Zeven jaar geleden zette Jan De Nul de zaal op stelten tijdens de Trends HR Awards. "Er is in België gewoon geen goesting om te werken, omdat het ook zonder werken kan", bruuskeerde de topman van het gelijknamige baggerbedrijf. "Er zijn 6,1 miljoen Belgen op arbeidsleeftijd. Wel, van hen werken er 3,1 miljoen. We hebben zoveel systemen opgebouwd om betaald te worden zonder te werken. Maar we mogen niet vergeten dat die 3,1 miljoen mensen die wel werken, de 8 miljoen anderen die niet werken, moeten onderhouden. (...) Er is maar één oplossing. Doe al die 6,1 miljoen Belgen werken. Bouw de overheid af. Stop met alle prepensioenen. Voer een activeringsbeleid."
...

Zeven jaar geleden zette Jan De Nul de zaal op stelten tijdens de Trends HR Awards. "Er is in België gewoon geen goesting om te werken, omdat het ook zonder werken kan", bruuskeerde de topman van het gelijknamige baggerbedrijf. "Er zijn 6,1 miljoen Belgen op arbeidsleeftijd. Wel, van hen werken er 3,1 miljoen. We hebben zoveel systemen opgebouwd om betaald te worden zonder te werken. Maar we mogen niet vergeten dat die 3,1 miljoen mensen die wel werken, de 8 miljoen anderen die niet werken, moeten onderhouden. (...) Er is maar één oplossing. Doe al die 6,1 miljoen Belgen werken. Bouw de overheid af. Stop met alle prepensioenen. Voer een activeringsbeleid." Jan De Nul ging kort door de bocht. Zo rekende hij ambtenaren niet tot de actieve beroepsbevolking. Maar hij legde de vinger wel op een wonde die tot vandaag blijft etteren: te weinig Belgen op arbeidsleeftijd zijn aan de slag. De voorbije jaren zijn er weliswaar maatregelen genomen om de werkgelegenheid op te krikken, denk aan het gedeeltelijk wegwerken van de loonkostenhandicap, de afbouw van systemen van vervroegd pensioen, de verlaging van de lasten op arbeid en een schuchter activeringsbeleid. Dat neemt niet weg dat de werkgelegenheidsgraad ook in 2020 veel te laag is om de vergrijzing te betalen en de overheidsfinanciën op de rails te krijgen, zelfs zonder de klap die de coronacrisis uitdeelde ( lees blz. 6). "Op het hoogtepunt van de crisis werd twee derde van alle Belgen door de staat betaald: 1 miljoen werknemers in technische werkloosheid, 350.000 zelfstandigen die een overbruggingsrecht kregen, 400.000 structureel werklozen, 400.000 langdurig zieken, 850.000 ambtenaren, 650.000 werknemers in de gezondheidszorg, en 2 miljoen gepensioneerden. De regering heeft de juiste maatregelen genomen, maar het gewicht van de overheid was voor de crisis al veel te groot", zegt hoogleraar economie Rudy Aernoudt ( lees blz. 14). Sinds de speech van Jan De Nul is er beterschap op de arbeidsmarkt, maar de cijfers blijven verbijsterend. In 2018 waren er 6,7 miljoen Belgen in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar. Van hen waren er 4,7 miljoen aan de slag, waren er 1,5 miljoen niet-beroepsactief en waren er 0,5 miljoen op zoek naar werk. Van de tien Belgen op arbeidsleeftijd zijn er dus slechts zeven aan het werk. En van de mensen die niet aan het werk zijn, is slechts één op de vijf op zoek naar werk.De arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) bracht die trieste en ongemakkelijke realiteit vorige week nog eens onder de aandacht, met een pleidooi om veel meer in te zetten op de activering van de niet-actieve beroepsbevolking. "De werklozen vormen maar de top van de ijsberg. De groep niet-actieven onder de waterlijn is veel groter. Willen we onze sociale zekerheid betaalbaar houden, dan moeten we die groep absoluut activeren", zegt Stijn Baert. Een blik op de samenstelling van de niet-actieve beroepsbevolking leert echter dat het niet gemakkelijk wordt om zelfs een klein deel van hen aan de slag te krijgen. Van de ruim 800.000 niet-beroepsactieve Vlamingen is slechts een kleine minderheid meteen inzetbaar. Veel talrijker zijn de mensen die arbeidsongeschikt zijn, de mensen met vervroegd pensioen, de studenten, en de huismannen en huisvrouwen die vrijwillig de arbeidsmarkt verlaten zonder een uitkering te ontvangen. Het is afwachten wat er straks in het federale regeringsakkoord staat. Maar met wat er tot nu op tafel lag, brouw je geen bruisende arbeidsmarkt. Wie ook de meerderheid vormt, de sociaaleconomische koers lijkt naar links af te wijken, richting meer uitgaven en schulden, maar daarom niet richting meer economische groei of werkgelegenheid. Een herstelbeleid lijkt op het federale niveau niet meer mogelijk. "Wie gaat dat blijven betalen?", vroeg Jan De Nul zich in 2013 af. Hij wees naar de 350 aanwezigen in de zaal met de conclusie: "Jullie."