Eindelijk weet ik wat de mens onderscheidt van de andere beesten: geldzorgen," schreef de negentiende-eeuwse Franse auteur Jules Renard. Ach, geld, het is allemaal de schuld van de Turken. Al rond 640 voor Christus vond in Lydië (in het huidige Turkije) de overgang plaats van protogeld naar echte munten. Eerdere vormen van geld bleven vooral beperkt tot goederen die konden variëren van zout tot tabak, van kokosnoten tot rijst, van rendieren tot bizons. Zelfs ons woord salaris verwijst nog altijd naar dat stadium. Het stamt van het Latijnse salarium, wat zou...

Eindelijk weet ik wat de mens onderscheidt van de andere beesten: geldzorgen," schreef de negentiende-eeuwse Franse auteur Jules Renard. Ach, geld, het is allemaal de schuld van de Turken. Al rond 640 voor Christus vond in Lydië (in het huidige Turkije) de overgang plaats van protogeld naar echte munten. Eerdere vormen van geld bleven vooral beperkt tot goederen die konden variëren van zout tot tabak, van kokosnoten tot rijst, van rendieren tot bizons. Zelfs ons woord salaris verwijst nog altijd naar dat stadium. Het stamt van het Latijnse salarium, wat zoutrantsoen betekent. Sal staat voor zout. Gestandaardiseerde hoeveelheden kostbaar zout dienden een tijdlang als betaalmiddel. In Lydië werden de eerste munten vervaardigd uit electrum, een in de natuur voorkomende legering van goud en zilver. Later werd er een leeuwenkop in geslagen, zodat de authenticiteit verzekerd was. Dat eerste echte geld was echter zo waardevol an sich, dat het nauwelijks uit handen gegeven werd. Voor de grote doorbraak was het wachten op munten van verschillende metalen, zoals goud en zilver of koper. In de derde en tweede eeuw voor Christus werden dergelijke munten al gebruikt in Griekenland om de mensen te betalen die in een stemming voor een politiek ambt waren gekozen. We geven het toe, we hebben ons nu al te lang laten meevoeren door dat ene onderwerp, het ontstaan van geld, een thema dat fascinerend verteld wordt maar nauwelijks opvalt in de kolos Ideeën, een boek van nagenoeg 2,5 kilo. Dat is de schuld van de Britse psychiater-historicus-archeoloog Peter Watson (1943). We waren niet eens van plan dat encyclopedische gevaarte vaak open te slaan, maar na wat grasduinen zijn we met open ogen in de aantrekkelijke val getrapt. Ettelijke nachten hebben we ons op sleeptouw laten nemen door een schier eindeloze potpourri van onderwerpen. Of, neen, het etiket potpourri zou de Britse homo universalis oneer aandoen. Zijn uitleg - beeldig en toch secuur, meeslepend en toch pertinent - snijdt veel dieper. Het is ook niet zomaar een aaneenrijging, Watson verbindt de ideeën en de uitleg ook, hij zoekt verbanden en conclusies in zijn kroniek van duizenden jaren van ideeën. Watson schreef een coherente geschiedenis van de ideeën, zeg maar van de religies, de kunst, taal, politiek, economie én wetenschappen - van de vuistbijl, via de kathedralen tot Freud en de elementaire deeltjes, van het boeddhisme tot het ontstaan van het kapitalisme. En passant geeft hij ook verrassende, soms eigenzinnige (maar niet noodzakelijk onzinnige) interpretaties aan de evolutie. Zo legt hij de kiem van de moderne wereld niet in de renaissance, maar al in de periode 1050-1250. Toen ontstonden de steden en werd het onderwijs méér dan het doorgeven van de kopieerdrift, van het status-quo in de abdijen. Dat is ook de rode draad in het boek: overal waar een religie of ideologie het status-quo oplegt, begint de neergang. Peter Watson, Ideeën. Standaard Uitgeverij, 1022 blz., 59,95 euro. Luc De Decker