Vier vrienden zitten samen op restaurant. Ze beslissen om de rekening samen te voegen en door vier te delen. Gevolg? Geen van de vier is geneigd om een goedkoper menu te nemen. Elk extraatje dat een disgenoot bestelt, kost hem slechts een kwart extra van de totale prijs. De rekening wordt toch gelijk verdeeld.
...

Vier vrienden zitten samen op restaurant. Ze beslissen om de rekening samen te voegen en door vier te delen. Gevolg? Geen van de vier is geneigd om een goedkoper menu te nemen. Elk extraatje dat een disgenoot bestelt, kost hem slechts een kwart extra van de totale prijs. De rekening wordt toch gelijk verdeeld. Het restaurantvoorbeeld is ook van toepassing op het Belgisch federalisme en het verklaart meteen waarom het zo slecht functioneert. De verscheidene overheden krijgen amper een impuls om spaarzaam te zijn. De federale regering herverdeelt in België de nationaal geïnde middelen onder de regio's, of de deelstaten nu een goed beleid voeren of niet. Dat heet chequeboekfederalisme. De federale staat betaalt en de regio's geven het geld uit. De situatie is de achilleshiel van ons financieel federalisme. De Belgische gewesten en gemeenschappen zijn voor hun uitgaven in belangrijke mate afhankelijk van federale dotaties. Die waren in 2007 goed voor 68,76 procent van de inkomsten van de deelstaten (zie tabel Financieringbronnen van deelstaten en lokale overheden). Het is in federale staten niet ongebruikelijk dat er geld naar deelstaten stroomt. Het is gemakkelijker om bevoegdheden over te dragen die betrekking hebben op de uitgaven (uitgaven- bevoegdheden) dan de decentralisatie van de middelenbevoegdheden, meer eigen fiscale armslag. De Leuvense econoom Koen Algoed waarschuwt echter voor de perverse gevolgen van dit systeem. De deelstaten ontwikkelen een sterke transferafhankelijkheid. Te sterk in ons land. De band tussen de overheid die beslist over de uitgaven en de overheid die voor de financiering zorgt, is in België te groot. Ook al hebben de deelstaten gedeeltelijk fiscale bevoegdheden - bijvoorbeeld voor de registratierechten, de onroerende voorheffing, enzovoort - het systeem werkt niet. Als er extra middelen nodig zijn, kloppen de deelstaten aan bij de federale overheid en die fungeert dan als een soort derde betaler. Dit federalisme van de blanco cheque is niet langer houdbaar en het leidt tot een raid op de federale schatkist. Volgens Algoed zijn de staatshervormingen die de gemeenschappen herfinancieren van 1993 en 2001 daar de beste - of slechtste - voorbeelden van. Bovendien is er in België sprake van een 'inkomensparadox'. De gewesten krijgen een deel van de federaal geïnde personenbelasting op basis van hun bijdrage tot de nationale personenbelasting. Maar de regio's waarvan de opbrengsten uit de personenbelasting lager liggen dan het nationale gemiddelde krijgen via een solidariteitsmechanisme extra dotaties. Dat is het geval bij Wallonië en Brussel. Dit mechanisme zet hen er dus niet toe aan om een efficiënter beleid te voeren. Bijvoorbeeld mensen uit de werkloosheid halen en zo meer bij te dragen tot de personenbelasting. Door dit perverse systeem verliezen die regio's meer solidariteitsgeld bij een efficiënt beleid dan ze er via een hogere bijdrage aan de personenbelasting bij winnen. Zowat alle experts zijn het erover eens dat alleen een diepgaande staatshervorming kan bijdragen tot een duurzame economische groei en werkgelegenheid. Maar hoe moet die nieuwe gezonde financiële staatsstructuur er uitzien? De ordewoorden zijn responsabilisering en fiscale autonomie. Het nieuwe financiële federalisme berust dan op vier pijlers: 1. Extra arbeidsmarktbevoegdheden (zoals de controle op werklozen) worden geregionaliseerd en via een bonus-malussysteem worden de regio's beloond of bestraft voor hun beleid. 2. De regio's dragen bij tot de betaling van de vergrijzing door een deel van de pensioenkosten van hun ambtenaren op zich te nemen. 3. De regio's heffen zelf de helft van de personenbelasting, de rest wordt federaal geheven. Daaraan worden uitdovende solidariteitsmechanismen gekoppeld. 