'Rise of the Robots'.
...

Silicon Valley is zó creatief, ondernemend en dynamisch dat het soms wordt vergeleken met Florence in de middeleeuwen. Wie een bezoek brengt aan San Francisco of de welvarende voorsteden waar bedrijven als Facebook en Apple zijn gehuisvest, voelt de energie onmiddellijk. Maar het succes is niet voor iedereen weggelegd. Veel Amerikanen grijpen naast de welvaart, zegt insider Martin Ford, die onlangs de prestigieuze Financial Times-prijs won voor zijn bestseller 'Rise of the Robots'." Deze plek staat centraal in mijn verhaal", zegt Martin Ford. We spreken hem op de campus van de prestigieuze universiteit Stanford in Palo Alto. "Dit is ground zero. Hier heeft Silicon Valley zijn wortels. Hier hebben Larry Page en Sergey Brin Google uitgevonden." De stilte valt en de 'maar' klinkt al in zijn stem. Op de vraag of het revolutionaire bedrijf een zegen is of een vloek zegt de schrijver: "Dat is aan ons als maatschappij. Als we niet bijsturen en technologie haar gang laten gaan, zal de ongelijkheid, die al extreem is, verder toenemen. Door robotisering zien we solide middenklassenbanen in de VS verdwijnen." In zijn boek Rise of the Robots schrijft Ford: "Buiten de potentieel vernietigende impact op de werkgelegenheid op de lange termijn en op de textuur van onze maatschappij, zullen we ook een significante economische prijs betalen." Ford ziet een scenario van stagnerende lonen. Natuurlijk, de Amerikaanse economie toont ook veerkracht. Maar technologiebedrijven uit Silicon Valley hebben doorgaans niet veel personeel nodig of ze laten zoals Apple hun producten in China maken. Steve Jobs waarschuwde president Obama ooit dat die banen nooit meer terugkomen. "De Amerikaanse bedrijven die wel terugkomen uit China", zegt Ford, "hebben de werknemers van vroeger niet meer nodig. In mijn boek noem ik een voorbeeld over een textielfabriek in North Carolina. Mooi dat die naar de VS is teruggekomen. Maar voor zijn vertrek naar China had het bedrijf 2000 mensen in dienst. Nu zijn dat er 150." Over de sociale structuur zegt hij: "We hebben hier geen sociaal vangnet zoals in Europa. We hebben erg veel mensen die leven op voedselbonnen. Ze verkopen ze deels voor de helft van hun waarde, om medicijnen te kopen waaraan ze verslaafd zijn. Dat is een nare, dystopische wereld. In San Francisco struikel je nu al over de daklozen." Dat laatste klopt onmiskenbaar. Met 6000 daklozen in de stad is het een groter probleem dan bijvoorbeeld in New York. Ze cirkelen rond bij de kantoren van Uber en Twitter en dat heeft al geleid tot openlijk geklaag bij twintigers in de technologiewereld die ongestoord hun restaurants en cafés willen bezoeken. Justin Keller, de CEO van de start-up Commando.io, schreef laatst zonder enige gene een open brief aan de burgemeester van San Francisco. "Rijke werkende mensen hebben hun recht om te leven in de stad verdiend. Ik wil de pijn, de strijd en de wanhoop van de daklozen niet zien als ik naar mijn werk ga." Berucht zijn ook de privébussen van Google en Apple die werknemers naar Silicon Valley brengen en de afgunst opwekken van mensen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer. In buurten met haltes voor de luxebussen schieten de huizenprijzen pijlsnel omhoog. Ford vreest dat veel meer mensen tussen wal en schip vallen. Hij verwacht een tsunami aan overbodige werkkrachten, niet alleen in de maakindustrie maar ook in de dienstensector, waarin veel Europese landen ook sterk zijn. "Hoe snel het zal gaan? Dat weet ik niet. Ik zie niet meteen de helft van de banen verdwijnen, zoals wetenschappers van Oxford onlangs hebben gesuggereerd. Mensen hebben dat ten onrechte als een keiharde voorspelling opgepikt. Het is onmogelijk precieze voorspellingen te doen. Maar als het 20 procent