Europese leveranciers van havenuitrusting, spoorlijnen, wegeninfrastructuur en telecommunicatie in Afrika moeten steeds meer het pad ruimen voor goedkopere Chinezen, die bovendien niet lastig doen over corruptie en corporate governance. Ook het Congolese staatsmijnbedrijf Gécamines, dat sinds 1990 geen toegang meer had tot internationale financieringen, krijgt vers geld uit China.
...

Europese leveranciers van havenuitrusting, spoorlijnen, wegeninfrastructuur en telecommunicatie in Afrika moeten steeds meer het pad ruimen voor goedkopere Chinezen, die bovendien niet lastig doen over corruptie en corporate governance. Ook het Congolese staatsmijnbedrijf Gécamines, dat sinds 1990 geen toegang meer had tot internationale financieringen, krijgt vers geld uit China. De Afrikanen bekijken die Chinese opmars met gemengde gevoelens, maar de Chinezen helpen hen vooruit en integreren vlotjes in de alomtegenwoordige informele economie (kinderarbeid incluis). Terwijl Europa baalt van Afrika of hoogstens moraliseert over mensenrechten en democratie, ziet China het marktpotentieel op de lange termijn. Er is een heuse 'industrie van de hypocrisie' ontstaan, waarop westerse academici, politici, diplomaten, media en wereldverbeteraars gedijen met colloquia, seminaries, eindeloze debatten en massa's publicaties over duurzame ontwikkeling, maatschappelijk verantwoord ondernemen en sociale gedragscodes, maar in de praktijk komt daar weinig van terecht. Neem Congo en de plundering van bodemrijkdommen. VN-rapporten en onderzoekscommissies volgden elkaar op. Het Belgische NCP (Nationaal Contactpunt, een cel bij Economische Zaken die de naleving door bedrijven van de Oeso-richtlijnen controleert, zie blz. 24) concludeert bijvoorbeeld dat de Forrest-groep die richtlijnen "zo goed als mogelijk" naleeft en formuleert vage aanbevelingen. Volgens de NGO's heeft het NCP hun dossiers in de zaak-Forrest niet ernstig genomen. Hoeft het te verbazen? Mooipraters en schone schijn hebben een toestand gecreëerd waarin klachten tegen bedrijven makkelijk kunnen worden weggewuifd, "omdat NGO's ondernemers nu eenmaal alleen maar door de mangel willen halen". En ondernemers in Congo hebben recht op begrip, omdat ze opereren in een moeilijke economische omgeving. Politici en diplomaten vergeten dat die moeilijke context in Congo mede het gevolg is van ondoordachte Belgische politiek. Die leidde ertoe dat (vanwege het fel opgeklopte, zogenaamde 'bloedbad van Lubumbashi') de internationale geldkraan dichtging en dat (dankzij de Lusaka-akkoorden) ook plunderaars in de regering van Kinshasa belandden. Het NCP noemt zichzelf geen rechtbank, maar een bemiddellaar die ondernemers een kompas aanbiedt en wil begeleiden. Kan dat, wanneer bijvoorbeeld een advocaat van de Forrest-groep, Bruno Collins, tegelijk in het Luikse advocatenkantoor Marcourt et Collins zakenpartner is van Jean-Claude Marcourt, Waals minister van Economie? Terwijl het Waals Gewest in NCP mee bemiddelt tussen Forrest en de NGO's? Congolezen hopen dat het NCP niet aanleunt bij de 'industrie van de hypocrisie' en verwachten een constructieve bijdrage van ondernemers. Politici, ook het NCP, kunnen daarbij helpen door - méér dan "zo goed als mogelijk" - concrete, transparante mechanismen uit te werken die ondernemers als Forrest in Congo behoeden tegen misbruiken en afpersing. Steeds meer Congolezen, die hun bodemrijkdommen aangewend willen zien voor duurzame ontwikkeling, krijgen een groeiende afkeer van de 'industrie van de hypocrisie'. Dan maar liever westerse bedrijven die "zo goed als mogelijk" werken of Chinezen die geen vrijblijvende preken geven! Erik Bruyland