De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ( CRB) bevestigde begin februari dat de loonontwikkeling in België behoorlijk uit de pas loopt. Voor de periode 1999-2000 beperkte het interprofessioneel akkoord de loonstijging per werknemer tot 5,9%, terwijl er 7,2% uit de bus kwam. Dat is beduidend méér dan de 4,8% in Nederland, Duitsland en Frankrijk. In dezelfde periode bleef ook de groei van de werkgelegenheid in ons land achter op de gemiddelde toename bij de drie grote buren, zowel gemeten in personen (3% tegenover 4,3%), als in arbeidsur...

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ( CRB) bevestigde begin februari dat de loonontwikkeling in België behoorlijk uit de pas loopt. Voor de periode 1999-2000 beperkte het interprofessioneel akkoord de loonstijging per werknemer tot 5,9%, terwijl er 7,2% uit de bus kwam. Dat is beduidend méér dan de 4,8% in Nederland, Duitsland en Frankrijk. In dezelfde periode bleef ook de groei van de werkgelegenheid in ons land achter op de gemiddelde toename bij de drie grote buren, zowel gemeten in personen (3% tegenover 4,3%), als in arbeidsuren (2,8% tegenover 3,1%). De CRB, samengesteld met vertegenwoordigers uit patronale en syndicale hoek, legde meteen een verklaring op tafel voor de loonontsporing. Alles speelt zich af in de sectoren K en I uit de nationale rekeningen (zie ook kader: Sluipende belastingverhoging). Sector K buigt zich over de "exploitatie van en handel in onroerend goed, verhuur en zakelijke dienstverlening", terwijl I staat voor "vervoer, opslag en communicatie". Volgens de CRB stegen de loonkosten in de periode 1999-2000 in sector K met 19% en in sector I met 11,1%, terwijl de rest van de privé-sector met 4,5% ruim binnen de marge van het interprofessioneel akkoord bleef. Uit het uitgebreide, niet publiekelijk verspreide rapport van de CRB blijkt dat de loonstijging in sector K enorm afwijkt van de drie buurlanden. Tegenover de toename met 19% in België staat 10,3% in Nederland, 3,9% in Frankrijk en 1,2% in Duitsland. "Merkwaardig," zo luidt de eerste reactie van experts bij de Oeso in Parijs. Na enkele dagen klinkt het overtuigender: "De uitersten in de Belgische en Duitse cijfers zijn bijna zeker de oorzaak van statistische verwarring." Op de CRB geeft men toe dat de afbakening van de werkgelegenheid in sectoren niet altijd waterdicht aansluit bij de verdeling van de loonmassa. Ook sector I vertoont trouwens een opmerkelijke afwijking ten opzichte van de drie buurlanden: 11,1% bij ons tegenover gemiddeld 3,4%. In hetzelfde rapport wijst de CRB bij de loonontsporing in sector K nadrukkelijk naar subsector 72, de sector van de informaticadiensten. Uit deze vermaning kan men afleiden dat de loonstijging binnen deze subsector nog groter uitvalt dan de (vermeende) 19%. Twee andere gegevens spreken dit echter sterk tegen. Ten eerste: in de herfst van 2001 verrichtte de Belgische beroepsvereniging van softwarehuizen Insea een uitgebreide steekproef van individuele loongegevens uit die sector. De loonkosten zouden er met 12% toegenomen zijn. Ten tweede: de balansgegevens van subsector 72 leren dat er in de periode 1999-2000 een toename van de loonkosten per werknemer van 9% te registreren viel. Al die gegevens zetten de conclusies van de CRB op losse schroeven. De loonontsporing die men nu volledig toeschrijft aan de sectoren K en I zit nagenoeg zeker breder verspreid dan de publieke mededeling van de CRB laat vermoeden.