Aan het begin van het politieke jaar benadrukken de politici dat de sociaaleconomische en financiële dossiers het meeste aandacht en energie moeten krijgen. Toch zijn ze vooral bezig met de 'moeder aller verkiezingen' in mei. Trends zet de belangrijkste tien economische werven voor de regering-Di Rupo op een rij.
...

Aan het begin van het politieke jaar benadrukken de politici dat de sociaaleconomische en financiële dossiers het meeste aandacht en energie moeten krijgen. Toch zijn ze vooral bezig met de 'moeder aller verkiezingen' in mei. Trends zet de belangrijkste tien economische werven voor de regering-Di Rupo op een rij. Het wekt misschien verbazing dat de afwikkeling van de bad bank Dexia de eerste werf is. Dat is geen toeval. Dit dossier blijft nog geruime tijd als een donkere schaduw over de Belgische publieke financiën en de economie in haar geheel hangen. Het geldt ook als prototype van de manier waarop de regering systematisch de problemen van onze volkshuishouding probeert te minimaliseren of veel rooskleuriger voorstelt dan ze zijn. Het is logisch dat alle regeringen een zo gunstig mogelijk beeld van hun beleid ophangen. Daarin durft de regering-Di Rupo wel heel ver te gaan, bijvoorbeeld over Dexia. Bij de start van de begrotingsgesprekken smukt ze ook systematisch de macro-economische hypothesen op. Een beetje meer groei en een beetje meer inflatie doen wonderen in het verkleinen van de saneringsnoodzaak. Het voorbeeld bij uitstek van de la vie en rose-insteek van de regering zijn de publieke financiën. Ze herhaalt elke keer weer dat zij de toestand van de publieke financiën onder controle heeft. Sla er de verslagen van de Vergrijzingscommissie en de rapporten van het IMF en de OESO op na, en je leert snel dat dit niet zo is. Onze publieke financiën vereisen geen cosmetica en bricolage, maar een grondige revisie, inclusief de fundamenten van het hele gebouw. Nog een mooi voorbeeld is de duiding over de gang van zaken in de economie. Stagneert de economie of verzeilen we in een recessie, dan wijst de regering systematisch op de internationale context. Loopt het beter, dan steekt ze de pluim op haar eigen hoed. Professor Carl Devos concludeert zelfs dat uit de aanpak van de regering "een zekere minachting voor het volk" spreekt. Als één dossier de lakse houding van de regering-Di Rupo typeert, dan is het wel de Dexia-saga. Ze schuift de problemen zo veel mogelijk voor zich uit, in de hoop dat het allemaal meevalt. De realiteit zal lang en pijnlijk uitvallen. Met een balanstotaal van 250 miljard euro, een investeringsportefeuille van 190 miljard euro en derivatenposities ter waarde van 450 miljard euro houdt Dexia nog altijd een enorm risico in. Een risico waarover onze politici opvallend luchtig doen. Steeds meer economen pleiten ervoor om het alternatief van de korte, hevige pijn ernstig te bestuderen. Dat komt neer op de opdoeking van de restbank via een gecontroleerde uitverkoop van activa op korte termijn. Dat gaat ongetwijfeld gepaard met zware verliezen op de investeringsportefeuille. Maar die verliezen volgen op termijn misschien toch. Het voordeel van deze aanpak is dat de pil in één keer doorgeslikt wordt. Het land kan dan weer voort, zonder dat zwaard van Damocles boven het hoofd. De regering heeft de morele verantwoordelijkheid tegenover deze en de volgende generaties om dit scenario minstens te onderzoeken en het onverbloemd te communiceren. Idealiter gebeurt dit onderzoek door een onafhankelijke partij die in kaart brengt wat een snelle ontbinding van Dexia ons land kost en hoe hoog de factuur kan oplopen als we blijven aanmodderen. De waarde van de Belgische economie gemeten