De Europese richtlijn over de spaarfiscaliteit werd op 1 juli van kracht. Twintig jaar geleden had men het al over de mogelijkheid om de verschillende fiscale regimes binnen Europa op elkaar af te stemmen. En dat was nodig ook. De Europese spaarrichtlijn in zeven basisvragen.
...

De Europese richtlijn over de spaarfiscaliteit werd op 1 juli van kracht. Twintig jaar geleden had men het al over de mogelijkheid om de verschillende fiscale regimes binnen Europa op elkaar af te stemmen. En dat was nodig ook. De Europese spaarrichtlijn in zeven basisvragen. De fiscale verschillen tussen de lidstaten deden door de liberalisering van de markten het vrije verkeer van kapitaal en personen nog toenemen. En omdat er fiscale voorkeursregimes ontstonden, werd het dringend om de alsmaar toenemende fiscale vlucht een halt toe te roepen. Zowel bij ondernemingen als bij particulieren. De fiscale voorkeursregimes hebben immers perverse gevolgen. Om te beginnen neemt de belasting van kapitaal af, wat ertoe leidt dat de belasting op arbeid een stijgende lijn gaat volgen. Temeer omdat de meeste lidstaten hun budgettaire put de voorbije jaren nog dieper zagen worden. Daarnaast kan een aantrekkelijk fiscaal regime een onderneming ertoe aanzetten om haar activiteiten te delokaliseren om andere dan economische redenen. Ten slotte hebben de particulieren hun spaargeld massaal overgebracht naar een land waar het onder een gunstiger fiscaal regime viel. De Belgische eenmalige bevrijdende aangifte van vorig jaar toonde aan dat het fenomeen zeker niet onderschat werd. De Nationale Bank schat overigens het (al dan niet legale) vermogen van de Belgen in het buitenland op 180 tot 200 miljard euro. Het is om die nadelige fiscale concurrentie te vermijden dat er een aantal maatregelen werden getroffen. Een daarvan, voor particulieren, is de fameuze richtlijn 2003/48/CE van 3 juni 2003. Zij zal een nieuwe fiscale cultuur met zich brengen. De richtlijn wil vermijden dat het spaargeld van een inwoner van een lidstaat dat in een andere lidstaat werd geplaatst, niet volgens de fiscale regels van die andere lidstaat wordt belast. Het zal met andere woorden voor een Belgische spaarder met een vermogen in bijvoorbeeld Luxemburg onmogelijk worden om de belastingen op de inkomsten uit zijn spaargeld in Luxemburg te vermijden. Want wat er achter de richtlijn schuilgaat, is al bij al vrij eenvoudig: elke lidstaat van de Europese Unie zal dezelfde fiscale regels toepassen wat betreft de belasting van spaargeld als de regels die gelden voor zijn eigen inwoners. Alleen de fysieke personen met spaargeld in het buitenland worden door de Europese richtlijn geviseerd. Voor Belgen die geïnvesteerd hebben in roerend goed in België, wijzigt er dus niets. Zij zullen op de interesten op schuldpapier (obligaties) een roerende voorheffing van 15 % moeten betalen en op dividenden op aandelen een voorheffing van 25 %. Tarieven die, in vergelijking met wat geldt in het buitenland (waar er soms een vermogensbelasting bestaat) en met de tarieven die over enkele jaren van toepassing zullen zijn (35 %), gerust mild mogen worden genoemd. Het toepassingsgebied van de richtlijn omvat de belasting van inkomsten uit spaargeld in de vorm van de betaling van interesten op schuldpapier. Op geografisch vlak is de richtlijn uiteraard van toepassing in de 25 lidstaten, maar ook in sommige andere landen (Zwitserland, Monaco, Andorra, San Marino en Liechtenstein) en andere 'aangesloten' gebieden van de lidstaten. Men denkt dan natuurlijk in de eerste plaats aan al die kleine staatjes die meer financiële instellingen dan inwoners hebben. Voorbeelden zijn Jersey, Guernsey, het eiland Man enzovoort. Het systeem waarmee men de fiscale vlucht wil stoppen, steunt op twee methodes: de afhouding aan de bron en de uitwisseling van informatie. Om hun bankgeheim - of wat