PATRICK CLAERHOUT, FOTOGRAFIE JONAS HAMERS (IG)
...

PATRICK CLAERHOUT, FOTOGRAFIE JONAS HAMERS (IG)Voor bestaande groepsverzekeringscontracten is er voorlopig geen probleem. Enkel voor de nieuwe contracten willen we de minimaal gegarandeerde rente verlagen", beklemtonen Bart De Smet en Philippe Colle, respectievelijk voorzitter en gedelegeerd bestuurder van de sectorfederatie Assuralia. De verzekeringsmaatschappijen, die beter door de financiële crisis kwamen dan de banken, maken zich zorgen over de lage rente - en vooral over het vooruitzicht dat ze nog jaren laag kan blijven. Verzekeraars hebben vooral verplichtingen op lange termijn en een langere periode van lage rente maakt het hun moeilijk een minimumrendement te waarborgen. Daarom willen ze de gegarandeerde rente van bepaalde verzekeringsproducten verlagen. Voor Tak21- en individuele levensverzekeringen hebben ze dat al gedaan. De gegarandeerde rente van die producten situeert zich nu tussen 2 en 2,5 procent. Ooit waren rentetarieven van 3,25 tot 4,75 procent legio. In groepsverzekeringen kan de minimaal gegarandeerde rente echter niet zomaar aangepast worden. Die verzekeringen zijn bedoeld om de werknemers van ondernemingen een aanvullend pensioen te bezorgen (zie kader Zeg niet pensioenfonds tegen een groepsverzekering). En de wet op de aanvullende pensioenen bepaalt dat de werkgever een minimumrendement moet waarborgen van 3,25 procent op zijn eigen bijdrage en van 3,75 procent op de werknemersbijdrage. Tot dusver namen de verzekeraars die verplichting van de werkgever over, maar de lage rente maakt het moeilijk om dat nog waar te maken. Het probleem doorschuiven naar de werkgevers, hun klanten, willen ze liever niet doen: "Wij vinden geen beleggingen die op elk ogenblik deze rendementsgarantie bieden. Dan kan je dat ook niet verwachten van werkgevers, die weinig of geen beleggingsexpertise hebben. Dat zou niet logisch zijn", beseft Ageas-topman Bart De Smet. Eigenaardig genoeg vinden de pen-sioenfondsen een verlaging van de gegarandeerde minima dan weer niét opportuun. Philip Neyt, voorzitter van de Belgische vereniging van pensioeninstellingen, vindt dat de verzekeraars te veel op de korte termijn focussen. De lage rente is hoogstwaarschijnlijk een tijdelijk fenomeen, argumenteert hij. Op lange termijn overschrijden de rendementsverwachtingen ruimschoots de 3,25 procent. PHILIPPE COLLE. "Er is een fundamenteel verschil tussen een groepsverzekeraar en een pensioenfonds: wij geven een resultaatsverbintenis, pensioenfondsen niet. Als zij de doelstelling niet halen, draait de werkgever ervoor op. Ik lees in het jaarverslag van de toezichthouder dat 125 pensioenfondsen in 2008-2009 een herstelplan hebben moeten voorleggen, wat betekent dat ze hun verplichtingen niet konden nakomen en de werkgever moet bijspringen. In 2011 waren het er 66. Zo gemakkelijk is het blijkbaar toch niet. In de gegeven omstandigheden beweren dat er geen probleem is, vind ik bizar." BART DE SMET. ( sussend) "Wij viseren de pensioenfondsen niet. We roepen, in het belang van de werkgever, op tot voorzichtigheid. Het probleem van onvoldoende rendement is in de eerste plaats zijn probleem. Ultiem is de werkgever verantwoordelijk voor de rendementsgarantie. Wij zouden kunnen beslissen om de gegarandeerde rente niet meer volledig te verzekeren, maar dan zeggen we tegen onze klanten: nu moeten jullie het zelf maar uitzoeken. "In de huidige omstandigheden is het garanderen van 3,75 procent rendement voor nieuwe premies niet langer verantwoord. Wij vinden geen beleggingen met zo'n garantie, tenzij we risico's zouden opzoeken, maar dat is niet de bedoeling. Daarom vinden we dat de regelgeving over de minimumgarantie herzien moet worden." DE SMET. "Het klopt dat ons verzoek niet nieuw is. Maar de voorbije jaren stond de rente nog op een redelijk niveau. Nu is er een historisch dieptepunt, de cijfers liegen niet. Als we er nu niet in slagen de toezichthouders en politici te overtuigen dat de gegarandeerde rente te hoog is, hebben we een probleem." DE SMET. "Niet noodzakelijk, maar aan een groepsverzekering zit wel degelijk een resultaatsverbintenis. En het geld dat vandaag binnenkomt, moet je ook vandaag beleggen. Je zou dat op de korte termijn kunnen doen, omdat je gelooft dat de rente zal stijgen. Maar dat is niet zeker. Zes maanden geleden flirtten we in België met een rente op overheidsobligaties (tien jaar) van 6 procent, nu zitten we onder 3 procent. Als verzekeraar kunnen wij niet gokken op wat we denken dat de marktrente zal doen. Wij moeten de looptijd van onze verplichtingen en onze beleggingen zo veel mogelijk doen matchen. Trouwens, als