Heelder bibliotheken werden ondertussen volgeschreven over de oorzaken van het feit dat Europa sedert de jaren tachtig met een hardnekkig werkloosheidsprobleem geconfronteerd wordt. De meeste verklaringen voor dit onverkwikkelijke fenomeen situeren zich langs de vraagzijde van de arbeidsmarkt: te hoge loonkosten, te zware ontslagvergoedingen, te geringe spanning tussen nettoloon en werkloosheidsvergoedingen, te grote starheid in de arbeidsorganisatie enzovoort.
...

Heelder bibliotheken werden ondertussen volgeschreven over de oorzaken van het feit dat Europa sedert de jaren tachtig met een hardnekkig werkloosheidsprobleem geconfronteerd wordt. De meeste verklaringen voor dit onverkwikkelijke fenomeen situeren zich langs de vraagzijde van de arbeidsmarkt: te hoge loonkosten, te zware ontslagvergoedingen, te geringe spanning tussen nettoloon en werkloosheidsvergoedingen, te grote starheid in de arbeidsorganisatie enzovoort.Veel van die opgesomde oorzaken hebben nadrukkelijk te maken met het bestaan van de verzorgingsstaat zoals de West-Europese landen die de voorbije decennia uitbouwden. In de basiskenmerken van die verzorgingsstaat, zo argumenteren Lars Ljunqvist en Thomas Sargent in een recente publicatie (**), kwam echter sedert het begin van de jaren '70 maar bitter weinig verandering. Hoe valt het dan te verklaren dat die welvaartsstaat met nagenoeg dezelfde kenmerken in de jaren '50 en '60 volledige tewerkstelling absoluut niet in de weg stond terwijl ze vanaf de jaren '70 voor een groeiend én steeds meer structureel werkloosheidsprobleem zorgde? De analyse van Ljunqvist en Sargent - de eerste is verbonden aan de Stockholm School of Economics, de tweede aan de Universiteit van Chicago - leidt tot de conclusie dat de impact van de verzorgingsstaat op de tewerkstelling heel anders is naargelang de economische ontwikkeling vrij vlekkeloos en gestaag dan wel wisselvallig en met grote schokken verloopt. Aan belangrijke macro-economische schokken was sedert het begin van de jaren zeventig geen gebrek: twee oliecrisissen, een dollar die op en neer ging tussen 28 frank en 70 frank, de Duitse hereniging, de schuldencrisis van de Derde Wereld, enzovoort. Wanneer bij een gestage economische ontwikkeling mensen werkloos worden, zo argumenteren Ljunqvist en Sargent, zullen ze over het algemeen vrij snel een nieuwe job vinden zonder noemenswaardig verlies van loon. De aantrekkelijkheid van het werkloosheidsregime, zelfs al zijn de uitkeringen vrij hoog, is dan ook vrij gering. Heel anders ligt dat echter wanneer er zich aanzienlijke schokken voordoen die tot belangrijke herstructureringen in het economisch weefsel leiden. Vaak kan het bemachtigen van een nieuwe job in zulke omstandigheden enkel via loonverlies. De aantrekkelijkheid van de werkloosheidsuitkering neemt dan aanzienlijk toe. Maar, eens in de werkloosheid, verliezen werknemers snel veel van de bekwaamheden die nodig zijn om makkelijk inzetbaar te blijven. Zo ontstaat dan structurele of langdurige werkloosheid die bijvoorbeeld in België 70% van het totaal aantal werklozen uitmaakt.(**) Lars Ljungqvist & Thomas Sargent, "The European Unemployment Dilemma", Journal of Political Economy, juni 1998.