De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.ie hevige belangstelling heeft te maken met het feit dat dergelijke uitkeringen - in de veronderstelling dat ze effectief aftrekbaar zijn - een eenvoudige manier kunnen zijn om winsten tussen vennootschappen te verschuiven. Stel dat vennootschap A veel winst maakt en dat haar moedervennootschap B weinig winst heeft, maar wel om een of andere reden veel geld nodig heeft. En stel dat vennootschap B bestuurder is in vennootschap A. Vennootschap A zou dan kunnen besluiten om een deel van haar winsten bij wijze van winstuitkering toe te kennen aan haar bestuurder/vennootschap B. Als die winstuitkering op aantoonbare wijze in verband staat met de prestaties die de moedervennootschap in haar rol van bestuurder ten aanzien van haar dochter heeft verricht, zal de aftrek in hoofde van de uitkerende vennootschap normaal gezien geen probleem opleveren. Met aantoonbaar verband wordt bedoeld dat men kan aantonen dat de uitgekeerde vergoeding verantwoord is, rekening houdend met de omvang en het belang van de prestaties die (in het voorbeeld) de moedervennootschap ten opzichte van haar dochter heeft verricht. Stel echter dat zo'n verband niet aantoonbaar is. Meer zelfs. Stel dat het gaat om een pure winstuitkering die alleen wordt uitgekeerd om de bestuurder/vennootschap in de winst te laten delen, zonder dat daar effectieve prestaties tegenover staan. Zal de uitkering dan in hoofde van de uitkerende vennootschap ook nog uit het fiscale resultaat kunnen worden geweerd? Daarover hebben in de voorbije jaren vooral mondeling verhitte discussies plaatsgevonden. Op papier vindt men er niet zoveel over terug. De reden is allicht dat niemand goed weet wat de juiste oplossing is en dat velen redeneren dat men slapende honden beter niet wakker maakt. Maar dat het probleem in de praktijk volop aan de orde is bewijzen de rechterlijke uitspraken die stilaan links en rechts het daglicht zien. VOORWAARDE. De principiële vraag is of dergelijke uitkeringen wel of niet moeten voldoen aan de algemene voorwaarde waaraan de aftrek van beroepsuitgaven onderworpen is. Die voorwaarde houdt in dat de uitgaven gedaan of gedragen moeten zijn om belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden. Uit deze voorwaarde zou kunnen worden afgeleid dat uitkeringen aan bestuurders/vennootschappen alleen voor aftrek in aanmerking komen, voor zover zij effectieve prestaties vergoeden. Sommigen houden echter vol dat winstuitkeringen aan bestuurders/vennootschappen geen uitstaans hebben met de voorwaarden voor de aftrek van beroepsuitgaven. De toekenning van een deel van de winst aan bestuurders/vennootschappen zou gewoon als een bestemming van het resultaat van het boekjaar te beschouwen zijn. Waaruit zij besluiten dat een dergelijke toekenning zonder meer uit het fiscale resultaat van de uitkerende vennootschap te weren zou zijn. Om het tegendeel te bewijzen, verwijzen zij naar het lot van de dividenden. Dat zijn ook winstuitkeringen, en die worden in hoofde van de uitkerende vennootschap wel belast. Maar die belasting volgt uit een uitdrukkelijke wetsbepaling die zegt dat het fiscale resultaat van een vennootschap ook de dividenden omvat. Voor winstuitkeringen aan bestuurders/vennootschappen bevat het fiscale wetboek zo'n uitdrukkelijke bepaling niet. Waaruit mogelijkerwijs zou kunnen volgen dat zij misschien wel zonder meer uit het fiscale resultaat van de uitkerende vennootschap te weren zijn. TEGENINDICATIES. Tegelijk zijn belangrijke indicaties te vinden die deze opvatting tegenspreken. Ten eerste: de vaststelling van het fiscale resultaat van een vennootschap houdt ten gronde geen rekening met de bestemming van de winst. In hoofde van een vennootschap is in beginsel alles belastbaar wat binnenkomt, ongeacht de bestemming die eraan gegeven wordt. Van een vrijstelling van belasting kan slechts sprake zijn als de wet daar uitdrukkelijk in voorziet. Wat onder meer het geval is voor kosten die als beroepsuitgaven aftrekbaar zijn. Ten tweede: de wetgever heeft een achttal jaren geleden het plan opgevat om de aftrek van uitkeringen aan vennootschappen/bestuurders formeel aan banden te leggen. Dat plan is toen weliswaar niet doorgegaan. Maar tegelijk werd toen aangekondigd dat men dergelijke uitkeringen scherper in het oog zou gaan houden vanuit de algemene voorwaarde waaronder beroepsuitgaven aftrekbaar zijn (meer bepaald: dat de uitgave gedaan of gedragen moet zijn om belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden). Ten derde: uit de weliswaar nog sporadische rechtspraak volgt dat de rechters blijkbaar ook een verband eisen tussen de uitgekeerde vergoedingen en de prestaties die de vennootschap/bestuurder ten behoeve van de uitkerende vennootschap heeft verricht. Zo oordeelde het hof van beroep in Antwerpen onlangs dat een uitkering aan een bestuurder/vennootschap niet aftrekbaar was, nu niet was aangetoond dat de vergoeding werkelijke prestaties vergoedde (Antwerpen, 29 juni 2004). Moraal van het verhaal: een voorzichtige vennootschap zal aan haar bestuurders/vennootschappen alleen vergoedingen uitkeren die op aantoonbare wijze verband houden met werkelijk uitgevoerde prestaties. Doet zij dat niet, dan begeeft zij zich op een glibberig pad, met sterk onzekere afloop. Jan Van DyckAlles wat binnenkomt, is in principe belastbaar.