aan het bruto binnenlands product (bbp) bedroeg vorig jaar 377 miljard euro. De export bedroeg 319 miljard euro, dat is iets meer dan de 313 miljard euro import. België is dus een kleine en vooral een zeer open economie. Goed meedraaien in de internationale economie is een noodzakelijke voorwaarde om onze welvaart, onze sociale zekerheid en onze jobs veilig te stellen. Volgens het ondernemersplatform VKW is het marktaandeel van de Belgische ondernemingen in vergelijking met de twintig meest geïndustrialiseerde landen er met 7,8 procent op achteruitgegaan tussen 2000 en 2012. Alleen Frankrijk, Italië en Griekenland deden nog slechter. Marktaandeel verliezen als gevolg van de oprukkende opkomende markten is onvermijdelijk. Maar België moet ook de duimen leggen tegenover gelijkaardige landen en dat wijst op een stevig probleem. De Belgische internationale concurrentiepositie verstevigen kan onder meer door de energiekosten te beheersen, de fiscale druk te verminderen en het ondernemersklimaat te verbeteren. Een belangrijk aandachtspunt vormen ook de loonkosten. We zitten met een loonkostenhandicap van 10 procent tegenover de buurlanden, en dat is een minimalistische inschatting. Op het lijstje verdiensten van deze regering staat met het Uitrustingsplan voor de eerste keer een visie op papier. De regering gaat uit van een kernenergievrije toekomst, waarbij duurzame energie en gas instaan voor onze energiebevoorrading. De visie is er, maar de concrete aanpak nog niet. Ten eerste omdat het deel hernieuwbare energie een gewestmaterie is. En dan is er nog het kostenplaatje. We moeten investeren in nagenoeg de volledige vervanging van ons productiepark. Toch stipuleert het Uitvoeringsplan dat de kostprijs van energie niet te veel mag stijgen, omdat anders de zware industrie in het nauw wordt gebracht. Die heeft bovendien te lijden onder de concurrentie van het Amerikaanse schaliegas. De regering mag zich op de borst kloppen omdat ze de residentiële markt in beweging kreeg door een prijsbevriezing op te leggen aan de nutsverkopers. Maar de meeste grote bedrijven kunnen niet veel anders dan aankloppen bij de enige marktspeler die een voldoende groot productiepark heeft, Electrabel. De regeringsplannen om dat te verhelpen, zitten intussen in de diepvries. Dat wil niet zeggen dat de regering Electrabel volledig de vrije hand geeft. Ze verhoogde de bijdrage die Electrabel en EDF-Luminus moeten betalen voor het langer openhouden van de oudste kerncentrales tot 550 miljoen euro. Helaas ondergroef de regering daarbij de geloofwaardigheid van de federale energieregulator CREG, die berekende dat die bijdrage minstens het dubbele moet bedragen. België heeft de hoogste belastingdruk in Europa. In 2011 vloeide 46,4 procent van het Belgische bbp terug naar de overheid. Onze belastingvoet op arbeid bedraagt 42,5 procent. Dat is de hoogste van Europa; het gemiddelde van de eurozone bedraagt 38,1 procent. België heeft ook de tweede hoogste belasting op vermogen, na Frankrijk. Ons land heeft geen expliciete vermogensbelasting, maar via de roerende en onroerende voorheffing, de schenkingsrechten, de erfenisrechten en de registratierechten worden zowel de inkomsten als het vermogen zelf belast. Ook consumptie wordt flink belast. België haalt jaarlijks een belastingopbrengst van 7 procent van het bbp uit btw, dat ligt in lijn met het Europese gemiddelde. De verschuiving van belastingen tussen arbeid, kapitaal en consumptie is geen optie, want ze worden alle drie al zwaar belast. Niets doen is ook geen optie. De hoge lasten op arbeid en kapitaal kosten ons land investeringen en jobs. De regering moet prioriteit geven aan een