De btw-wetgeving kent verschillende regelingen waarbij het btw-tarief ten aanzien van werk in onroerende staat wordt verlaagd. De meeste van die regelingen betreffen de sociale huisvesting. In de sector van de gewone particuliere woningbouw is het tarief in de regel 21 %. Het wordt in die sector slechts naar 6 % verlaagd, als het gaat om de renovatie van woningen die ten minste vijf jaar oud zijn. Nieuwbouw is uitgesloten van deze tariefverlaging.
...

De btw-wetgeving kent verschillende regelingen waarbij het btw-tarief ten aanzien van werk in onroerende staat wordt verlaagd. De meeste van die regelingen betreffen de sociale huisvesting. In de sector van de gewone particuliere woningbouw is het tarief in de regel 21 %. Het wordt in die sector slechts naar 6 % verlaagd, als het gaat om de renovatie van woningen die ten minste vijf jaar oud zijn. Nieuwbouw is uitgesloten van deze tariefverlaging. Een aantal maanden geleden kwam de regering evenwel op de proppen met een nieuwe regeling waarbij de nieuwbouw van privéwoningen onder bepaalde voorwaarden toch de verlaging van het tarief naar 6 % kan genieten. De regeling staat te lezen in de programmawet die eind vorig jaar door het parlement werd goedgekeurd. Voor de tariefverlaging is vereist, dat de woning gelegen is in bepaalde stadsgebieden. De werken moeten bestaan in het afbreken van de woning en het vervolgens heropbouwen ervan. Het gebouw moet na het uitvoeren van de werkzaamheden ten minste hoofdzakelijk als privéwoning worden gebruikt. Dat de woning eerst afgebroken moet worden, sluit uit dat het verlaagde tarief van toepassing kan zijn wanneer men een woning bouwt op een braakliggend terrein. In de meeste steden is dat een hypothese die in de praktijk weinig zal voorkomen. Het aantal braakliggende bouwgronden is er doorgaans erg beperkt. Voorts is er nog de klassieke voorwaarde dat de werken uitbesteed moeten worden aan een 'geregistreerde' aannemer. En dat men bepaalde formaliteiten moet vervullen. Naar aloude gewoonte zijn bepaalde werkzaamheden die eerder in de luxesfeer thuishoren, uitgesloten van het verlaagde tarief. Wie in de herop te bouwen woning graag een zwembad of sauna installeert, zal op die onderdelen toch nog 21 % btw moeten betalen. Hetzelfde geldt voor tuinaanleg, het plaatsen van afsluitingen, enz. Ook goed om weten is dat men de werkzaamheden niet eindeloos kan rekken. Het verlaagde tarief geldt slechts voor werken die uitgevoerd worden uiterlijk in het jaar van de eerste ingebruikneming van de woning. Wie bijvoorbeeld nadien nog een keldertrap laat steken, of parket laat leggen, betaalt zoals iedereen 21 % btw. Lijst. Terug naar de hoofdvoorwaarde: de woning moet gelegen zijn in een stedelijk gebied dat voorkomt op een limitatief opgesomde lijst. Deze opsomming vermeldt om te beginnen de stedelijke centra van Antwerpen, Charleroi, Gent, Oostende, Mechelen, Bergen, La Louvière, Sint-Niklaas, Seraing en Luik; vervolgens op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Brussel, Anderlecht, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Elsene, Ukkel, Etterbeek en Vorst; ten slotte de steden Leuven, Brugge, Kortrijk, Roeselare, Aalst, Dendermonde, Genk, Hasselt, Moeskroen, Doornik, Verviers en Namen. Aanvankelijk was het duidelijk de bedoeling dat het niet zou volstaan dat de woning om het even waar in een van deze steden gelegen zou zijn. De verlaging van het btw-tarief zou slechts gelden als de woning gelegen was in bepaalde achtergestelde gebieden van een van deze steden. Dat stond duidelijk te lezen in de memorie van toelichting bij de wet. De maatregel was uitdrukkelijk bedoeld om iets te doen aan de leegstand en de verkrotting die in achtergestelde gebieden van grote steden heerst. Maar de manier waarop de wetgever dit uiteindelijk in de wettekst formuleerde was allerminst duidelijk. Twee interpretaties waren mogelijk: ofwel komt het hele grondgebied van de opgesomde steden in aanmerking; ofwel slechts bepaalde gedeelten. Daarover ondervraagd, antwoordde de minister van Financiën geen twee maanden geleden, dat de tariefverlaging niet voor het hele grondgebied van de opgesomde steden zou gelden, maar enkel voor de woningen die door de lokale overheid aangemerkt worden als 'stadskanker' of die gelegen zijn in een wijk die door de lokale overheid als 'stadskanker' wordt aangemerkt. Ommekeer. Groot is dan ook de verwondering dat in de jongste programmawet, die nog net voor de ontbinding van het parlement werd goedgekeurd, juist het tegenovergestelde te lezen staat. Nu luidt het dat het toch volstaat dat de woning om het even waar gelegen is op het grondgebied van één van de opgesomde steden. De af te breken woning moet dus niet zelf een 'stadskanker' zijn of gelegen zijn in een wijk die als 'stadskanker' aangemerkt is. Wie bijvoorbeeld plannen heeft om een woning aan de dure Louizalaan in Brussel af te breken en als privéwoning herop te bouwen, komt dus ook in aanmerking. De woning hoeft niet in een achterbuurt gelegen te zijn. Eind goed, al goed? Misschien wel, maar misschien ook niet. Want op deze manier duikt het onvermijdelijke spook van de discriminatie weer op. Leg maar eens uit waarom het lage tarief wel geldt voor wie een woning afbreekt en heropbouwt in een poepchique wijk van een van de opgesomde steden, maar niet wanneer men hetzelfde doet in een achterbuurt van een stad, dorp of gemeente die toevallig niet in het lijstje voorkomt. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Jan Van Dyck