Het wordt vaak als billijk beschouwd dat de erfgenamen van een overledene, zeker als het over afstammelingen gaat, een gelijk deel van de erfenis krijgen. Het principe wordt echter vaak miskend bij schenkingen die gebeurden toen de overledene nog leefde of wanneer er een testament is. Veel mensen denken immers dat wanneer er een schenking gedaan is, het voorwerp daarvan definitief toebehoort aan degene die het kreeg en dat de gelijkheid alleen op de rest van het bezit kan slaan. Zo denken sommigen ook (verkeerdelijk) dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen schenkingen die meer of minder dan drie jaar voor het overlijden van de schenker gebeurden, waarbij ze het burgerlijke aspect en het fiscale van een schenking met elkaar verwarren. Een niet geregistreerde schenking die gebeurde in de drie jaar die voorafgingen aan het overlijden van de schenker, wordt immers opnieuw opgenomen in de erfenis om belast te worden.
...

Het wordt vaak als billijk beschouwd dat de erfgenamen van een overledene, zeker als het over afstammelingen gaat, een gelijk deel van de erfenis krijgen. Het principe wordt echter vaak miskend bij schenkingen die gebeurden toen de overledene nog leefde of wanneer er een testament is. Veel mensen denken immers dat wanneer er een schenking gedaan is, het voorwerp daarvan definitief toebehoort aan degene die het kreeg en dat de gelijkheid alleen op de rest van het bezit kan slaan. Zo denken sommigen ook (verkeerdelijk) dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen schenkingen die meer of minder dan drie jaar voor het overlijden van de schenker gebeurden, waarbij ze het burgerlijke aspect en het fiscale van een schenking met elkaar verwarren. Een niet geregistreerde schenking die gebeurde in de drie jaar die voorafgingen aan het overlijden van de schenker, wordt immers opnieuw opgenomen in de erfenis om belast te worden. In het burgerlijk recht geldt het volgende: wanneer een schenking wordt gedaan aan een erfgenaam van de schenker, is de schenking een voorschot op het deel dat de ontvanger achteraf via zijn erfenis van de schenker zal krijgen ( voorschot op erfdeel). Het maakt weinig uit of de schenking twee, tien of dertig jaar voor het overlijden plaatsvond. De erfgenaam die het voorschot kreeg, heeft als burgerlijke plicht de schenking weer in de erfenis in te brengen, zodat er een eerlijke verdeling tussen alle erfgenamen kan plaatsvinden. Voorbeeld. Jan geeft Luc, een van zijn drie zonen, een bedrijf ter waarde van 30.000 euro. Bij zijn dood zit er 150.000 euro in zijn erfenis. Om de gelijkheid tussen de drie kinderen van Jan te herstellen, moet Luc wat hij gekregen heeft, opnieuw in de erfenis inbrengen, zodat die eerlijk kan worden verdeeld. Elk kind kan dan 60.000 euro (150.000 + 30.000 : 3) krijgen. Maar Luc heeft vooraf al 30.000 euro gekregen, dus zal hij nog slechts 30.000 euro ontvangen. Zijn twee andere broers krijgen elk 60.000 euro. Zo wordt het evenwicht gerespecteerd. Als een erfgenaam wat hij gekregen heeft toen de schenker nog leefde, opnieuw in de erfenis moet inbrengen, kan men zich afvragen welk belang de begunstigde heeft bij de schenking. Hij heeft er een dubbel belang bij. Om te beginnen kan hij gebruikmaken van het geschonken goed, zonder dat hij daar iets voor in de plaats moet leveren, tot aan de dood van de schenker. Daarnaast gebeurt het inbrengen in de erfenis meestal door mindere ontvangst, wat betekent dat de begunstigde mag houden wat hij al gekregen heeft, maar hij zal minder krijgen van wat er na het overlijden nog rest van de bezittingen van de schenker. We komen daar straks nog op terug. Die gelijkheid bestaat ook wanneer er een legaat is voorzien in het testament voor een erfgenaam van de testateur. Wat de erfgenaam in kwestie krijgt via het legaat, wordt beschouwd als een deel van zijn erfdeel en niet als een deel bovenop het erfdeel. Voorbeeld. Jan geeft via testament zijn onderneming ter waarde van 30.000 euro aan zijn zoon Luc. Wanneer hij sterft, laat hij 1,8 miljoen