verlaging van de lasten op arbeid en van het basistarief van de vennootschapsbelasting, gefinancierd door besparingen en het schrappen van de btw-uitzonderingen en van de aftrekposten in de vennootschapsbelasting. Aan het begin van de jaren tachtig spendeerde België nog 4,5 procent van het bbp aan de bouw van havens, wegen en andere infrastructuur, maar sinds het begin van de jaren negentig blijft de overheidsinvesteringsquote haperen rond een schamele 1,7 procent van het bbp, wat schril afsteekt tegen de 2,3 procent als gemiddelde voor de eurozone. België, het land dat het meeste baat heeft bij het uitspelen van zijn centrale ligging, investeert daar het minst in. De ongeveer 7 miljard euro die de overheden van dit land gezamenlijk investeren, volstaan bovendien niet of nauwelijks om de natuurlijke slijtage van de infrastructuur op te vangen. Anders gezegd: onze publieke kapitaalvoorraad stagneert al jaren. De afbrokkelende basisinfrastructuur is nog een sluipend gif dat de concurrentiekracht van de Belgische economie aantast. Met een overheidsbeslag dat ruim de helft van het bbp bedraagt en dat hoog boven het Europese gemiddelde uittorent, zou België proportioneel gezien meer kunnen investeren, om op die manier een concurrentiebonus op te bouwen. De stiefmoederlijke behandeling van bakstenen en beton komt ons steeds duurder te staan. België slaagt er niet goed in nieuwe jobs te creëren. De regering verdedigt zich met het argument dat er 67.000 meer Belgen aan de slag zijn dan voor de financiële crisis. Ze vergeet wel dat de bevolking door migratie en demografie is toegenomen. En dat 60 procent van de gecreëerde banen sinds 2008 vooral gesubsidieerde jobs zijn, bijvoorbeeld in het stelsel van de dienstencheques. De Belgische werkgelegenheidsgraad ligt met 67,3 procent nog altijd onder het Europese gemiddelde van 68,5 procent. Dat is ook 6 procentpunt minder dan de doelstelling die België wil bereiken in het kader van de Europa 2020-strategie. Tegen dan zouden 400.000 extra jobs moeten worden gecreëerd of 50.000 per jaar. Een hele opdracht als we weten dat er sinds 2008 slechts 34.000 jobs per jaar bijkwamen. Om de werkgelegenheid op te trekken, moet een aantal heilige huisjes gesloopt worden. De loonkosten moeten drastisch omlaag, het automatische-indexeringsmechanisme moet op de schop, het royale ontslagrecht moet worden aangepakt en de werkloosheidsuitkeringen moeten beperkt worden in de tijd. De wettelijk opgelegde minimumlonen moeten verdwijnen omdat ze de aanwerving van laaggeschoolden tegenhouden. Aangezien zij zeker in het begin niet erg productief zijn, moeten ze aan de slag tegen lonen die geen menswaardig bestaan toelaten. De overheid moet dat compenseren met mechanismen die hen van een aanvaardbaar beschikbaar inkomen voorzien. De regering noemt haar pensioenhervorming de belangrijkste in decennia. Maar het effect van het strengere brugpensioen (werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag) en het optrekken van de vervroegde pensioenleeftijd op de vergrijzingskosten is zo goed als verwaarloosbaar. De Belgische pensioenbom is nog altijd niet ontmijnd. Volgens de jongste studie van de Vergrijzingscommissie stijgen de pensioenuitgaven ondanks de hervormingen van 10,2 procent van het bbp naar 14,7 procent in 2060. Bovendien worden de vergrijzingskosten door die de studiecommissie steevast onderschat. Volgens de Europese Commissie behoort België samen met Luxemburg en Slovenië tot de top drie van landen van de eurozone die de zwaarste vergrijzingslasten moeten dragen. Door de hoge fiscale druk zijn extra belastingen om de vergrijzingskosten te betalen geen optie. Langer werken, is de