Het metrologiebedrijf Metris, een van onze jonge innovatieve vaandeldragers, verdwijnt straks in de grijpgrage handen van het Japanse Nikon. Het is nog maar de vraag wat er met het kenniscentrum in Leuven zal gebeuren. Die vraag stelt zich intussen niet meer voor Fortis, dat verkocht werd aan BNP Paribas. En met het belang van het Britse Centrica in SPE-Luminus dat in handen kwam van Electricité de France (EdF), zet ons land zijn traditie van wingewest voor de Fransen onverstoord voort. In de recente economische geschiedenis verloor België tal van zijn zogenaamde kroonjuwelen aan het buitenland. De Brusselse beurs onderging de voorbije tien jaar een ingrijpende wijziging, met als resultaat dat flink wat van onze zogeheten kernsectoren in - vooral - Franse handen overgingen. Electrabel, Petrofina, Tractebel zijn dan de vaak geciteerde namen. Los van de ideologische discussie speelt ook de vrees dat België almaar meer zijn greep verliest op zijn eigen economie.
...

Het metrologiebedrijf Metris, een van onze jonge innovatieve vaandeldragers, verdwijnt straks in de grijpgrage handen van het Japanse Nikon. Het is nog maar de vraag wat er met het kenniscentrum in Leuven zal gebeuren. Die vraag stelt zich intussen niet meer voor Fortis, dat verkocht werd aan BNP Paribas. En met het belang van het Britse Centrica in SPE-Luminus dat in handen kwam van Electricité de France (EdF), zet ons land zijn traditie van wingewest voor de Fransen onverstoord voort. In de recente economische geschiedenis verloor België tal van zijn zogenaamde kroonjuwelen aan het buitenland. De Brusselse beurs onderging de voorbije tien jaar een ingrijpende wijziging, met als resultaat dat flink wat van onze zogeheten kernsectoren in - vooral - Franse handen overgingen. Electrabel, Petrofina, Tractebel zijn dan de vaak geciteerde namen. Los van de ideologische discussie speelt ook de vrees dat België almaar meer zijn greep verliest op zijn eigen economie. Paul De Grauwe, hoogleraar internationale economie aan de KULeuven, beschouwt de Franse greep op de energiesector en de financiële bedrijven als een groeiend gevaar. "Veel Franse moederbedrijven zijn bovendien in handen van of nauw verwant met de Franse staat", klinkt het. "Die zal als het erop aankomt de Franse ondernemingen bevoordelen. Meer nog: ik vrees dat Belgische energiefacturen of spaarboekjes de Franse klanten zullen subsidiëren." De Grauwe stond lang onverschillig tegenover de 'nationaliteit' van een onderneming. "Ik ga uit van het principe dat bedrijven in een vrije markt op de meest efficiënte wijze oplossingen zoeken", doceert hij. "De macht van het geld is groter dan die van de nationaliteit. Het land dat de beste condities biedt wegens logistieke, financiële of andere redenen, zal de vestigingsplaats worden." Sinds kort is De Grauwe echter van mening veranderd. Waarom? "Door de recente financiële crisis steekt het nationalisme de kop op, in Frankrijk maar ook in andere delen van de wereld. Kijk hoe de Franse en Nederlandse staat Fortis in stukken hebben gescheurd en de Belgen met de brokken lieten zitten. Puur protectionisme. In een ideale wereld is de vrije markt de beste weg, maar als er overal uitzonderingen worden geforceerd, moet je handelen als overheid. Het zuivere kapitalisme blijkt een mythe." Ook voor Louis Verbeke, voorzitter van de Vlerick Leuven Gent Management School, is dit in principe geen probleem. "Op zich kan ik daarmee leven", meent de advocaat en naamgever van het advocatenkantoor Loeff, Claeys, Verbeke (nu Allen & Overy Belgium), dat ettelijke overnamedossiers op zijn palmares heeft. "Buitenlandse overnames worden echter een probleem als de acquisitiebalans negatief uitvalt. Als er jaar na jaar veel meer buitenlandse overnames zijn van onze bedrijven, en er veel minder Vlaamse