4. De vennootschapsbelasting wordt geregionaliseerd. Deze maatregelen gaan veel verder dan wat gemorrel in de marge en leiden tot een totaal nieuw fiscaal federalisme. Al is de term confederalisme hier beter op zijn plaats, gezien het gewicht van de regio's. Volgens Robert Deschamps, econoom aan de universiteit van Namen, kan het Belgische federalisme alleen met responsabilisering betere en efficiëntere resultaten bereiken. Hij is ervan overtuigd dat er ook nood is aan meer coördinatie tussen de beleidsniveaus. "De drie regio's en de federale staat zijn voor zoveel dossiers van elkaar afhankelijk dat een samenwerking in de sterren geschreven staat. De intergewestelijke mobiliteit op de arbeidsmarkt moet bijvoorbeeld verhogen. Maar samenwerking belet niet dat de deelstaten meer bevoegdheden krijgen." "Jaarlijks krijgen de deelstaten een dotatie van 480 miljoen euro voor hun werkgelegenheidsbeleid. Vandaag doen ze met dat geld wat ze willen. Ik stel voor om dat bedrag te verdubbelen door niet alleen het geld voor het activeringsbeleid, maar ook de controle op de werklozen naar de deelstaten over het hevelen", zegt Deschamps. "Het federale niveau formuleert doelstellingen, evalueert en stuurt bij. Bij de evaluatie moet wel rekening worden gehouden met een aantal correctiemechanismen. Een sluiting van Opel Antwerpen is bijvoorbeeld een slechte zaak voor Vlaanderen, maar kan niet op het conto van de Vlaamse regering komen. Zo'n aanpak wordt in Duitsland op een succesvolle manier toegepast." In academische kringen - zowel aan Vlaamse als aan Franstalige kant - wordt al een tijd openlijk gepleit voor zo'n bonus-malussysteem. Paul Van Rompuy (KULeuven) is voorstander om het RVA-budget van de uitkeringen voor langdurige werkzoekenden over te hevelen naar de gewesten. Als een gewest erin slaagt de werkloosheidgraad te laten dalen, dan houdt die regio extra geld over. In het andere geval moet die bijpassen. De deelstaten krijgen dus te maken met de wortel en met de stok. Ook de ULB publiceerde onlangs een studie waarin gepleit wordt voor een bonus-malussysteem. De Vlaming Daan Struyven, verbonden aan de Solvay Business School van de ULB, doktert een model uit waarbij de werkgelegenheidsprestaties tussen de regio's worden vergeleken, maar waarbij negatieve conjunctuurelementen worden weggezuiverd. Bo- vendien wil Struyven een bonus geven aan werknemers die in een ander gewest gaan werken. Belangrijk aan zijn model is dat de winst van een activering op een 50/50-basis wordt verdeeld tussen de federale overheid en de deelstaten. Nu komt het activeringsbeleid van een regio alleen de federale kas ten goede. "Dit systeem heeft het voordeel dat het zowel een verregaande autonomie voor de regio's toelaat als een samenwerking met het federale niveau", treedt Deschamps bij. Deschamps pleit weer voor een partnerschap. "Een samenwerking tussen het federale niveau en de deelstaten kan erin bestaan dat de pensioenleeftijd van de ambtenaren langzaam verhoogt. De incentive voor de regio's zal er zijn als ze de pensioenen mee moeten betalen." Deschamps zit hiermee op dezelfde lijn als socialezekerheidspecialist Bea Cantillon. Zij waarschuwt voor eenzijdige beslissingen van regio's die vooral geld kosten aan de federale schatkist. Bijvoorbeeld de wedden en pensioenen van de ambtenaren, maar ook de regionale beslissing om de opleidingsduur in het hoger onderwijs te verlengen en daarmee de federale betaling van de kinderbijslag te verlengen. Cantillon pleit ervoor om deelbevoegdheden en -budgetten van de sociale zekerheid over te hevelen naar de regio's en daarover afspraken te maken. De regio die de uitgaven kan verminderen, krijgt een beloning. Algoed pleit voor de omzetting van de federale dotaties in een eigen personenbelasting voor de deelstaten. Daarmee hoopt Algoed tot een nieuw omkeerbaar en transparant verdelingssysteem te komen naar het voorbeeld van de Duitse Finanzausgleich. In dit model worden de gewesten bevoegd voor de inning van een kleine helft van de inkomsten uit de personenbelasting. Ze worden net als de federale overheid aandeelhouder in de personenbelasting. Elk niveau wordt dan beloond voor een hogere werkgelegenheidsgraad