betreft is het ook al onthutsend." Ford schreef het al in zijn eerste boek dat hij in eigen beheer uitgaf omdat het onderwerp toen nog weinig interesse opwekte bij uitgevers. Dat is inmiddels anders. Het onderwerp staat wereldwijd op de agenda, onlangs nog op het World Economic Forum in Davos. De Amerikaan die op zijn vierde uit Engeland is geëmigreerd naar de VS schreef vorig jaar zijn tweede pessimistische boek over de impact van nieuwe technologie. Hij toerde rond de wereld, maar dat maakte hem niet minder sceptisch. Zoals Edward Luce onlangs in de Financial Times schreef, zijn er drie denkscholen. De Amerikaanse economen Robert Gordon, Tyler Cowen en de Brit Martin Wolf geloven niet dat de huidige veranderingen in technologie zoveel voorstellen vergeleken met de stoommachine, de verbrandingsmotors en de doortrek-wc. De periode van een snelle productiviteitsstijging door nieuwe technologie is volgens hen voorbij. Dan zijn er de techno-optimisten, zoals Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee. Zij geloven dat we grote sprongen maken in een nieuwe wereld met slimme technologie. In hun boek, The Second Machine Age (2014), stellen ze dat we door automatisering meer vrije tijd krijgen. Martin Ford gelooft ook in razendsnelle technologische veranderingen. Hij komt echter tot een sombere conclusie. Hij ziet een toekomst met een stortvloed aan werklozen die zijn weggeconcurreerd door machines en robots. Ford wordt soms weggezet als een overdreven pessimist. In vorige revoluties verdwenen veel banen, maar kwamen er niet nieuwe en beter betalende banen voor terug? In de late 19de eeuw werkte de helft van de Amerikanen op het land. Nu is dat 2 procent. Toch hebben die mensen banen gevonden. Ford ziet dat deze keer niet gebeuren. "Het verschil is dat machines nu het denkvermogen en de leercapaciteiten van de mens overnemen. Ik denk dat de machines nu al de grenzen aan het opzoeken zijn. Werken aan de lopende band gebeurt al minder. Dat kunnen robots prima. Net als het slim verplaatsen van dozen in een opslagruimte. Voor de banen die overblijven in de fabrieken heb je visuele waarneming nodig en behendigheid. Het laden en lossen van vrachtwagens aan het einde van het productieproces of het selecteren van onderdelen uit een bak. Maar hebben we daar binnen tien of twintig jaar nog mensen voor nodig? Lijkt me niet. Een belangrijk punt uit mijn boek is dat banen waarvoor nu specifieke vaardigheden nodig zijn, straks kunnen worden uitgevoerd door mensen met weinig vaardigheden of helemaal buiten de mens om, met een slimme machine." Een van de trends die sommigen hoopgevend vinden is dat de robot tegenwoordig goed samenwerkt met mensen. Er komen almaar meer compacte, flexibele en gemakkelijk te programmeren robots op de werkvloer. Het idee dat de mens kan samenwerken met robots is naïef en druist volgens Ford in tegen het idee van kapitalisme. "Bedrijven hebben geen enkele economische prikkel om een mens in dienst te houden als die vervangen kan worden door een machine. Mensen die routineus en voorspelbaar werk doen, en dat geldt ook voor heel veel arbeidskrachten in de middenklasse, zullen moeten vrezen voor hun baan. Dat geldt nu niet alleen meer voor fabrieksarbeiders, maar ook voor de medische wereld, de advocatuur en de media." Mensen werken volgens Ford al volop mee aan het opheffen van hun eigen baan. Neem journalisten die in hun redactiesysteem de software almaar slimmer maken op basis van hun eigen input. Ze trainen vaak, zonder dat ze het zelf doorhebben, hun vervangers, zegt Ford. In zijn boek schrijft de Amerikaan dat computers op het punt staan de mens te verslaan in "het eindspel" op de arbeidsmarkt. "Zelfdenkende computers zullen nu ook banen overnemen waar kennis en een complexe analyse is