euro na. De wet gaat ervan uit dat Jan, wanneer hij de onderneming via testament aan Luc schonk, geen ongelijkheid tussen zijn drie kinderen wou en bijgevolg zullen ze alledrie een gelijk bedrag krijgen. Ieder kind zal 600.000 euro krijgen en bij Luc zal de onderneming die hem via testament geschonken werd, in die 600.000 euro inbegrepen zijn. Omdat het de bedoeling is gelijkheid tussen de erfgenamen te krijgen, gaat het hier om alle legaten en schenkingen die werden gedaan aan een erfgenaam van de schenker. Bij schenkingen doet de vorm er weinig toe (notariële, manuele, onrechtstreekse of vermomde schenking). Om dubbelzinnigheden te vermijden, geeft de wet verschillende voorbeelden van schenkingen die opnieuw moeten worden ingebracht. Zo zijn er de vestigingskosten van een erfgenaam (zoals hulp bij de aankoop van materiaal voor de uitoefening van het beroep of van een handelsfonds) en de be-taling van schulden in plaats van de erfgenaam. Het principe geldt ook wanneer de overledene de erfgenaam indirect een voorschot heeft gegeven door middel van een overeenkomst (een voordelige verkoopprijs bijvoorbeeld). Voorbeeld. Jan verkoopt aan zijn zoon Luc effecten voor 100.000 euro, terwijl ze eigenlijk 200.000 euro waard zijn. Hij wil hem immers voor 100.000 euro bevoordelen. Deze onrechtstreekse schenking van 100.000 euro moet terug in de erfenis van Jan gebracht worden ten voordele van de andere, niet bevoordeelde kinderen. We zullen verderop echter zien dat de schenker-testateur (of de wet) de begunstigde-legataris kan vrijstellen van de verplichting om de schenking in de erfenis in te brengen. Hij kan immers preciseren dat de schenking of het legaat bij vooruitmaking en buiten erfdeel gedaan werd. Dat noemt men ook een schenking met vrijstelling van inbreng. We zagen al dat het inbrengen van een schenking of een legaat tot doel heeft de gelijkheid tussen de erfgenamen te doen respecteren na het overlijden van de schenker-testateur. Het inbrengen gaat dus enkel de erfgenamen van de overledene aan voor wat ze al ontvangen hebben. Zo zal iemand die vreemd is aan de familie, een vzw, een verwant van de schenker-testateur (bijvoorbeeld een schoonzoon of een kleinzoon die geen erfgenaam is) zich nooit zorgen moeten maken over het inbrengen van een ontvangen schenking. Daar kan alleen sprake van zijn als het recht op het voorbehouden of reservataire deel van de erfgenamen werd geschonden. Elke wettelijke erfgenaam van de schenker-testateur, of die nu afstammeling, echtgenoot, voorouder of een bloedverwant in zijlijn is, moet echter de schenkingen of legaten die hij ontvangen heeft, in de erfenis inbrengen. Het gaat dan om de erfgenamen op de dag van overlijden van de erflater. Een man die een schenking kreeg van zijn vader, maar van zijn erfenis afziet, moet dus de schenking niet inbrengen in de erfenis, want hij is geen erfgenaam (omdat hij van zijn erfenis afziet). Omgekeerd zal een kleinzoon die een schenking of een legaat krijgt, die niet moeten inbrengen omdat hij geen erfgenaam is. Maar als hij door het overlijden van zijn vader of moeder toch erfgenaam wordt, zal hij de legaten en de schenkingen voor hem en voor zijn vooroverleden ouder wel moeten inbrengen. Voorbeeld. Jan geeft zijn zoon Luc 100.000 euro. Pieter is de zoon van Luc. Luc overlijdt als eerste. Wanneer Jan sterft, moet Pieter, die erft als vertegenwoordiger van zijn vooroverleden vader Luc, de 100.000 euro die zijn vader kreeg in de erfenis inbrengen (als Luc nog in leven was geweest, had hij dat moeten doen). En als Pieter zelf een schenking ontvangen heeft van zijn grootvader, zal hij die ook moeten inbrengen. De vraag naar de inbreng stelt zich alleen op het ogenblik van het overlijden van de schenker-testateur en alleen op initiatief van de andere erfgenamen. Die kunnen ervan afzien om de inbreng te vragen, maar alleen na het overlijden van de schenker-testateur. Bovendien (en dit wordt vaak vergeten) moet een erfgenaam, wanneer hij een eed moet afleggen over de inventaris in het kader