die niet alleen zorgt voor extra socialezekerheidsbijdragen, maar ook voor extra middelen via de personenbelasting. Met veel transparantere solidariteitsmechanismen zou elk gewest minstens 95 procent van de gemiddelde opbrengst van de gewestelijke personenbelasting ontvangen. Deschamps volgt die aanpak, maar wijst op het gevaar voor fiscale concurrentie. "Een gezond fiscaal federalisme moet vermijden dat een soort fiscale dumping ontstaat. In de personenbelasting moet ook de herverdeling behouden blijven en mag de progressiviteit niet onder druk komen te staan. De regio's kunnen dus een deel van de personenbelasting zelf heffen, maar mogen de tarieven niet op die manier aanpassen dat het voor de 10 procent rijkste Belgen plots zeer interessant wordt om in Vlaanderen te gaan wonen." Econoom Ivan Van de Cloot (Itenera) waarschuwt voor extra fiscale autonomie als wonderoplossing. "Fiscale autonomie: ja, maar intelligent. Sommige belastingen blijven omwille van schaalvoordelen beter federaal geïnd." Soms brengt een regionalisering immers extra administratieve kosten of handhavingkosten met zich mee. Van de Cloot wijst er op dat de gewesten nu al binnen bepaalde marges op- en afcentiemen kunnen toepassen of algemene belastingaftrekken invoeren op het vlak van de personenbelasting. Die marge is beperkt tot 6,75 procent van de opbrengsten die de personenbelasting oplevert. "Omdat de regio's tot op vandaag de beschikbare ruimte niet benutten, lijkt het voorbarig om over te gaan tot een verhoging van de beschikbare marge voor er een evaluatie komt van de genomen maatregelen." Van de Cloot waarschuwt ook voor een al te overhaaste overheveling van andere fiscale bevoegdheden aan de deelstaten. "Als we bijvoorbeeld overgaan tot de overheveling van de volledige bevoegdheid om btw te innen, dan komt het er in de praktijk op neer dat we de dingen alleen maar moeilijker maken. Er is ook nauwelijks marge om de tarieven te differentiëren. In Europa bestaat al een roep om de tarieven nog meer te harmoniseren." Deschamps ziet die regionale vennootschapsbelasting niet echt zitten Hij deelt de bezorgdheid dat belastingconcurrentie leidt tot een soort race to the bottom. Uiteindelijk zouden de regio's dan nauwelijks nog inkomsten trekken omdat ze de erg mobiele ondernemingen naar zich toetrekken. "We moeten dit nuanceren", zegt Van de Cloot. "In Europa stel je onmiskenbaar vast dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting dalen. Toch smelten de ontvangsten uit de vennootschapsbelasting niet weg. De verlagingen van de nominale tarieven gaan dus gepaard met een verbreding van de basis om de vennootschapsbelasting te berekenen. Er zijn dus compenserende maatregelen zoals de terugschroeving van belastingaftrekken en andere preferentiële stelsels. Het kan er ook op wijzen dat de strijd tegen de fiscale ontwijking en fraude is verscherpt en meer succesvol wordt." De Vlaamse werkgeversorganisatie Voka, zelf een voorstander van een regionalisering, heeft al heel wat studiewerk verricht over een Vlaamse vennootschapsbelasting. De scenario's gaan van een stelsel waarbij de gewesten aanvullend op het federale tarief een regionaal tarief kunnen heffen, tot de mogelijkheid om regionale kortingen op de vennootschapsbelasting toe te kennen. Maar dan bestaat het risico dat een bedrijf zijn hoofdzetel of postbus in het gewest plaatst met het meest gunstige fiscale regime. Volgens Voka kan dit vermeden worden door de belastbare winst van ondernemingen met vestigingen in meerdere gewesten uit te splitsen op basis van parameters zoals loonmassa, activa, bedrijfskapitaal of omzet. Op die manier zal de winst die aan een bepaald gewest wordt toegewezen nauw aanleunen bij de reële economische activiteit van de onderneming in dat gewest. Dat zou bijvoorbeeld vermijden dat het Brussels gewest, dat veel hoofdzetels herbergt, met alle opbrengsten gaat lopen. Door Alain Mouton/illustratie: SteveDe band tussen de overheid die beslist over de uitgaven en de overheid die voor de financiering zorgt, is in België te groot. Het federalisme van de blanco cheque leidt tot een raid op de federale schatkist.