enige oplossing. Dat betekent de versnelde afbouw van de uittredesystemen, de optrekking van de wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar, een koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting en de herinvoering van een pensioenmalus, dat is een lagere uitkering bij vervroegde uittreding. Ook de ambtenarenpensioenen, hét Belgische taboe, moeten worden aangepakt. In die uitgavenpost laat de vergrijzing zich al volop voelen. De ziekteverzekering groeit al een aantal jaar sneller dan het bbp en kost de overheid bijna 27 miljard per jaar. Op termijn wordt de groei van het budget gezondheidszorg onbetaalbaar. Daarom verlaagde de minister van Sociale Zaken, Laurette Onkelinx, de jaarlijkse groeinorm van 4,5 procent naar 2 procent. Vanaf 2014 hoopt de regering die weer op te trekken naar 3 procent. Bovendien concentreert de bewindsploeg haar besparingsinspanningen vooral bij de artsen en de geneesmiddelenindustrie. In december 2011 had Onkelinx beloofd om werk te maken van de uitbreiding van het referentieterugbetalingssysteem in ziekenhuizen en van een verdere responsabilisering van de ziekenfondsen. Voorlopig blijven die voornemens steken. Als de regering de ziekteverzekering wil vrijwaren, moet de ziekenhuisfinanciering op de schop. Door de zesde staatshervorming verhuisde de erkenning van ziekenhuizen naar de gemeenschappen, terwijl de financiering federaal bleef. Die versnippering maakt een efficiënte ziekenhuisfinanciering sowieso moeilijker. De federale regering bespaart meer dan vroeger op haar ambtenarenapparaat. De vakbonden vinden dat staatssecretaris Hendrik Bogaert er met de botte bijl doorgaat. Nochtans gaat het eerder om een stapsgewijze inkrimping. De federale regering is er in 2012 in geslaagd om via een selectief vervangingsbeleid het aantal ambtenaren met 1500 te doen dalen, op een totaal van 80.000 federale ambtenaren. Per drie vertrekkende ambtenaren kwam er slechts één nieuwe in de plaats. Mensen die met pensioen gaan of vrijwillig vertrekken, worden niet altijd vervangen. Naast de federale administratie hield ook het leger de hand op de knip. Er verdwenen vorig jaar 1000 jobs. Het effect van de recente besparingen bij de ambtenarij op de overheidsfinanciën lijkt op het eerst gezicht fraai: de Nationale Bank gaat uit van een daling van de primaire uitgaven van de federale overheid in 2012 met 3,9 procent. Maar die federale uitgaven maken slechts 8,8 procent van alle uitgaven van de verzamelde overheden uit. Bovendien wordt die besparing voor de federale overheid en de sociale zekerheid teniet gedaan door de aanhoudend stijgende uitgaven in de sociale zekerheid, +2,2 procent in 2012. "Wil je de instroom van nieuwe bedrijven bevorderen? Help dan de uitstroom van bestaande bedrijven, bijvoorbeeld door een tijdelijk vervangingsinkomen voor ondernemers die noodgedwongen stoppen." Het advies komt van Johan Lambrecht, directeur van het Studiecentrum voor Ondernemerschap en hoogleraar aan de Hogeschool-Universiteit Brussel. "Uitstromers laten plaats voor instromers met betere ideeën. Dat verhoogt de productiviteit van de bedrijven en zorgt voor economische groei." De overheid stopt beter met het gesleutel aan de instroom. "Enerzijds verstrengt ze de vestigingswet, anderzijds voorziet ze in een rist steunmaatregelen voor starters. Hou op met die dubbelzinnige politiek en laat de instroom natuurlijk verlopen." Mensen zijn te afhankelijk van de overheid, wat de groep instromers verkleint. Tegelijk dwingt het gebrek aan vervangingsinkomen sukkelende ondernemers vaak om voort te sukkelen en schrikt het starters af. JOHAN VAN OVERTVELDT - R.B./P.C./L.H./D.K./A.M./J.V.G./J.V.O.