daar nog van rest - te vrijwaren, hebben enkele landen die onder de Europese richtlijn vallen, het recht gekregen om in een overgangsfase een afhouding aan de bron toe te passen voor de inkomsten uit beleggingen die interesten opleveren. Dat zijn Oostenrijk, België, Luxemburg en Zwitserland. Die vier landen zullen met andere woorden een roerende voorheffing afhouden van de interesten die een inwoner van een andere lidstaat int, zonder dat er informatie wordt doorgespeeld aan de fiscale administratie van het land waar de spaarder inwoner van is. Welke voorheffing mogen die landen nu afhouden? Het gaat om een progressief tarief: 15 % vanaf 1 juli 2005, 20 % vanaf 1 juli 2008 en 35 % vanaf 1 juli 2011. Dat zal de prijs zijn voor het behoud van de discretie. We merken op dat 75 % van de interesten die in die vier landen worden opgehaald, zullen worden doorgespeeld aan de Europese lidstaat waarvan de betrokken spaarder inwoner is. Hoelang zal die overgangsperiode duren? In principe zal dat tien jaar zijn, vanaf het moment waarop de richtlijn van kracht wordt. Tenminste, voor zover de onderhandelingen met derde landen die als erg 'gastvrij' beschouwd worden, zoals Zwitserland, Liechtenstein, Monaco, Andorra en San Marino, vorderingen gemaakt hebben wat de uitwisseling van informatie betreft. België, Oostenrijk en Luxemburg zijn met andere woorden, vanuit een streven naar gelijkheid van behandeling, niet verplicht informatie door te spelen zolang derde landen dat niet doen wanneer erom gevraagd wordt. Uiteraard zijn de aangehechte of aangesloten gebieden van het Verenigd Koninkrijk en van Nederland (de Engels-Normandische eilanden, het eiland Man en de aangehechte of aangesloten gebieden in de Caraïben) verplicht dezelfde maatregelen toe te passen. De andere 22 lidstaten kozen voor de uitwisseling van informatie. In grote lijnen betekent dit dat de staat waar de spaarder interesten heeft geïnd, informatie (over identiteit, domicilie, bankrekeningnummer en bedrag van de betaling) zal doorspelen aan de staat waarvan de betroffen spaarder inwoner is. Die laatste zal dus niet kunnen ontsnappen aan een belasting in zijn woonstaat van zijn inkomsten (in België is dat 15 % voor inkomsten uit obligaties en 25 % voor dividenden op aandelen). Een groot belang! Als we stilstaan bij de inhoud van de richtlijn, zien we weliswaar dat heel wat spaarders geviseerd worden - obligaties en deposito's zijn immers veel voorkomende beleggingen - maar dat het aantal producten dat ongemoeid blijft, ook aanzienlijk is. Maar de nieuwe fiscale cultuur die de richtlijn zal meebrengen, is heel wat belangrijker dan de beleggingen die al dan niet geviseerd worden. Er zullen nog altijd (al dan niet wettelijke) mogelijkheden bestaan om fiscaal te vluchten, dat ligt voor de hand. Maar de smalle basis waarover de lidstaten het eens zijn geworden, vormt ongetwijfeld het fundament voor een echte samenwerking tussen de Europese lidstaten. Het zou hoe dan ook dom zijn te denken dat het binnen afzienbare tijd nog eenvoudig zal zijn om ongestraft kapitaal buiten de landsgrenzen onder te brengen. En zelfs wanneer het nog mogelijk zou zijn, zal het alsmaar moeilijker worden om dat kapitaal achteraf weer naar huis te halen zonder dat dit achterdocht opwekt. Ja, ze zal zeker evolueren. Dat is zo voorzien in de tekst van de richtlijn zelf (de herzieningsclausule). Over drie jaar zullen de lidstaten voor het eerst samenkomen om een stand van zaken op te maken van de toepassing van de richtlijn en in het bijzonder van het functioneren van het systeem van uitwisseling van informatie en van de afhouding aan de bron. In dat opzicht is het niet ondenkbaar dat sommige beleggingsproducten die nu nog niet geviseerd worden door de richtlijn, dan zullen worden besproken in het licht van een eventuele opname in het toepassingsgebied. François Mathieu