achteraf zou blijken dat het allemaal meevalt, kunnen we via het mechanisme van de winstdeelname het extra rendement aan de verzekerden uitkeren." DE SMET. "Dat is wat wij voorstellen: dat er voor nieuwe stortingen een formule komt waarbij de gegarandeerde rente gekoppeld wordt aan de marktrente, en periodiek aangepast wordt. We spreken hier toch over aanvullende pensioenen, iets waar de mensen op rekenen. Als we vandaag iets garanderen, moeten we het over twintig jaar kunnen waarmaken." DE SMET. "Kijk naar Japan. Ik beweer niet dat we met Europa die weg op gaan, maar het valt ook niet uit te sluiten. Als verzekeraars moeten wij rekening houden met alle mogelijke scenario's." DE SMET. "De inkomsten uit beleggingen uit het verleden liggen nog altijd hoger dan wat we onze klanten moeten uitbetalen. Daar is geen reden tot paniek. Maar er zijn altijd beleggingen die op vervaldag komen, en die we tegen minder gunstige voorwaarden moeten herinvesteren, dat is juist. Het herinvesteringsrisico is echter beperkt. Verzekeraars doen er alles aan om de looptijden van beleggingen en verplichtingen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. Vaak houden we effecten van tien of twintig jaar aan. En we hebben nog voldoende marge op onze reserves. De gezamenlijke reserves van de groepsverzekeraars in België bedragen 40 tot 45 miljard, met een solvabiliteitsbuffer van 8 procent daar bovenop. De pensioenverplichtingen komen dus helemaal niet in het gedrang." COLLE. "Absoluut. Als we dan nog met een lage marktrente zitten terwijl de wetgever hogere rentes oplegt, zit je als verzekeraar met een bijkomend risico, en daar moet onder Solvency II kapitaal tegenover staan. Onder Solvency II zullen de verzekeraars dus verplicht zijn bijkomend kapitaal te injecteren als ze de wettelijke rendementsgarantie willen blijven aanbieden aan hun klanten. Dat is een extra kostprijs. Ik kan me voorstellen dat bepaalde verzekeraars zullen denken: bieden we dat product nog wel aan? Blijven we nog actief in groepsverzekeringen?" DE SMET. "Dat is natuurlijk niet voor morgen. Maar vergis u niet: de grote verzekeraars maken wel degelijk deze reflecties. Het besef groeit dat kapitaal schaars is en dat men keuzes moet maken: waar wordt het kapitaal het best ingezet? Waar rendeert het het best? Als je in groepsverzekeringen verlies lijdt, is het duidelijk dat daar als aandeelhouder nog weinig te halen is." COLLE. "We zien dat al duidelijk in een ander segment: de hospitalisatieverzekering. Daar worden we geconfronteerd met reglementering die niet meer overeenkomt met de economische realiteit. Wat is het resultaat? Dat er maar een vijftal belangrijke spelers overblijft in België, en daarvan zijn er nog maar drie die individuele hospitalisatieverzekeringen aanbieden." COLLE. "Verzekeraars mogen wel de premies indexeren, maar niet de achterliggende vergrijzingsreserves. Dat laat de in 2009 gewijzigde wetgeving niet toe. Hospitalisatieverzekeringen zijn levenslang. Die reserves worden dus aangelegd om verplichtingen over twintig, dertig of veertig jaar na te komen. Maar in de jongste acht jaar zijn de gezondheidsuitgaven met 63 procent gestegen. Het is dan ook van groot belang dat de reserves die in het verleden aangelegd zijn, geïndexeerd kunnen worden om de stijgende kosten van de gezondheidsuitgaven te volgen. Als dat niet kan, worden de verzekeraars op korte termijn gedwongen deficitair te werken." DE SMET. "Hoe lager de rente, hoe lager de aantrekkingskracht, dat is nu eenmaal zo. Maar ook andere producten, zoals het spaarboekje, worden geconfronteerd met renteverlagingen. Er kan een weerslag op de premie-inkomsten zijn, maar het heeft voor verzekeraars geen zin om volume binnen te halen als er op elke euro premie een verlies gemaakt wordt. Dan kan je beter een vermindering van het volume slikken." DE SMET. "Een belangrijk deel van wat een verzekeraar ontvangt en later moet uitbetalen, heeft hij opzijgezet. Daarom is de kans op een liquiditeitsprobleem klein. Daar zijn banken kwetsbaarder voor, als bijvoorbeeld de interbancaire markt droogvalt. Wat er wel kan gebeuren, is dat de totale reserves dalen en dus ook de financiële opbrengsten. In zo'n scenario ontstaat er druk op de rendabiliteit en de kostenpositie van de verzekeraar. Misschien word je dan wel genoodzaakt de vaste kosten te verlagen, dat kan. Maar daar zijn we in de Belgische levensverzekeringssector nog helemaal niet aan toe. We hebben nog veel contracten met recurrente premie-inkomsten." "Voor nieuwe stortingen vragen we een formule waarbij de gegarandeerde rente gekoppeld wordt aan de marktrente, en periodiek aangepast wordt" Bart De Smet