van een gerechtelijke verdeling van een erfenis, alle ontvangen schenkingen aangeven, of die nu wel (als voorschot op erfdeel) of niet (bij vooruitmaking en buiten erfdeel) kunnen worden ingebracht in de erfenis. Als hij dat niet doet, kan hij een strafrechtelijke sanctie krijgen voor meineed en hij kan veroordeeld worden voor geheimhouding, waardoor hij onder meer elk recht op de verzwegen goederen verliest. Men moet dus voorzichtig zijn wanneer men bij een inventaris een eed aflegt. Het inbrengen gebeurt bij het overlijden van de schenker-testateur. Dat betekent dat zolang de schenker nog leeft, er een ongelijkheid tussen de erfgenamen kan bestaan. Het is pas bij het overlijden van de schenker dat het evenwicht hersteld wordt. De begunstigde kan van de gekregen goederen blijven genieten tot aan dat overlijden. Vanaf dan, en zelfs wanneer de berekening van het inbrengen van een schenking of de eis tot inbrengen jaren later gebeurt, is de persoon die de inbreng moet doen automatisch interesten en inkomsten uit de geschonken goederen verschuldigd aan de erfenis. Voor legaten gebeurt het inbrengen altijd bij mindere ontvangst. Dat betekent dat de andere goederen uit de erfenis bij voorrang zullen worden verdeeld onder de erfgenamen tot de gelijkheid hersteld is. Om dat herstel van evenwicht te berekenen, houdt men rekening met de waarde van de goederen op de dag van het overlijden. Bij schenkingen moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de schenking van roerende goederen en de schenking van onroerende goederen. a. Inbreng van roerende goederen (geld, effecten, meubelen...) gebeurt in principe door mindere ontvangst in de erfenis van de schenker. Dat betekent dat de begunstigde de ontvangen goederen kan houden en minder zal krijgen uit de erfenis van de schenker tot het evenwicht tussen de erfdelen hersteld is. Wanneer de erfenis niet voldoende groot is om de erfdelen opnieuw in evenwicht te brengen, moet het inbrengen in natura gebeuren (gedeeltelijk of volledig teruggeven wat verkregen is). Het inbrengen van roerende goederen gebeurt altijd op basis van de waarde van de goederen op de dag van de schenking (in principe op basis van de aangegeven schatting in de schenkingsakte als het om een notariële schenking gaat; indien niet, op basis van een expertise of elke andere berekeningswijze). Voorbeeld. Jan geeft voor 50.000 euro effecten aan zijn oudste dochter, 100.000 euro in speciën aan zijn tweede dochter en een handelsfonds ter waarde van 80.000 euro aan zijn derde dochter. Bij zijn overlijden blijft er nog 100.000 euro over. De schenkingen worden in de erfenis ingebracht op basis van de waarde op de dag van de schenking. Dat gebeurt door mindere ontvangst in de erfenis. De dochters houden dus het geld, het handelsfonds en de effecten. Het herstel van het evenwicht zal op de rest van de erfenis gebeuren. Elk van de dochters van Jan heeft recht op 110.000 euro (50.000 + 100.000 + 80.000 + 100.000 : 3). De oudste zal nog 60.000 euro uit de erfenis krijgen, de tweede 10.000 euro en de derde 30.000 euro. b. Inbreng van onroerende goederen gebeurt in principe in natura. Dat betekent dat de erfgenaam het onroerend goed werkelijk in de erfenis moet inbrengen en dat hij er dus niet zeker van kan zijn dat hij dat goed zal kunnen behouden. Maar daarop zijn er enkele uitzonderingen. De schenker kan zelf in de schenkingsakte of in een later opgestelde akte of zelfs in zijn testament een vrijstelling geven van het inbrengen in natura en het inbrengen in waarde of door mindere ontvangst in de erfenis eisen. Als er bij de erfenis andere roerende goederen van dezelfde aard zitten, waarmee men loten kan samenstellen die ongeveer dezelfde waarde hebben voor alle erfgenamen, zal het inbrengen door mindere ontvangst gebeuren. Dat geldt ook voor een onroerend goed dat voor het openvallen van de erfenis vervreemd werd. Als het inbrengen van een onroerend goed in waarde gebeurt, moet men rekening houden (en dit is net omgekeerd van wat geldt voor roerende