Steeds meer Belgen beseffen dat hun wettelijk pensioen te laag zal zijn om hun levensstandaard te behouden nadat ze zijn gestopt met werken. Daarom worden aanvullende pensioenvormen almaar populairder. Naast de eerste pijler, het wettelijk pensioen, zijn de tweede en de derde pensioenpijler gegroeid. De tweede pijler bestaat uit de groepsverzekering en het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ). Zowel werknemers als zelfstandigen met een vennootschap kunnen een groepsverzekering afsluiten; het VAPZ is enkel toegankelijk voor zelfstandigen. Tot de derde pensioenpijler behoren individuele spaarformules die voor iedereen openstaan en een fiscaal voordeel opleveren: de pensioenspaarverzekering of het pensioenspaarfonds (maximaal 940 euro per persoon per jaar) en de fiscale tak21-levensverzekering (maximaal 2260 euro per jaar).
...

Steeds meer Belgen beseffen dat hun wettelijk pensioen te laag zal zijn om hun levensstandaard te behouden nadat ze zijn gestopt met werken. Daarom worden aanvullende pensioenvormen almaar populairder. Naast de eerste pijler, het wettelijk pensioen, zijn de tweede en de derde pensioenpijler gegroeid. De tweede pijler bestaat uit de groepsverzekering en het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ). Zowel werknemers als zelfstandigen met een vennootschap kunnen een groepsverzekering afsluiten; het VAPZ is enkel toegankelijk voor zelfstandigen. Tot de derde pensioenpijler behoren individuele spaarformules die voor iedereen openstaan en een fiscaal voordeel opleveren: de pensioenspaarverzekering of het pensioenspaarfonds (maximaal 940 euro per persoon per jaar) en de fiscale tak21-levensverzekering (maximaal 2260 euro per jaar). Voor werknemers en zelfstandigen die zaakvoerder of bedrijfsleider van een vennootschap zijn, is de groepsverzekering een interessante spaarformule. Door premies te storten wordt een kapitaal opgebouwd dat wordt uitgekeerd aan de verzekerde wanneer die met pensioen gaat. Overlijdt hij voor die datum, dan gaat het kapitaal naar de begunstigde die in het contract is aangewezen. Ofwel betaalt de werkgever (of de vennootschap) alle premies, ofwel betalen de werkgever en de werknemer (of de bedrijfsleider) die samen. De bedragen die de werkgever stort, zijn aftrekbare kosten als de zogenoemde 80 procentregel wordt nageleefd. Dat betekent dat de premies alleen aftrekbaar zijn als het pensioen dat via de groepsverzekering wordt opgebouwd, samen met het wettelijk pensioen van de werknemer op jaarbasis niet meer bedraagt dan 80 procent van diens laatste normale brutobezoldiging. De persoonlijke bijdragen die de werknemer betaalt, geven hem recht op een belastingvermindering van 30 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting). Het kapitaal van een groepsverzekering kan normaal gesproken niet voor 60 jaar worden opgevraagd. Tegenover de fiscale voordelen die aan de premies zijn verbonden, staat een belasting bij de uitkering van het eindbedrag. Dat wordt eerst onderworpen aan een solidariteitsbijdrage van maximaal 2 procent en aan de Riziv-bijdrage van 3,55 procent. Daarna wordt het kapitaal -- de gestorte premies en het gegarandeerde rendement -- eenmalig belast bij de werknemer. Wacht die tot zijn 65ste om het geld op te vragen en heeft hij de drie voorafgaande jaren ononderbroken gewerkt, dan betaalt hij daarop slechts een belasting van 10 procent. Dat tarief stijgt geleidelijk naarmate hij zich het geld vroeger laat uitkeren. Een opvraging tussen 62 en 64 jaar wordt belast tegen 16,5 procent; op 61 jaar is dat 18 procent en op 60 jaar 20 procent. Voor het deel van het kapitaal dat is opgebouwd met persoonlijke bijdragen van de werknemer, geldt een tarief van 10 procent voor uitkeringen vanaf 60 jaar. Gebeurt de uitbetaling daarvoor, dan bedraagt het tarief doorgaans 33 procent. Overlijdt de verzekerde vóór de einddatum van het contract, dan wordt het kapitaal uitbetaald aan de begunstigde; de heffing bedraagt dan 16,5 procent. Alle vermelde tarieven moeten worden verhoogd met de gemeentebelasting. Ook het VAPZ behoort tot de tweede