Copyright: Newsweek.
...

Copyright: Newsweek. Bewerking: Daan Killemaes, Wolfgang Riepl. Nog niet zo lang geleden hadden Jean-Marie Messier en Bernard Arnault veel gemeen. Beide chief executive officers kochten via hun duur geprijsde aandelen rivalen op en bouwden hun Franse imperiums wereldwijd uit. En ze zaten in elkaars raden van bestuur. Maar Messier, een ambtenaar met de juiste komaf voor een Franse topfunctie, sloeg duchtig aan het lenen. Hij toverde de watermaatschappij Vivendi om tot een wereldwijd media-imperium. De kers op de taart was de aankoop van de Universal Studios in Hollywood. Maar die strategie faalde. Messier mocht opstappen. Arnault werd geboren in een familie actief in vastgoed. Hij bouwde het bedrijf uit tot wat vandaag Louis Vuitton Moët Hennessy heet. Hij besteedde zijn miljarden alleen aan de overname van kleine modehuizen die het moederschip niet konden doen zinken. Hij is en blijft een van de meest bewonderde Franse zakenmannen. "Soms zei ik aan mijn vrienden van Vivendi: 'Zijn jullie zeker dat jullie het zo zouden doen, mocht het jullie eigen geld zijn?' zo vertelt Arnault. "Als het je eigen geld is, liggen de zaken helemaal anders." Hij zegt ook dat hij die vraag nooit stelde aan de koppige Messier, "want het zou toch geen verschil gemaakt hebben." Het roekeloos omgaan met andermans geld is nu precies wat Europeanen cynisch doet uithalen naar het Angelsaksische kapitalisme. Vandaag beleeft het Europese bedrijfsleven een satanisch genoegen in de schandalensaga op Wall Street. De goeroes zoeken koortsachtig naar een beter model. Maar het Europese continent heeft er al één: familiebedrijven. Die doen het in de zes belangrijkste Europese aandelenindexen - van de Londense FTSE tot de Madrileense IBEX - een stuk beter dan hun rivalen. Soms zelfs spectaculair beter. Dat blijkt uit een analyse, uitgevoerd door Thomson Financial in opdracht van Newsweek. Thomson stelde voor elk land een aparte index op van familiale en niet-familiale ondernemingen en onderzocht de resultaten van de voorbije tien jaar. Ook werd een top-10 van de snelst groeiende familiale aandelen opgemaakt. In Duitsland schoot de familiale index, aangevoerd door BMW, met 206 percent omhoog. De niet-familiale aandelen gingen er slechts met 47 percent op vooruit. In Frankrijk kende de familiale index eveneens een adembenemende klim - 203 percent - onder invloed van bedrijven als Sanofi-Synthelabo, L'Oréal en LVMH. Zijn tegenhanger deed het slechts 76 percent beter. Families staken ook boven de meute uit in landen als Zwitserland, Spanje, Groot-Brittannië. En zelfs in Italië, ook na de schandelijke neergang van Parmalat, dat geleid werd door de familie Tanzi. De analyse gaat dus in tegen de schandalen die recent de krantenkoppen haalden in Europa en waarbij familiale ondernemingen afgeschilderd werden als zootjes ongeregeld. In oktober waren de investeerders allesbehalve mals voor Rupert Murdoch toen die zijn dertigjarige zoon James naar de top van het beursgenoteerde satellietnetwerk BSkyB katapulteerde. En met zijn verlies van 18 miljard dollar in Parmalat gaf de familie Tanzi zelfs de Amerikanen het nakijken. Maar ook als rekening gehouden wordt met de instorting van de koers van het Parmalat-aandeel aan het einde van het jaar, dan nog deed de groep van de beursgenoteerde Italiaanse families het over het voorbije decennium 18 percentpunten beter dan de rest van de beurs van Milaan. Incestueus gesjoemel vormt eerder de uitzondering dan de regel in grote familiale ondernemingen. De bedrijven uit die groep die het meeste succes kennen, zijn familiaal gecontroleerde maar publiek verhandelde ondernemingen. Die firma's moeten zich dus schikken naar de beursreglementen en voldoen aan rapportagevereisten. Die opgelegde discipline verhindert dat familievetes een onderneming zouden ruïneren en biedt de managers een uitstekend excuus om een of andere domme oom uit de raad van bestuur te houden. Dat geldt evenwel meer in sommige sectoren dan in andere. Een studie uit 1998 van de Franse business school Insead leerde dat van de 120 grootste publieke Franse ondernemingen, de familiale eigenaars gemeengoed zijn in de luxebranche, de automobielsector, de media en de distributie. Sectoren dus die het moeten hebben van imagebuilding en een stevig personeelsbeleid. Maar families zijn eerder een zeldzaamheid in kapitaalintensieve sectoren zoals verzekeringen, energie en nutsvoorzieningen. De resultaten van Newsweek bevestigen die vaststelling: nogal wat familiale bedrijven zijn producenten van luxegoederen, zoals BMW, L'Oréal, LVMH. Maar niet alles is schitterend. Waarschuwt Lutgart Van den Berghe van het Instituut voor Bestuurders: "Ik geloof in familiebedrijven. Het onderzoek van Thomson Financial wordt bevestigd door andere studies. Maar het gaat om de grootste beursgenoteerde familiale bedrijven. Vele bedrijven geraken daar niet. In de rat race vallen er heel wat af. Een voorwaarde is dus