bedrijven op het overnamepad gaan over de grens, krijg je een onevenwicht." De jongste jaren werden tal van Belgische bedrijven opgeslokt door buitenlandse spelers. Ontex, Balta, Taminco, Biac, de lijst lijkt eindeloos. De jongste Fortune Global 500, waarin de 500 grootste bedrijven ter wereld staan volgens omzet, telt maar vijf Belgische bedrijven: Dexia, KBC, Delhaize, AB InBev en de Nationale Portefeuillemaatschappij. Het Belgisch-Nederlandse Fortis, dat normaal als hoogste eindigde, zit intussen in BNP-handen. Voor de rest is het zoeken met een vergrootglas naar Belgen. "België telt niet zoveel grote bedrijven meer. We zijn een open economie, en veel van onze bedrijven vielen in buitenlandse handen", merkt ook Yvan Jansen van de Boston Consulting Group op. In internationale vergelijkingen is dat een redelijk algemene trend. Nederland bijvoorbeeld zag recentelijk ook een paar vlaggenschepen verdwijnen naar het buitenland. Ook Zwitserland kent die tendens, en Luxemburg verloor met Arbed/Arcelor en CLT-RTL zijn beide reu-zen. "Het is waarschijnlijk een verkeerde strijd", zegt Jansen. "Je kunt hopen dat onze kleinere bedrijven alsnog doorgroeien tot internationale spelers van belang die zelf strategische overnames doen in het buitenland, maar daar hebben we nog een flinke weg af te leggen." Marieke Wyckaert, managing partner van het advocatenkantoor Eubelius, stelt vast: "De Vlaamse economie lijkt wel gedreven door golven, waarbij ondernemers hun bedrijven laten groeien, maar op een bepaald moment moeite hebben om de verdere evolutie te financieren. Ze proberen eerst nog om via een groep referentieaandeelhouders de controle te behouden, maar op een bepaald moment wordt er verkocht. In andere landen zullen kapitaalkrachtige ondernemers de handen in elkaar slaan en samen verder groeien. Niet in Vlaanderen. Het zit bijna in de volksaard om ofwel alleen te controleren, ofwel te verkopen." Maar het gaat verder dan dat, zegt Yvan Jansen. "Die enkele grote succesvolle Belgische bedrijven die er wel nog zijn, ondergingen de jongste jaren ook een evolutie in hun directiecomité. Het is opvallend hoe weinig Belgen er nog in vertegenwoordigd zijn. Bij UCB zit geen enkele Belg meer in het directiecomité en bij AB InBev zijn slechts drie van de dertien Belg. Dit zie je niet in Franse, Duitse, Nederlandse of Italiaanse multinationals, waar nationaliteit op managementniveau toch al dan niet expliciet een voorkeursbehandeling verkrijgt." Wat zijn de gevolgen van het feit dat een land eenzijdig het doelwit is van overnames? "Die zijn enorm", aldus Eric De Keuleneer, voorzitter van Credibe (ex-CBHK). "Zeker in het Belgische systeem van controlerende aandeelhouders - en minder nadruk op de onafhankelijkheid van de raad van bestuur - worden de bedrijven de speelbal van groepsstrategieën." Volgens de Solvay-professor kan een eenzijdige overnamegolf de werkgelegenheid in gevaar brengen. Ter illustratie: Trends berekende in 2003 dat in België de industriële werkgelegenheid voor meer dan 50 procent een buitenlandse aangelegenheid is. Bij de voornaamste handelspartners is dat slechts 10 procent tot 20 procent. "Dat is gevaarlijk", weet De Keuleneer. "Het is nu eenmaal makkelijker om ver van de hoofdzetel te snoeien dan in je eigen land. Natuurlijk is dat in tegenstrijd met de economische theorie. Maar de praktijk is irrationeel. Een massale overnamegolf treft de rest van de economie. Rond een hoofdzetel cirkelen heel wat dienstenbedrijven: advocatenkantoren en accountants, maar ook andere intellectuele beroepen leven ervan. Die professionals zullen nog wel rond die Belgische dochters blijven werken, maar het werk met de hoogste toegevoegde waarde gebeurt rond de hoofdzetel." Ook Jean-Pierre Blumberg, managing partner van Linklaters, vreest de gevolgen. Zijn