pensioenpijler. Die formule is enkel toegankelijk voor zelfstandigen, ongeacht of ze actief zijn in een vennootschap. Het VAPZ is fiscaal heel interessant, omdat de premies niet alleen aftrekbaar zijn tegen het hoogste tarief van 50 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting), maar ook omdat het de zelfstandige toelaat drie jaar na de aftrek van de premies minder sociale bijdragen te betalen. De maximale premie die hij per jaar kan betalen, bedraagt 8,17 procent van het inkomen waarop de sociale bijdragen worden berekend, met een plafond tot 3017,73 euro per jaar (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013). Sinds enkele jaren bestaat ook het sociale VAPZ. Daarmee bouwt de verzekerde niet alleen pensioenrechten op, het geeft ook voordelen bij een invaliditeit of werkongeschiktheid. Voor een sociaal VAPZ mag een premie tot 9,4 procent van het inkomen worden gestort, met een maximum van 3472,05 euro. Goed om te weten is dat een zelfstandige die actief is in een vennootschap, een groepsverzekering kan combineren met een VAPZ, maar voor beide samen geldt wel de 80 procentregel (zie hoger). Een VAPZ biedt een gegarandeerd rendement van ongeveer 2 procent per jaar. Daarbovenop wordt eventueel een winstdeelneming toegekend, die afhangt van de resultaten van de verzekeraar. De winstdeelneming is niet gegarandeerd. Het contract loopt af als de verzekerde met pensioen gaat of voor zijn pensioen overlijdt. Bij de uitkering zijn op het gewaarborgde kapitaal belastingen verschuldigd; de winstdeelnemingen zijn belastingvrij. De belasting wordt berekend op basis van een fictieve rente. Dat betekent dat jaarlijks een klein deel van het eindkapitaal (tussen 1 à 5 %) bij het pensioen wordt gevoegd. Aangezien het wettelijke pensioen van zelfstandigen laag is, komen die bedragen doorgaans in lage belastingschijven terecht en blijft de belastingdruk beperkt. In de meeste gevallen draagt de verzekerde ongeveer 13 à 15 procent af op het eindkapitaal. Ook hier is er een voordeeltarief: blijft de verzekerde werken tot aan zijn wettelijke pensioenleeftijd en int hij het eindkapitaal ten vroegste op die leeftijd, dan wordt slechts 80 procent ervan omgezet in een fictieve rente. Bij het fiscale pensioensparen is er de keuze tussen een pensioenspaarverzekering en een pensioenspaarfonds. Het belangrijkste verschil tussen beide producten is dat een fonds geen zekerheid biedt over het rendement en dat de verzekerde niet de garantie heeft dat zijn kapitaal behouden blijft. Dat komt doordat een belangrijk deel van de betaalde premies wordt belegd in aandelen. Op een pensioenspaarverzekering krijgt de verzekerde momenteel een gegarandeerd jaarlijks rendement rond 2 procent en een winstdeelneming die afhangt van de resultaten die de verzekeraar behaalt. Op lange termijn brengt een pensioenspaarfonds doorgaans meer op dan een pensioenspaarverzekering. Gezien het risico dat is verbonden aan een pensioenspaarfonds, doet de spaarder er verstandig aan tien jaar voor zijn pensioenleeftijd over te stappen naar een pensioenspaarverzekering (of naar een defensief pensioenspaarfonds). Voor een pensioenspaarverzekering en een pensioenspaarfonds mag de spaarder maximaal 940 euro per jaar storten (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013). Die premie geeft recht op een belastingvermindering van 30 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting). Het eindkapitaal voor 60 jaar opvragen is absoluut af te raden,want dat wordt fiscaal zwaar afgestraft (33 % belasting, plus de gemeentebelasting). Op de 60ste verjaardag van de spaarder wordt 10 procent van het kapitaal afgehouden; die eindbelasting is bevrijdend. Wie na zijn 55ste begint met pensioensparen en ten minste vijf stortingen heeft gedaan, betaalt die heffing op de tiende verjaardag van de eerste storting. Spaarders hoeven niet te stoppen met het pensioensparen op hun 60ste, nadat de belasting van 10 procent is afgehouden. Ze kunnen daarmee doorgaan tot en met 64 jaar. Tussen hun 60ste en 64ste kunnen ze nog vijf keer een premie betalen, waarop ze opnieuw een fiscaal