Bazel I, Bazel II en Bazel III. Wie in de financiële sector werkt of belegt, zal nog enigszins vertrouwd zijn met de terminologie. Maar voor het gros van de mensen gaat er geen belletje rinkelen. Laat staan dat men de verschillen zou kennen. En waarom Bazel, en niet pakweg Parijs of Oostende?
...

Bazel I, Bazel II en Bazel III. Wie in de financiële sector werkt of belegt, zal nog enigszins vertrouwd zijn met de terminologie. Maar voor het gros van de mensen gaat er geen belletje rinkelen. Laat staan dat men de verschillen zou kennen. En waarom Bazel, en niet pakweg Parijs of Oostende? Laat ons beginnen met een lesje geschiedenis. Een dat meteen aantoont dat financiële en bankencrisissen van alle tijden zijn. In 1973 werd het systeem van Bretton Woods, dat voorzag in vaste wisselkoersen tussen valuta op basis van de goudstandaard, losgelaten. Het gevolg was dat de munten van verschillende landen ten opzichte van elkaar gingen zweven. Die schommelingen bleven niet zonder gevolgen. In juni 1974 trok de West-Duitse toezichthouder de banklicentie van Herstatt in. Die Duitse bank had een blootstelling aan buitenlandse munten die opliep tot drie keer haar kapitaal. Herstatt ging over de kop en veel andere banken boekten zware verliezen op hun posities met Herstatt. In oktober 1974 moest de Franklin National Bank of New York, om dezelfde reden als Herstatt, de deuren sluiten. De internationale wissel- en financiële markten raakten almaar meer ontwricht. Eind 1974 beslisten de gouverneurs van de centrale banken van de toenmalige G10-landen dat er iets moest gebeuren. Onder auspiciën van de Bank for International Settlements (BIS), de bank van de centrale banken, richtten zij een Committee on Banking Regulations and Supervisory Practices op. Dat comité werd later herdoopt tot het Basel Committee on Banking Supervision, naar de stad in Zwitserland waar zowel de BIS als deze regulator in spe kantoor houden. Het initiële doel van het Bazelcomité was de internationale financiële stabiliteit te verhogen, door verschillende landen te laten samenwerken in bankentoezicht. In februari 1975 kwam het comité voor het eerst samen. Sindsdien zijn er jaarlijks drie tot vier meetings. Heel lang leverden enkel de rijkste tien industrielanden (G10) plus België, Luxemburg en Spanje leden voor het Bazelcomité. In 2009 werd het lidmaatschap uitgebreid tot 27 landen. Al vrij snel concentreerden de werkzaamheden van het Bazelcomité zich op de kapitaalbuffers en -ratio's van de banken. Dat proces werd in de hand gewerkt door de Latijns-Amerikaanse crisis van het begin van de jaren tachtig. Om de nationale verschillen in kapitaalvereisten weg te werken, publiceerde het Bazelcomité voor het eerst gemeenschappelijke, internationale kapitaalnormen. Het Basel Capital Accord, of het Bazel I-akkoord, was geboren. In juli 1988 werd het op de banken losgelaten. Bazel I schreef voor dat de banken minimaal 8 procent kapitaal ten opzichte van hun risicoactiva moesten aanhouden tegen het einde van 1992. Hoewel de beslissingen van het Bazelcomité geen kracht van wet hadden (en nog altijd niet hebben), werd Bazel I ingevoerd in vrijwel alle landen waar internationale banken actief zijn. En tegen september 1993 voldeden alle belangrijke banken aan de opgelegde kapitaalnormen. Vorige week werd een groot symposium georganiseerd om de 25ste verjaardag van het eerste Bazelakkoord te vieren. Stefan Ingves, de gouverneur van de Zweedse centrale bank en huidig voorzitter van het Bazelcomité, stelde vast dat er sinds die begindagen veel veranderd is. En toch ook weer niet. "Ondanks al onze inspanningen blijven banken geregeld verliezen incasseren doordat ze winst, groei of marktaandeel nastreven zonder voldoende aandacht te besteden aan de risico's", moest Ingves constateren. Een toekomst zonder bankencrisis? Geen mens kan dat garanderen. Ingves zocht een verklaring in de toegenomen sofisticatie en complexiteit van de internationale financiële markten: "Het oorspronkelijke Bazelakkoord was fantastisch in zijn eenvoud, iets waar veel mensen vandaag naar verlangen, maar het kon de ontwikkeling van steeds complexere financiële producten niet bijhouden." Het antwoord op die ontwikkeling heette Bazel II. In plaats van een one size fits all-regime koos het Bazelcomité voor een gedifferentieerde aanpak, die ruimte liet voor de interne risicomodellen van de banken. Op die manier werden de internationale kapitaalnormen, in theorie, in lijn gezet met het onderliggende risicoprofiel van de banken. Dat ging ten koste van de eenvoud en de uniformiteit van de regulering. "De omschakeling op Bazel II had ontegensprekelijk voordelen, maar ze creëerde tevens uitdagingen waarmee we nog altijd worstelen", gaf Ingves toe. Aan de publicatie van Bazel II in juni 2004 ging niet minder dan zes jaar voorbereidend werk vooraf. Bazel II steunt op drie pijlers: aangepaste minimumkapitaalnormen, grondiger toezicht op de kapitaalbuffers en de interne risicoprocessen, en het openbaar maken van het risicoprofiel om de banken tot een gezond beleid aan te zetten. Bazel II wilde risicomanagement en -controle belonen, maar bereikte een omgekeerd effect. De banken wisten hun risicomodellen zo te gebruiken dat de risico's daalden en de kapitaalratio's kunstmatig stegen. Daardoor was er meer ruimte om geld te lenen op de financiële markten en werden de balansen tot ongekende hoogtes opgeblazen. Nog voor de val van Lehman Brothers was duidelijk dat Bazel II dringend bijgestuurd moest worden. De banksector dook in een zware crisis met een veel te hoge schuldenlast en ontoereikende liquiditeitsbuffers. In december 2010 publiceerde het Bazelcomité een voorstel met een nieuw pakket maatregelen, die sindsdien te boek staan als Bazel III. In dit voorstel worden de kapitaal- en liquiditeitsnormen fors aangescherpt, maar er zijn ook enkele belangrijke nieuwigheden. Zo is de invoering van een contracyclische kapitaalbuffer en van een extra kapitaalbuffer voor systeembelangrijke instellingen de eerste stap naar internationale macroprudentiële instrumenten. "Lange tijd focuste het Bazelcomité op het microprudentiële toezicht", geeft Ingves toe, "Het idee was dat als de stabiliteit van individuele banken gegarandeerd werd, het hele financiële systeem overeind zou blijven. De financiële crisis heeft ons echter getoond dat wereldwijde financiële stabiliteit niet enkel met microprudentiële programma's kan worden verzekerd." Bazel III voert ook de leverage ratio in als meetinstrument. Die ratio meet de hoeveelheid eigen vermogen van een bank op basis van het balanstotaal en los van het risicogewicht van de activa. De leverage ratio moet een belangrijke aanvulling worden van de risicogewogen kapitaalratio's van Bazel II. PATRICK CLAERHOUT