kantoor begeleidde heel wat overnames, zoals ook die van Fortis door BNP Paribas. "De Belgische markt wordt kleiner", zei hij onlangs in Trends. "De geplande verhuis van Fortis heeft een onmiddellijke impact, omdat grote transacties voortaan vanuit Frankrijk worden georganiseerd. Onze basis van grote cor-porateklanten krimpt. We begeleiden al jaren het vertrek van onze grote bedrijven richting buitenland. Zolang dat proces bezig is, zijn er adviseurs nodig. Maar het is niet eindeloos." De integratie van Fortis Bank in BNP en bijgevolg de gereduceerde rol van Fortis Holding als internationaal hoofdkwartier zal op termijn de Belgische markt voor die zakelijke dienstverlening 5 procent laten krimpen, meent Yvan Jansen. Roel Spee, van Plant Location International, merkt twee algemene trends op. "We hebben de hoofdkantoren van onze Belgische ondernemingen, en je hebt die van de internationale multinationals. Die eerste zijn historisch gegroeid, en er hoefde nooit beslist te worden waar ze zich zouden vestigen. Het is pas bij fusies en overnames waardoor de onderneming in kwestie een globale speler wordt, dat die discussie zich aandient. Dan merk je, zoals bij AB InBev, dat België terrein verliest. Bij internationale bedrijven speelt die vraag van meet af aan, en ook daar verliezen we onze troeven. Brussel, Amsterdam en Londen lagen altijd al vrij dicht bij elkaar in de internationale rankings. De jongste jaren merk je echter dat Londen veel energie steekt in zijn rol van Europees en internationaal zakencentrum. De Britten hebben dat sterk uitgebouwd. Wij hebben ons niet geprofileerd, en daar lijden we nu onder. Komt daarbij dat ook Zwitserland zwaar heeft ingezet met zijn fiscaal gunstig klimaat als uitgangspositie. Daardoor zien we de trend dat niet enkel nieuwe vestigingen worden opgericht in die contreien, maar dat er ook bestaande worden verplaatst naar die regio's. Zeker Zwitserland heeft daar een vrij agressieve politiek gevoerd." Overigens geven de jongste investeringscijfers de neerwaartse trend aan. Volgens Ernst & Young haalde ons land vorig jaar een vijfde minder investeringsprojecten binnen dan in 2007. Buitenlandse investeerders creëerden vorig jaar 3391 banen, een derde minder dan het jaar daarvoor. Van de 168 Europese hoofdkantoren van niet-Europese bedrijven uit de Global 500 tekent ons land voor 22 bedrijven. Daarmee laat het Nederland achter zich (14), maar moet het Duitsland (27) en vooral het Verenigd Koninkrijk (66) laten voorgaan. Het gros van die bedrijven komt uit Noord-Amerika, de rest hoofdzakelijk uit Azië. Uit een Nederlands onderzoek uit 2005 blijkt dat België een marktaandeel heeft van 5 procent voor het aandeel van Europese hoofdkantoren. Dat zou een vrij stabiel gegeven zijn, al lijkt de trend de jongste jaren negatief te evolueren. Enkel Madrid en Londen kunnen zich verheugen in hernieuwde interesse. Terwijl Zwitserland sterk komt opzetten. Vreemd genoeg bestaat er in ons land geen duidelijke statistiek van het aantal hoofdkantoren. Het economische belang van die hoofdkantoren voor onze economie kan dus niet bepaald worden. Een onderzoek van de Boston Consulting Group in Nederland ging wel dieper in op de materie. Daar kwam men uit op een bijdrage aan de Nederlandse economie van zowat 1,3 miljard euro, en 30.000 directe banen en 120.000 indirecte banen. Daar dient wel bij aangemerkt te worden dat de helft van die banen verbonden is aan vier Nederlandse mondiale kleppers: Shell, Philips, Unilever en Akzo Nobel. Ook Yvan Jansen betreurt het ontbreken van duidelijke statistieken voor ons land, al heeft hij wel ratio's over de indirecte werkgelegenheid. "Naast de directe werkgelegenheid mag je rekenen op één extra job verbonden aan de zakelijke dienstverlening. Daarnaast zijn er nog de overige afgeleide