goederen) met de waarde op de dag van de verdeling, maar rekening houdend met de staat van het onroerend goed op het ogenblik van de schenking (vandaar het belang van een expertise op de dag van de schenking, waardoor men een nauwkeurige beschrijving van de staat van het onroerend goed krijgt). Voorbeeld. Jan geeft zijn oudste dochter een gebouw dat 80.000 euro waard is op de dag van de schenking. Op de dag van de verdeling is het echter 100.000 euro waard, zonder dat de dochter er iets aan veranderd heeft. Als het goed niet in natura in de erfenis ingebracht wordt, zal het inbrengen in waarde voor een bedrag van 100.000 euro gebeuren. Ja. Het feit dat de datum voor de schatting van de waarde verschilt voor onroerende en roerende goederen, kan voor een onevenwicht tussen verschillende schenkingen van roerende en onroerende goederen zorgen. Voorbeeld. Jan schenkt 200.000 euro cash aan zijn oudste dochter, Sabrina, om een huis te kopen dat identiek is aan het huis dat Jan aan zijn andere dochter, Natalie, heeft gegeven (schenking van het onroerend goed met vrijstelling van inbreng in natura: 200.000 euro). Twintig jaar later sterft Jan en wonen de beide dochters nog altijd in hun huizen, die nu per gebouw 500.000 euro waard zijn. De erfenis van Jan bestaat uit nog slechts 200.000 euro. Sabrina moet 200.000 euro in de erfenis inbrengen (de waarde op de dag van de schenking) en Natalie moet 500.000 euro inbrengen (de waarde op de dag van de verdeling). De erfenis bestaat dus uit 900.000 euro (500.000 + 200.000 + 200.000) en elk van de dochters zou in theorie 450.000 euro moeten krijgen. Maar aangezien Natalie al 500.000 euro gekregen heeft, moet zij 50.000 euro inleveren en krijgt Sabrina 250.000 euro. En dat ondanks het feit dat hun vader eigenlijk een evenwicht tussen zijn twee dochters wou bewaren toen hij hen de schenking van het geld en het vastgoed deed. Het doel van het inbrengen in de erfenis is nochtans het evenwicht te herstellen tussen de erfdelen van elk van de erfgenamen. Het verschil in waarde kan worden verklaard door het feit dat op het moment dat de artikels van het burgerlijk wetboek werden geschreven (1804), roerend goed weinig belang had, in tegenstelling tot onroerend goed. De situatie ziet er echter vandaag helemaal anders uit. Om dat soort problemen te voorkomen, op zijn minst wanneer er een schenking van een onroerend goed plaatsvond of zal plaatsvinden, kan men bijvoorbeeld overgaan tot de procedure van de dubbele akte (alle kinderen onverdeeld hetzelfde geven met achteraf een verdeling onder hen) of besluiten dat er een inbreng in waarde voor allen zal zijn en dat het verschil in waarde van het onroerend goed tussen de waarde op de dag van de schenking en die op de dag van de verdeling definitief aan het begunstigde kind zal toebehoren. Zo zou Jan in het bovenstaande voorbeeld in een testament of in de schenkingsakte van het onroerend goed kunnen stellen dat het verschil in waarde tussen de 200.000 euro en de 500.000 euro, namelijk 300.000 euro, niet moet worden ingebracht. In dat geval zou Natalie niets moeten inbrengen bij de 200.000 euro, wat erop neerkomt dat geen van beide zussen iets verschuldigd zou zijn. Men kan van die mogelijkheid alleen gebruikmaken als het waardeverschil niet hoger ligt dan het beschikbare deel van de schenker (het deel dat hij kan geven aan wie hij wil). Buiten schenkingen en legaten die niet ten voordele van erfgenamen gebeurden, kunnen bepaalde schenkingen of legaten aan erfgenamen ook vrijgesteld worden van het inbrengen. Dat noemt men vaak schenkingen of legaten gedaan bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng. Als een schenking of een legaat gerealiseerd werd bij vooruitmaking en buiten erfdeel, betekent dit dat de schenker-testateur (of de wet) wenste dat de begunstigde-legataris het gegeven of gelegeerde deel zou krijgen, niet als voorschot op zijn erfdeel met herstel van evenwicht, maar als een extraatje ten opzichte van wat de andere erfgenamen zullen krijgen. Voorbeeld. Jan geeft