voordeel krijgen. Op het kapitaal dat ze in die jaren opbouwen, is geen belasting verschuldigd. Het is ook mogelijk een fiscale tak21-levensverzekering af te sluiten. De premies geven recht op een belastingvoordeel van 30 procent (plus de uitgespaarde gemeentebelasting). Het maximaal aftrekbare bedrag wordt elk jaar geïndexeerd en bedraagt voor dit jaar 2260 euro per persoon. Wie nog een hypothecair krediet aflost, heeft doorgaans weinig of geen ruimte om premies voor een fiscale tak21 in mindering te brengen. Dat komt omdat voorrang wordt gegeven aan de aftrek van de kapitaalaflossingen, de intresten en de premies van de schuldsaldoverzekering voor een woninglening. Daarom is het vaak interessanter te wachten om zo'n levensverzekering af te sluiten tot de woninglening volledig is terugbetaald. Het rendement van een individuele levensverzekering ligt rond 2 procent per jaar, plus de niet-gewaarborgde winstdeelneming. Op de 60ste verjaardag van de verzekerde wordt op de opgebouwde spaarreserve in principe een belasting van 10 procent ingehouden; de winstdeelneming is ook hier belastingvrij. Sluit hij de polis af na zijn 55ste, dan wordt die belasting pas na tien jaar afgehouden. Ook die heffing is de definitieve eindbelasting. Zelfs de eerste, de tweede en de derde pensioenpijler zullen doorgaans niet volstaan om zorgeloos met pensioen te kunnen gaan. Daarom is een extra aanvulling via de vierde pensioenpijler absoluut aan te raden. Daaronder vallen individuele spaarinspanningen, waar geen fiscale voordelen aan zijn verbonden. Ook een woning en andere onroerende goederen behoren tot die vierde pijler. De gezinswoning bezorgt de eigenaar geen tastbare aanvulling van zijn pensioen; wel geeft ze meer fiscale ademruimte als hij geen lening of huur hoeft te betalen. Heeft hij nog andere onroerende goederen en verhuurt hij die, dan vormen de huurinkomsten wel een belangrijke aanvulling van zijn pensioen. Voor wie geen tweede woning heeft, is het belangrijk dat hij tijdens de actieve loopbaan een kapitaal opbouwt dat tijdens het pensioen inkomsten oplevert. Het is raadzaam daar zo vroeg mogelijk mee te beginnen. Spaarders die meer dan tien jaar van hun pensioen verwijderd zijn, mogen overwegend beleggen in aandelen en aandelenfondsen. Vanaf 55 jaar kiezen ze het beste voor vastrentende beleggingen, zoals obligaties, kasbons, staatsbons en tak21-producten. Hoe dan ook is het belangrijk periodiek te beleggen -- dat wil zeggen: vaste bedragen te storten over een lange periode. Dat vermindert de risico's. Het is ook mogelijk tak23- en tak26-verzekeringsproducten te gebruiken om een extra pensioenkapitaal op te bouwen. Een tak23 is een levensverzekering waarvan de premies worden gestort in een beleggingsfonds. In tegenstelling tot een tak21 is er geen vast rendement. Een tak26 is een kapitalisatieverzekering met een gewaarborgd minimumrendement, eventueel verhoogd met een winstdeelneming. Tak26-producten verschillen van tak21- en tak 23-levensverzekeringen doordat er geen verzekerde, geen begunstigde en geen overlijdensdekking is. Op die manier zijn ze verwant aan het klassieke spaarboekje, behalve dat de opbrengsten van een tak26 niet fiscaal zijn vrijgesteld. Er zijn banken en verzekeraars die een specifiek spaarconcept hebben gecreëerd voor cliënten die willen sparen voor hun pensioen. Sommige bestaan uit een combinatie van een tak21 en een tak23. Met een deel van de premies wordt dan een gegarandeerd kapitaal opgebouwd; het andere deel wordt geïnvesteerd in beleggingsfondsen, wat meer risico's inhoudt. Naarmate de einddatum van het pensioenspaarplan nadert, belegt de bank of de verzekeraar minder premies in aandelen en meer in obligaties, zodat het risico afneemt. Omdat er geen fiscale voordelen zijn in de opbouwfase van het pensioenkapitaal, betaalt de verzekerde geen eindbelasting.JOHAN STEENACKERSOp lange termijn brengt een pensioen-spaarfonds doorgaans meer op dan een pensioenspaarverzekering. Het vrij aanvullend pensioen is voor een zelfstandige fiscaal de interessantste manier om zijn wettelijk pensioen aan te vullen.