Na vele jaren touwtrekken aanvaardt de belastingadministratie nu toch dat onderhoudsgelden die tussen echtgenoten worden betaald, al voor het jaar van de feitelijke scheiding fiscaal aftrekbaar zijn.
...

Na vele jaren touwtrekken aanvaardt de belastingadministratie nu toch dat onderhoudsgelden die tussen echtgenoten worden betaald, al voor het jaar van de feitelijke scheiding fiscaal aftrekbaar zijn. Echtgenoten worden aan een gemeenschappelijke aanslag onderworpen. Dit wil zeggen dat de aanslag gevestigd wordt op naam van beide echtgenoten samen. Het aanslagbiljet vermeldt één globaal te betalen of terug te trekken bedrag. Die gemeenschappelijke aanslag geldt ook nog voor het jaar waarin echtgenoten feitelijk gescheiden gaan leven. Pas vanaf het jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding worden de beide echtgenoten afzonderlijk belast. Het jaar waarin de feitelijke scheiding zich voltrekt, is dus als het ware een overgangsjaar: het is het laatste jaar waarin een gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt. Al decennialang woedt een discussie over het fiscale lot van onderhoudsuitkeringen die in dat jaar worden betaald. Mogen zij fiscaal al in aftrek worden gebracht? Wat de onderhoudsuitkeringen betreft die voor de kinderen worden betaald, is er geen probleem. Die zijn aftrekbaar, ook voor het jaar van de feitelijke scheiding. Op voorwaarde dat het kind op het ogenblik van de betaling geen deel uitmaakt van het gezin van de echtgenoot die ze betaalt. Maar wat met onderhoudsuitkeringen die tussen echtgenoten worden betaald? Daarvan heeft de administratie in het verleden altijd de aftrek voor het jaar van de feitelijke scheiding geweigerd. Dat heeft te maken met het feit, dat het fiscale stelsel van onderhoudsuitkeringen als een soort van communicerende vaten werkt. Wie de uitkering betaalt, mag ze fiscaal a rato van 80 procent in aftrek brengen. Maar andersom wordt diezelfde uitkering bij de ontvanger ook weer a rato van 80 procent aan zijn belastbaar inkomen toegevoegd. Dit spel van aftrekken en weer bijvoegen heeft geen zin, zolang de inkomsten van echtgenoten gecumuleerd worden belast. Behoudens in enkele uitzonderingsgevallen gaat het dan telkens om een nuloperatie: de gecumuleerd berekende belasting daalt door de aftrek van het onderhoudsgeld dat de ene echtgenoot heeft betaald, maar stijgt op overeenkomstige wijze weer onder invloed van het onderhoudsgeld dat de andere echtgenoot ontvangen heeft. Tot voor een aantal jaren was de cumul van de inkomsten van echtgenoten de regel. Die cumul gold ook nog voor het jaar van de feitelijke scheiding. In die omstandigheden was het vrij logisch dat voor het jaar van de feitelijke scheiding geen aftrek aanvaard werd van de onderhoudsgelden die tussen echtgenoten werden betaald. Maar vandaag is de toestand volledig anders. Weliswaar worden echtgenoten nog steeds aan een gemeenschappelijke aanslag, ook voor het jaar van de feitelijke scheiding, onderworpen. Maar van een cumul van hun inkomsten is geen sprake meer. Op enkele details na, worden hun inkomsten volledig gedecumuleerd aan het progressief tarief van de personenbelasting onderworpen. Het spel van aftrekken en weer bijvoegen heeft nu wel zin. Zelfs als er nog een gemeenschappelijke aanslag gevestigd wordt. Stel dat A voor het jaar van de feitelijke scheiding 100 onderhoudsuitkering aan zijn echtgenote heeft betaald. En stel dat de top van het inkomen van A belastbaar is tegen 50 procent, terwijl de top van het inkomen van B slechts belastbaar is tegen 40 procent. Hoewel de beide echtgenoten voor dat jaar nog aan een gemeenschappelijke aanslag onderworpen worden, zal het aftrekken en weer bijvoegen nu wel van invloed zijn op het uiteindelijk verschuldigde belastingbedrag: van de 100 betaalde onderhoudsuitkering zal 80 procent aftrekbaar zijn. Die aftrek gebeurt op het inkomen van A dat belastbaar is tegen 50 procent. De belasting daalt dus met (80 x 50 =) 40. Anderzijds wordt 80 procent toegevoegd aan het inkomen van B dat aan de top belastbaar is tegen 40 procent. Dit resulteert dus in een verhoging van de belasting met (80 x 40 =) 32. Per saldo zal het echtpaar (40 - 32 =) 8 minder belasting betalen. Sinds de inkomsten van echtgenoten gedecumuleerd worden belast, is het aftrekken en weer bijvoegen van onderhoudsuitkeringen die tussen echtgenoten worden betaald, dus (meestal) geen nuloperatie meer. Niettemin heeft de belastingadministratie nog jaren volgehouden dat toch geen aftrek mag gebeuren van de onderhoudsuitkeringen die tussen echtgenoten voor het jaar van de feitelijke scheiding worden betaald. Maar onlangs is zij dan toch tot inkeer gekomen. Uit een recentelijk gepubliceerde omzendbrief blijkt dat zij de aftrek - met corresponderende belasting in hoofde van de andere echtgenoot - nu toch ook al voor dat jaar aanvaardt. DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van DyckDe gedecumuleerde belasting maakt dat het meestal niet langer om een nuloperatie gaat.