De voorbije vijftig jaar werd niet minder dan 2,3 biljoen dollar (1,55 biljoen euro) aan ontwikkelingshulp besteed. De Amerikaanse hoogleraar William Easterly vindt dat het allemaal een maat voor niets was. De titel van zijn boek: The White Man's Burden. Waarom heeft ontwikkelingshulp meer kwaad dan goed gedaan? verwijst naar een gedicht van Rudyard Kipling uit 1899, waarin hij de witte man oproept het lot van de arme, zwarte man op zijn schouders te nemen. De stelling van Easterly luidt dat ontwikkelingshulp nuttig kan zijn, op voorwaarde dat de aanpak van de voorbije halve eeuw volledig herzien wordt. Easterly kent de materie: zestien jaar lang was hij als economist verbonden aan de Wereldbank. Het verschafte hem een breed inzicht in wat zich achter de coulissen van de ontwikkelingshulp afspeelt.
...

De voorbije vijftig jaar werd niet minder dan 2,3 biljoen dollar (1,55 biljoen euro) aan ontwikkelingshulp besteed. De Amerikaanse hoogleraar William Easterly vindt dat het allemaal een maat voor niets was. De titel van zijn boek: The White Man's Burden. Waarom heeft ontwikkelingshulp meer kwaad dan goed gedaan? verwijst naar een gedicht van Rudyard Kipling uit 1899, waarin hij de witte man oproept het lot van de arme, zwarte man op zijn schouders te nemen. De stelling van Easterly luidt dat ontwikkelingshulp nuttig kan zijn, op voorwaarde dat de aanpak van de voorbije halve eeuw volledig herzien wordt. Easterly kent de materie: zestien jaar lang was hij als economist verbonden aan de Wereldbank. Het verschafte hem een breed inzicht in wat zich achter de coulissen van de ontwikkelingshulp afspeelt. Wanneer hij het over ontwikkelingshulp heeft, maakt Easterly een onderscheid tussen 'zoekers' en 'planners', waarbij deze laatste groep de krijtlijnen van het ontwikkelingsbeleid uittekent. Hun benadering is ideologisch. Armoede, zo oordelen ze, is een zuiver technisch probleem waar een arsenaal aan instrumenten tegen bestaat. Landen zijn ook niet zomaar 'arm'; ze bevinden zich in een ontwikkelingsproces met een deterministische finaliteit: ontwikkeld raken - een beetje hun eigen ' end of history'. Aan hun benadering kleeft een zweem van marxisme. Zoals alles moet wijken voor de wereldrevolutie, plaatst ook de ontwikkelingslobby ideologie boven de vrije keuze van landen om een eigen weg te kiezen. Abstracte doelstellingen als een 'marktvriendelijk beleid' of een 'goed investeringsklimaat' staan bovenaan de agenda van deze ontwikkelingsapostels. De vrijheid van het individu en de volkeren bengelt daarentegen onderaan. Vaak vloekt de realiteit op het terrein met de theorie, en toch doet dit geen afbreuk aan hun overtuiging. Stelselmatig hebben ze trouwens het antwoord op het gestelde probleem gewijzigd. Eerst was het recept 'investeringen en industrialisatie', vervolgens 'marktgerichte hervormingen van het overheidsbeleid' en na een paar tussenstadia luidt het vandaag 'globalisering' of 'strategie om de millenniumdoelstellingen te behalen'. Dit heeft een naam in de psychiatrie: het 'borderlinesyndroom'. Voor ontwikkelingsdeskundigen, zo analyseert Easterly, is het een manier van leven. Hoe het dan wel zou moeten gebeuren? Met de mentaliteit van een 'zoeker'. Niet schermen met grote, globale plannen, wel een bottom-up benadering volgen. De realiteit van het terrein moet het vertrekpunt zijn, zonder ideologische vooringenomenheid. Een dergelijk casuïstische en piecemeal aanpak is de beste garantie om resultaten te boeken. Landen die snel groeien, blijken vaak een verbluffend aantal wegen gevolgd te hebben, niet dat ene grote plan dat op de tekentafels van de ontwikkelingsdeskundigen gestalte kreeg. Dit verhaal van 'planners' en 'zoekers' wordt met talrijke illustraties gestaafd. Een voorbeeld: wereldwijd sterft elke dertig seconden een kind aan malaria, 80 % van hen in Afrika. Toch zou het gebruik van muskietennetten het aantal infecties met de helft kunnen indijken. Planners, zo stelt Easterly, zullen deze situatie beantwoorden door dergelijke netten gratis uit te delen. Iedereen een net en klaar is Kees, althans in theorie. Dit gebeurde in Zambia. Alleen bleek na enige tijd 70 % van de mensen er geen gebruik van te maken. De netten belandden op de zwarte markt of werden zelfs als visnet of bruidssluier gebruikt. In buurland Malawi was de aanpak helemaal anders. In de steden werden ze voor 5 dollar verkocht en de gemaakte winst diende om een preventiecampagne én een lagere prijs van 50 cent op het platteland te subsidiëren. Deze aanpak blijkt zijn vruchten af te werpen en het aantal kinderen jonger dan vijf jaar dat daadwerkelijk onder zo een net slaapt steeg van 8 % in 2000 naar 55 % in 2004. Malaria wordt er in zijn geheel niet mee uitgeroeid, maar het is wellicht het beste resultaat dat erin zit. Zou dit overal lukken? Wellicht niet. En misschien kan het gratis verstrekken van netten op sommige plaatsen een oplossing brengen. Bepalen wat waar nuttig kan zijn, is precies de taak van 'zoekers'. (T) WILLIAM EASTERLY, THE WHITE MAN'S BURDEN. WAAROM HEEFT ONTWIKKELINGSHULP MEER KWAAD DAN GOED GEDAAN?, AMSTERDAM, NIEUW AMSTERDAM UITGEVERS, 2007, 432P, 27,50 EURO. MVD