uitgaven. Daar mag je een multiplicator rekenen van 1,5. Dus als de totale balans van de salarissen op een hoofdkantoor 1 miljoen euro bedraagt, mag je daar nog eens 1,5 miljoen euro extra uitgaven bijrekenen voor de lokale economie", rekent Jansen voor. Louis Verbeke vreest kwalijke maatschappelijke gevolgen. "Een land waar hoofdzetels van grote ondernemingen systematisch naar het buitenland verdwijnen, verarmt ook intellectueel systematisch. De kaderleden van die bedrijven voeren vooral enkel uit wat elders wordt beslist. De Belgische poot van die buitenlandse groepen wordt dan beperkt tot een productie-, marketing- of logistieke zetel. Dat betekent een reële verarming van ons economisch weefsel. We dreigen een volk van bedienden te worden." Dat straalt af op het hele bedrijfsleven. Nederland en Scandinavische landen herbergen ettelijke wereldbedrijven met een lokaal management. Verbeke: "Het zijn stuk voor stuk kweekvijvers van managers, die na verloop van tijd uitzwermen naar andere bedrijven. Ze stellen hun kennis en hun middelen ter beschikking van de managementscholen en universiteiten, die zo ondernemingsgericht onderwijs op niveau kunnen brengen. Universiteiten gedijen beter in een economisch sterke omgeving, omdat er een wisselwerking ontstaat. Ze voeden elkaar. Economische afhankelijkheid leidt tot intellectuele verarming." Maar in het algemeen vermindert het belang van een Europees hoofdkwartier. En dat is een structurele trend. "De vraag stelt zich steeds meer welke de toegevoegde waarde is van een regionaal hoofdkwartier", stelt Yvan Jansen. "Multinationals hebben steeds vaker de neiging om hun grotere lokale entiteiten rechtstreeks te laten rapporteren aan het moederbedrijf. Met de schier oneindige communicatiemogelijkheden is dat ook geen probleem meer. Een goed voorbeeld is General Electric, dat zich per businessunit heeft georganiseerd en niet per regio." In het algemeen worden de hoofdkantoren ook veel kleiner, én zijn ze makkelijker verplaatsbaar. "Diensten als IT en hr kun je nu eenmaal makkelijker verplaatsen naar goedkopere landen en eventueel outsourcen. Het enige wat telt, is efficiëntie. Een expertisecentrum is aan-trekkelijker voor ons land met zowel zijn hogere arbeidskwalificaties als zijn hogere arbeidskosten omdat het eerder effectiviteit opzoekt en daarvoor bereid is de prijs te betalen", zegt Jansen. "Een trend die mij meer zorgen baart, is dat we van alle spelers uit de nieuwe groeilanden (de BRIC-landen, nvdr) geen enkele hebben aangetrokken. Terwijl sommige van die nieuwe sterke groeiers hun aanwezigheid in Europa nu beginnen op te bouwen, zijn wij daar niet bij." Roel Spee nuanceert: "India en China doen nog maar hun eerste voorzichtige stappen, en dat is niet echt met regionale hoofdkwartieren, maar eerder via lokale vestigingen. Die kunnen later natuurlijk wel de rol opnemen van een regionaal beslissingscentrum, en dan vallen we wel uit de boot." De vraag is wat de politiek kan doen om het tij te keren. "Staatssteun is vandaag wel de trend, maar op termijn financieel niet houdbaar", voorspelt gewezen VLD-senator De Grauwe. "De beste manier om ondernemingen hier te houden of te krijgen, is een kader te bieden: een flexibele arbeidsmarkt, goed onderwijs, aanvaardbare fiscale en andere lasten. Wat dat laatste betreft, is fiscale concurrentie niet meer van deze tijd. Een land als Ierland kon jarenlang hoofdzetels lokken met een belasting van 15 procent, maar is nu budgettair uitgeteld." Louis Verbeke breidt dat kader uit tot het vennootschapsrecht om een verankering mogelijk te maken. Die term ligt hem niet. "Een schip dat aan anker blijft liggen, wordt zinloos en zal na verloop van jaren wegroesten", argumenteert hij. "Zo'n schip moet kunnen uitvaren over de wereldzeeën. Ik wens enkel dat de kapitein