Met het jaar dat straks wordt uitgewuifd, is de kans groot dat ook de stokoude 'aannemersregistratie' naar het belastingmuseum wordt verwezen.
...

Met het jaar dat straks wordt uitgewuifd, is de kans groot dat ook de stokoude 'aannemersregistratie' naar het belastingmuseum wordt verwezen. Sommige plagen zijn onuitroeibaar. Het zwartwerk in de bouwsector bijvoorbeeld. Sinds mensenheugenis probeert men daar iets aan te doen. Vele jaren geleden heeft de wetgever speciaal daarvoor de 'aannemersregistratie' uitgevonden. Het idee is simpel: scheid het kaf van het koren. Hoe? Door het inbouwen van een filter. Aannemers moeten zich laten registreren. Zij moeten een soort toelatingsproef doen. De felbegeerde registratie hangt af van het bewijs dat de aannemer zijn fiscale en parafiscale verplichtingen ter harte neemt. Levert hij dat bewijs niet, dan wacht hem de verbanning naar de groep van de niet-geregistreerden. Hen werd nog net geen beroepsverbod opgelegd. Maar zij hadden het niet onder de markt. Wie een beroep deed op een niet-geregistreerde aannemer voor het uitvoeren van werk in onroerende staat, moest uitkijken. Behoudens in enkele gevallen, mocht hij de factuur van zijn aannemer niet volledig in diens handen betalen. Hij moest een groot deel van de prijs inhouden. Dat moest hij vervolgens doorstorten naar de RSZ en de fiscus. En als hij zich niet netjes aan de regeltjes hield, kon hij hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de fiscale en parafiscale schulden van zijn aannemer. Een vergelijkbare regeling gold in de keten van hoofdaannemers, onderaannemers, subonderaannemers, en ga zo maar verder. Dit systeem heeft jaren gewerkt. Voor de fiscus en de RSZ vormde het een machtig wapen in hun strijd tegen de koppelbazen. Maar men kan niet ontkennen dat het ook voor onnoemelijk leed heeft gezorgd. Wie de regeltjes niet stipt navolgde, zal het geweten hebben. En van vele aannemers die het stigma 'niet-geregistreerd' opgespeld hebben gekregen, mag men aannemen dat zij nauwelijks het hoofd boven water hebben kunnen houden. Terecht, of onterecht? Dat zal de geschiedenis uitwijzen. Uiteindelijk is heel deze aannemersregistratie op de klippen gelopen van de Europese wetgeving. Die duldt niet dat de vrije concurrentie op Europees niveau verstoord wordt met nationale regelingen die het buitenlandse aannemers moeilijk maakt om in België op te treden alleen maar omdat zij niet in België als aannemer geregistreerd zijn. De Belgische wetgever heeft deze Europese kritiek ter harte genomen. Het werken met een wel of niet geregistreerde aannemer heeft vandaag geen enkel gevolg meer op het gebied van hoofdelijke aansprakelijkheid of op het gebied van het wel of niet moeten inhouden van een deel van de prijs van de uitgevoerde werken. De regeling inzake hoofdelijke aansprakelijkheid en inhouding van een deel van de prijs is niet geschrapt. Maar het criterium is niet langer of men wel of niet met een geregistreerde aannemer werkt. Het enige dat nog telt, is of de aannemer wel of niet sociale en/of fiscale schulden heeft. De aannemersregistratie heeft daardoor enorm aan belang verloren. Maar zij blijft nog wel van groot belang op het gebied van de btw. In alle gevallen waarin het btw-tarief voor werk in onroerende staat verlaagd is naar 12 of 6 procent, is die verlaging afhankelijk van de voorwaarde dat men het werk in handen geeft van een aannemer die geregistreerd is. Lang gaat dit niet meer duren. In een baanbrekend vonnis heeft de rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen enkele weken geleden beslist dat de btw-tariefverlaging niet afhankelijk mag zijn van de voorwaarde dat de aannemer geregistreerd is. Waarom niet? De Europese rechtsregels verzetten zich daartegen. Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie dat de btw neutraal moet zijn. Soortgelijke diensten die met elkaar concurreren, mogen volgens het hof op btw-gebied niet ongelijk worden behandeld. Toegepast op de aannemers: een geregistreerde aannemer die een muurtje bouwt, kan dit tegen 6 procent btw doen (in die gevallen waarin het btw-tarief verlaagd is naar 6 procent). Een niet-geregistreerde aannemer komt nooit in aanmerking voor de toepassing van het verlaagde tarief. Hij moet altijd factureren tegen 21 procent btw. Nochtans gaat het concurrentieel bekeken om soortgelijke diensten. Europa verdraagt niet dat die aan uiteenlopende tarieven onderworpen zijn. Het staat dan ook in de sterren geschreven dat de aannemersregistratie ook op dit punt ten dode opgeschreven is. Zij zal in het belastingmuseum worden bijgezet als een maatregel die een tijdje nuttig is geweest, maar de tand des tijds en vooral de toets met de Europese wetgeving niet heeft kunnen doorstaan. DE AUTEUR IS advocaat en hoofdredacteur van fiscoloog.Jan Van DyckDe aannemersregistratie is ook op het gebied van de btw ten dode opgeschreven.