of legateert 100.000 euro aan een van zijn zonen. Maar hij wil dat er voor dat voorschot na zijn overlijden geen enkele compensatie voor de andere erfgenamen moet komen. Hij wil dat deze zoon het bedrag bovenop zijn erfdeel krijgt. Schenkingen en legaten die volgens de wet niet ingebracht moeten worden.Er zijn schenkingen en legaten waarvan de wet stelt dat ze niet ingebracht moeten worden. Het gaat onder andere over kosten voor voeding, onderhoud, opvoeding (van een kind bijvoorbeeld), scholing, gewone uitrustingskosten (een uitzet bijvoorbeeld) en huwelijkskosten (voor een trouwfeest). Voorbeeld. Als een kind getrouwd is en de ouders hebben alle kosten voor het huwelijksfeest betaald, kan een ander kind wanneer de ouders overlijden, niet beweren dat het recht heeft op hetzelfde op basis van het principe van herstel van evenwicht. De huwelijkskosten die de ouders betalen worden verondersteld een voordeel te zijn voor degene die getrouwd is - tenzij de ouders dat anders willen. Schenkingen die gebeurden met toestemming van de partner van de schenker worden ook beschouwd als gedaan bij vooruitmaking en buiten erfdeel jegens die laatste, voor zover het tenminste in de schenkingsakte niet anders bepaald werd. Schenkingen of legaten vrijgesteld van inbreng door de schenker-testateur.Er is geen herstel van evenwicht van een schenking of legaat als ze uitdrukkelijk of stilzwijgend bij vooruitmaking en buiten erfdeel gebeurden. Zo kan de schenker uitdrukkelijk zijn wens weergeven in de schenkingsakte of in een akte bij een niet-notariële schenking. Hij kan die ook aangeven in een akte die achteraf in de vorm van een notariële akte wordt gegoten of in een testament wordt omgezet. Als het om een legaat gaat, zal de testateur zijn wil in het testament weergeven. Voorbeeld. Jan geeft aan een van zijn drie zonen, Luc, een bedrag van 400.000 euro, zonder daarbij verdere verklaringen te geven. De schenking moet dus in principe in de erfenis ingebracht worden. Maar Jan kan in zijn testament stellen dat die schenking niet moet worden ingebracht. Als Jan bij zijn overlijden 800.000 euro nalaat, hoe moet dat bezit dan worden verdeeld, bij een inbreng of bij de vrijstelling daarvan? Er is geen vrijstellingLuc moet (fictief) de schenking van 400.000 euro in de erfenis inbrengen. Die erfenis bestaat uit 1,2 miljoen euro (800.000 + 400.000). Elk van de drie kinderen heeft recht op een derde deel van de erfenis, of 400.000 euro. Omdat Luc al 400.000 euro heeft gekregen, zal hij die mogen houden en verder niets uit de erfenis krijgen. Er is een vrijstellingHet beschikbare deel (een vierde van de erfenis waarover de overledene kon beschikken en die dus de schenking bij vooruitmaking en buiten erfdeel omvat) bedraagt 300.000 euro (800.000 + 400.000 : 4). De schenking aan Luc (400.000 euro) overstijgt dat beschikbare deel. Zijn schenking zal dus met 100.000 euro verminderd worden, de overige 300.000 euro mag hij houden. De erfenis (800.000 + 100.000 afgetrokken van de schenking) zal in drie gedeeld worden. Luc zal dus 300.000 euro krijgen, net als zijn twee broers, maar hij houdt ook de 300.000 euro uit het beschikbare deel. Luc zal dus na afloop 600.000 euro gekregen hebben en zijn broers ieder 300.000 euro. De vrijstelling van inbreng kan stilzwijgend zijn, wanneer ze bijvoorbeeld uit de akte zelf kan worden afgeleid (wanneer die akte bijvoorbeeld schikkingen bevat die niet verenigbaar zijn met het inbrengen) of uit de omstandigheden waarin de akte werd opgesteld. Betekent het feit dat men een vermomde of onrechtstreekse handgift gekregen heeft, dat er een stilzwijgende vrijstelling is? In principe niet. Van dergelijke procedures gebruikmaken, houdt nooit a priori in dat de schenker een vrijstelling van inbreng heeft gewenst. Maar dat element kan samen met andere elementen wel dienen om aan te tonen dat de overledene dat wel wenste. De auteur is advocaat aan de Brusselse balie en wetenschappelijk medewerker aan het Centrum voor Privaat Recht (ULB).Emmanuel de Wilde d'Estmael