en de officieren tijd krijgen om hun richting te kiezen." Verbeke wil niet verbieden dat een onderneming wordt overgenomen. "Als aandeelhouders willen verkopen, mag en kan je dat niet verbieden", klinkt het. "Het probleem is dat te veel ondernemers gedwongen worden om te verkopen, omdat het kapitaal voor verdere groei ontbreekt. Het management heeft gewoon de tijd niet om het bedrijf ernstig uit te bouwen." Hij is voorstander van het dubbele stemrecht voor beleggers die al twee jaar een aandeel hebben (naar Frans model). "Een onderneming zou dan naar de beurs kunnen trekken, kapitaal aantrekken en met een kern van trouwe stakeholders doorgroeien", klinkt het ook bij Hilde Laga van het gelijknamige advocaten-kantoor en tevens docente vennootschapsrecht aan de KULeuven. "Alle aandeelhouders moeten gelijk worden behandeld. Je kunt de globalisering van de wereld niet tegenhouden met dubbel stemrecht of andere constructies, zoals golden shares. Bovendien heeft Europa een probleem met zulke beschermingsconstructies." Zo wilde de Commissie een verplicht bod op alle aandelen van een beursgenoteerd bedrijf als een groep aandeelhouders meer dan 30 procent controleert. De beursnotering zou dan eigenlijk zinloos worden. Op die manier wordt het systeem van referentieaandeelhouders beperkt en wordt een eerder Angelsaksisch kapitalisme van breed verspreide aandelen voor beursgenoteerde ondernemingen aan-gemoedigd. Marieke Wyckaert, professor vennootschapsrecht (KULeuven): "Een belgo-Belgische overgangsmaatregel, zogezegd ter bescherming van bestaande aan-deelhouders, leidde ertoe dat talloze Belgische referentieaandeelhouders hun positie versterkten en hun aandeel tot net boven de 30 procent optrokken. De Europese poging om een uniek systeem op te leggen, is dus voorlopig volledig mislukt." Of de Commissie er op termijn wel in zal slagen, durft Wyckaert vandaag niet meer beweren. Immers: "De crisis leidt ertoe dat heel wat landen terug ijveren voor beschermingsconstructies. Ik ben voorstander van het eenvoudige principe van één aandeel, één stem, tenzij misschien voor beursgenoteerde bedrijven en dan alleen met een goed uitgebouwd systeem van controle en evenwicht." Verbeke verzet zich met klem tegen het idee als zouden beschermingsconstructies achterhaald zijn in tijden van globalisering en het wegvallen van de grenzen. Immers: "België wil de beste leerling van de klas zijn, terwijl er helemaal geen klas is. In alle landen van Europa - ook het VK - zijn er verdedigingsmechanismen, waardoor bedrijven eerst geld ophalen op de beurs en dan doorgroeien zonder dat ze verzwakt worden en een overnamekandidaat worden voor hun concurrenten. Let wel: de Commissie wilde een uniek vennootschapsmodel invoeren, maar werd door alle grote lidstaten teruggefloten. Dat deden ze in het belang van hun land, zoals dat heet. Dit is een deel van het probleem. Om de belangen van een land te verdedigen, moet je ook een land hebben met gemeenschappelijke doelstellingen. België heeft twee landen in zich, die verschillend denken." In Franstalig België is er veel weerstand tegen verdedigingsmechanismen. Verbeke: "In de eerste plaats hanteren francofone juristen en politici een cartesiaanse logica, die geen soepelheid toelaat en de vennootschap bekijkt vanuit het oogpunt van de aandeelhoudersdemocratie. Bovendien heeft francofoon België minder een probleem met de overnames van grote bedrijven door Franse groepen. "Ze beschouwen de Fransen als een bevriende relatie. Meer nog: door hun alliantie met Franse kapitaalgroepen behouden ze hun positie bij de Belgische decision makers. Of dat ook het geval was bij de overname van Fortis? Ik weet het niet. Die geschiedenis moet ooit geschreven worden." (T) opinie. Verankeren is een werkwoord, blz. 8 Door Hans Brockmans en Lieven Desmet