dat ze orde op zaken stellen in hun structuur. Er moeten goede afspraken zijn over de wisselwerking tussen raad van bestuur, management en directiecomité. Afspraken over het evenwicht tussen het familiale en het niet-familiale. Een bedrijf moet gerund worden als een bedrijf, niet als een familie. Voor Belgische familiale bedrijven is dat niet steeds een prioriteit." Is dat anders in Duitsland? Want BMW levert een goed voorbeeld van productief machtsevenwicht tussen familiale eigenaars en professionele managers. De naoorlogse Duitse economie werd opgebouwd over de ruggen van hardwerkende ondernemers die duizenden kleine en middelgrote industriële ondernemingen uit de grond stampten. Die zogenaamde Mittelstand pikte in op de legendarische Duitse technische vaardigheden om machines van wereldklasse te maken. Tot op vandaag zijn ze in de economie de belangrijkste scheppers van jobs en groei. Ook het hart van BMW wordt gevormd door de familie. In 1959 vrijwaarde de rijke zakenman Herbert Quandt de zieltogende autoconstructeur van de plannen van het management om het bedrijf te verkopen aan Daimler Benz. Zijn familie heeft nu nog 47 % van het kapitaal in handen. Beide kinderen van Herbert Quandt hebben een economiediploma en zetelen in de raad van bestuur: Stefan, 37, en Susanne Klatten, 41, die haar man ontmoette toen ze onder schuilnaam bij BMW werkte (zodat niemand zou weten dat ze een Quandt was). In februari 1997 bevond BMW zich in een diep dal. Het verloor pakken geld door de onbezonnen overname van Rover drie jaar eerder. De Quandts riepen een spoedvergadering van de raad van bestuur bijeen en zetten binnen de acht uur zowel Bernd Pischetsrieder, de CEO die Rover gekocht had, als zijn rivaal die er zich tegen verzet had, aan de kant. Vandaag is BMW een bloeiend bedrijf en een van de weinige onafhankelijke constructeurs die er in de sector nog overblijven. Het is ook een van de meest winstgevende. De twee kinderen-Quandt en hun moeder Johanna behoren elk tot de top-30 van de Europese miljardairs. Voor een praktijkgerichte eigenaar en manager als Arnault, wiens familie 59 % van LVMH bezit, is het nog gemakkelijker om modegrillen te negeren. Hij herinnert zich dat eigenwijze twintigers met MBA's hem tien jaar geleden kwamen vertellen dat hij zijn afdeling wijn en sterke dranken van de hand moest doen en zich concentreren op de mode, omdat daarmee meer geld verdiend kon worden. Arnault vond het dom om de kracht van merken als Dom Perignon zomaar naast zich neer te leggen. Nu is de champagne een van de meest winstgevende activiteiten. Arnault zegt dat het nog altijd beter is om op de beurs genoteerd te staan, ook al moet hij geen geld bij elkaar halen. "Het geeft de groep duidelijke richtlijnen om op te volgen," zegt hij, en bovendien maken aandelenopties het mogelijk om degelijker talent aan te trekken. Jozef Lievens, bestuurder bij het Instituut voor het Familiebedrijf, sluit zich aan bij die analyse. Volgens Lievens vermijdt dit type van bedrijven het achterna hollen van de hype. "Een dynamiserende visie op lange termijn, een duidelijke strategie, een effectieve governance, een functionele, harmonische familie, het verstandige gebruik van outsiders, het uitdokteren van een opvolgingsplan, en ten slotte het koesteren van geduldig kapitaal, zijn voor mij de succesfactoren van een familiebedrijf." Met dat laatste element bedoelt de Vlaamse goeroe van het familiebedrijf dat familiale aandeelhouders meer geduld opbrengen bij hun investeringen. Zij eisen niet noodzakelijk een onmiddellijk rendement op hun investering. Dat geduld uit zich nog op een andere manier. Bij het koesteren van befaamde oude merken bijvoorbeeld. Het is een van de redenen waarom Europese families leidinggevend zijn als het over het wereldwijde fenomeen van de massaluxegoederen gaat. Zowat een derde van dergelijke goederen is afkomstig uit Europa en dat cijfer neemt nog toe naarmate huiseigenaars en smulpapen meer vertrouwd geraken met Europese merken, gaande van de hoogtechnologische stofzuigers van het Zweedse imperium van Wallenberg tot de olijfolie van de familie Nunez de Prado uit Spanje. De Europese familie-imperiums vormen steeds meer een boeiend gespreksthema, vooral na het verschijnen van studies, vorig jaar, waaruit blijkt dat soortgelijke ondernemingen zowat een derde van de Fortune-500 in de VS vertegenwoordigen en dat ze het zowel op het vlak van rentabiliteit als productiviteit beter doen dan de andere. Toch waarschuwt Lutgart Van den Berghe voor overdreven verwachtingen. "We mogen niet in het andere uiterste vervallen. In de jaren negentig was alles wat naar de beurs rook de hype. Vandaag neemt iedereen de familiebedrijven in het vizier. Maar ook daar zijn misbruiken mogelijk," laat het orakel van het Instituut voor Bestuurders het oranje knipperlicht branden. Karen Lowry MillerFamiliebedrijven doen het in de zes belangrijkste Europese aandelenindexen stukken beter dan hun rivalen.