vereist. Skype kan een gesprek in real time al vertalen van het Mandarijn naar het Engels. Niet perfect, maar het komt een eind. Radiologen zijn straks mogelijk overbodig omdat computers het beter kunnen." Ford zegt soms bezorgd te zijn over de toekomst van zijn jonge kinderen. Om zich heen kijkend zegt hij dat de elitestudenten op Stanford nog een redelijke kans van slagen hebben. "Maar ruwweg de helft van de Amerikanen die afstuderen, moet nu al genoegen nemen met een baan onder zijn niveau." Ford vreest voor een neerwaartse spiraal. Het vermogen van mensen om werk te verzetten is volgens hem straks weinig waard. De Amerikaanse economie, die voor driekwart leunt op binnenlandse consumptie, zal hard worden geraakt. "Grote bedrijven en hun CEO's zien dat ook al in. Ze zitten op 2000 miljard dollar aan contanten die ze niet willen investeren op de lange termijn. Ik zie niet in hoe onze economie kan overleven als we geen kapitaalkrachtige consumenten hebben die geproduceerde goederen kunnen kopen. De beperkte vraag uit China zal dat niet compenseren. Dat land haalt zelf bovendien razendsnel robots binnen de fabrieksmuren omdat lonen te hoog oplopen. China gaat door hetzelfde proces. Zijn grote uitdaging is over te schakelen naar een consumenteneconomie. Het is nu voor de helft investering en wat export. De binnenlandse vraag in China is, denk ik, ongeveer een derde van zijn bbp, vergeleken met 70 procent in de Verenigde Staten. Dat is dus niet erg duurzaam. Het is de vraag of ze genoeg vraag kunnen aanjagen om hun eigen economie te ondersteunen. Laat staan dat ze de wereldeconomie op gang houden. Ik was er nog vorige zomer. Ik geloof het niet." De auteur meent dat de nieuwe welvaart zich te veel ophoopt in een kleine kring van succesvolle internetondernemers en geldschieters. Los van de moraliteit meent Ford dat de economie nooit kan leunen op de verkoop van luxegoederen aan een kleine bovenlaag. De distributie van de koopkracht onder een brede groep is volgens hem van groot belang. "We zien hier al een sterke tweedeling met afgesloten gemeenschappen. Dat terwijl technologische doorbraken zijn mogelijk gemaakt met geld van belastingbetalers." De miljardenbedrijven Google en Amazon zijn volgens Ford gebouwd op de fundamenten die de overheid heeft neergezet met baanbrekend onderzoek. Ford vindt dat de welvaart niet eerlijk wordt verdeeld en stelt ter compensatie een basisinkomen voor van 10.000 dollar per jaar. "Dat valt hier in deze regio bij libertariërs die in de vrije markt geloven niet eens slecht. Het is ook niet veel natuurlijk, maar je zou het op termijn kunnen verhogen. Ik geloof niet in het versterken van de vakbonden. Wat heb je nu aan vakbonden als je geen banen meer hebt? Ik denk dat de vakbonden spreken voor de elite, een kleine groep mensen, vooral in de publieke sector." Werknemers mede-eigenaar van robots maken, zoals her en der is gesuggereerd, ziet Ford niet gebeuren. "Robots, dat is kapitaal. Dat is altijd in handen van een hele kleine groep mensen. Het is hier politiek haast al onmogelijk om inkomen te herverdelen. Dat is met kapitaal helemaal het geval." Op de vraag of de Amerikaanse economie niet juist weer een teken van leven toont met een redelijke economische groei en een dalende werkloosheid zegt hij: "We hebben de jongste jaren wel nieuwe banen gecreëerd, maar die zijn niet erg solide. We hebben het over slecht betaalde banen zoals verkoopbaantjes in winkels en hamburgerbakkers. Het is duidelijk dat veel van die banen zullen worden bedreigd door machines. In het boek schrijf ik over de start-up Momentum Machines in San Francisco. Ze werken aan de hamburgerrobot. Of ze hem echt tot leven brengen weet ik niet. Maar als het hen niet lukt, zal McDonald's het doen." Gerben Van Der Marel