eXtra informatie op www.trends.be Een artikel uit ons zusterblad Cash over pensioenspaarfondsen, en een eerder artikel uit Trends over het beste pensioenstelsel voor zelfstandigen.
...

eXtra informatie op www.trends.be Een artikel uit ons zusterblad Cash over pensioenspaarfondsen, en een eerder artikel uit Trends over het beste pensioenstelsel voor zelfstandigen.Grijze haren bezorgen niet alleen kokette dames kopzorgen, maar ook onze beleidsmakers. De vergrijzing van de Belgische bevolking boort gaten in de financieringskas van de wettelijke pensioenen (zie blz. 34). Steeds meer Belgen beleggen daarom uit voorzorg (en natuurlijk ook uit fiscale overwegingen) hun centen in privépensioenproducten. En ook steeds meer werkgevers bouwen samen met de werknemers extra pensioenrechten op via het eigen bedrijf of met andere sectorgenoten. Maar renderen al die extra centen wel? Want ze worden grotendeels belegd in beleggingsfondsen, aandelen, obligaties en allerlei andere risicovolle activa. Bedrijfspensioenen worden in het pensioenlandschap de 'tweede pijler' genoemd. Ze worden voorafgegaan door de wettelijke pensioenen (eerste pijler) en achtervolgd door de individuele pensioenen (derde pijler). Sinds 2003 heeft de tweede pijler een stevig wettelijk jasje aan. De wet over aanvullende pensioenen (WAP voor de ingewijden) organiseert de aanvullende pensioenvoorzieningen op het niveau van een bedrijfssector. De bijdragen aan het aanvullende pensioenplan worden betaald door de werkgever en werknemer samen, of enkel door de werkgever of de werknemer. Vóór de WAP genoten volgens de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) ruim een miljoen werknemers van de voordelen van een bedrijfspensioen. Na de nieuwe wet kwamen daar ongeveer 643.045 gelukkigen uit de privésector bij, volgens de federale minister van Pensioenen Bruno Tobback (SP.A). De WAP regelt niet alleen hoe de sector zich moet organiseren, maar legt ook minimumrendementen op die de bedrijfspensioenen moeten ophoesten. Anno 2006 bepaalt de wet dat een rendement van 3,25 % moet uitbetaald worden op alle werkgeversbijdragen, en 3,75 % op de werknemersbijdragen. Hoeveel een werknemer op het einde van de rit werkelijk mee naar huis neemt, hangt onder meer af van het type contract dat de werkgever voor hem afsloot. Valt een werknemer onder een defined benefit plan, dan krijgt hij bij zijn pensionering een vooraf bepaald bedrag dat een percentage van zijn laatste loon vertegenwoordigt. Een werkgever die voor een definedcontribution plan heeft gekozen, stort steeds dezelfde premies door voor zijn werknemers. Wat dat op de pensioenleeftijd opbrengt, hangt dan af van hoe goed de pensioenbeheerder de centen heeft laten renderen. Maar geen nood: als beide plannen onder de WAP vallen, ligt er sowieso een gegarandeerd rendement op u te wachten. Tot op vandaag vallen de meeste contracten (zo'n 75 % van de markt) onder de definedbenefitformule, maar de definedcontributionregelingen en de gemengde vormen winnen aan populariteit. Maar wie zijn die pensioenbeheerders eigenlijk? En hoe goed beheren ze uw bedrijfspensioen? Een bedrijf, groep bedrijven of bedrijfssector kan zich organiseren via een pensioenfonds of kan de hulp inroepen van een verzekeringsmaatschappij waar ze een groepsverzekering afsluit. De Belgische pensioenfondsen beheerden vorig jaar ongeveer 13,8 miljard euro, de verzekeringsmaatschappijen in 2004 bijna 30 miljard. Verzekeringsmaatschappijen. Verzekeringsmaatschappijen weten de meeste bedrijfsklanten te lokken naar hun groepsverzekeringen, maar hebben het nu moeilijk om het hoofd meer dan fatsoenlijk boven water te houden. Boosdoener is de lage termijnrente die de financiële markten nu al zo lang domineert en die de rendementen van de verzekeraars zwaar aantast (zie kader: 12,5 % van verzekeraars in nauwe schoentjes). Cijfers van Assuralia, de beroepsvereniging van Belgische verzekeraars, leren ons dat het rendement op de beheerde middelen van groepsverzekeringen in 2004 slechts 0,9 % bedroeg (zie grafiek 1: Rendement groepsverzekeringen blijft ondermaats). Dat rendement volstaat natuurlijk niet om aan de WAP-eisen te voldoen, laat staan om de werknemers een extraatje te gunnen. Pensioenfondsen. De 257 Belgische pensioenfondsen mogen in eigen land, en ook op internationaal vlak, wel het kleinere broertje zijn, op het vlak van rendementen scoren ze vandaag behoorlijk beter dan de verzekeringsmaatschappijen. Een onderzoek van de Belgische Vereniging van Pensioenfondsen bij 52 % van haar leden (die samen 85 % van de hele sector vertegenwoordigen in waarde) leert dat de pensioenfondsen in 2005 een rendement haalden van gemiddeld bijna 15 %. Met dit cijfer klimt de sector uit een dal dat werd veroorzaakt door de slechte beursprestaties in het begin van het millennium (zie grafiek 2: Rendement bedrijfspensioenfondsen klimt uit het dal). De pensioenfondsen zetten betere rendementen neer dan de verzekeraars, omdat zij meer konden profiteren van het beursherstel. Het gros van hun middelen is immers geïnvesteerd in beleggingsfondsen en niet in obligaties, zoals bij de verzekeraars. Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn bij de fondsen. De beurzen vertonen vandaag grillige neerwaartse bewegingen, waardoor de rendementen weer onder druk komen te staan. Bovendien bedraagt het gemiddelde rendement over de periode 2000-2005 nog steeds maar 2,26 %, wat onder het gewaarborgde WAP-rendement uitkomt. Maar net als bij de verzekeraars hebben de pensioenfondsen nog voldoende reserves achter de hand om aan hun verplichtingen te voldoen. Ten opzichte van elke euro aan pensioenverplichting, bezitten de pensioenfondsen 1,49 euro aan reserves. Het individuele pensioensparen, of de derde pensioenpijler, is uitgegroeid tot een fiscaal hebbeding. De Belgische overheid geeft sinds 1987 individuele pensioenspaarders een korting via de belastingaanslag. Anno 2006 krijgt elke spaarder op een inlegbedrag van maximaal 800 euro een fiscaal voordeel dat schommelt tussen 30 en 40 %. Ongeveer een miljoen Belgen zou individueel pensioensparen. Net als bij de bedrijfspensioenfondsen bewegen er twee types beheerders op de markt: de fondsen en de verzekeraars. Spaarders kunnen dus kiezen tussen een pensioenspaarverzekering en een pensioenspaarfonds dat door een bank wordt uitgegeven. Verzekeringsmaatschappijen. Wie pensioenspaart via een verzekering, investeert in een speciale versie van een levensverzekering. Vorig jaar stond er ongeveer 5 miljard euro op de pensioenspaarverzekeringen. Het rendement wordt contractueel vastgelegd, maar kan wettelijk maximaal 3,75 % bedragen. Vandaag bieden de meeste contracten ongeveer 2,75 % aan. Maar geen nood, vaak voorziet de verzekeraar in winstdeelname en kan het rendement zo weer wat meer opleveren. De pensioenspaarverzekering is beperkt tot een jaarlijkse inbreng van 800 euro. Wie meer wil sparen, kan bijvoorbeeld terecht in een Tak 21-product. Een Tak 21 is een levensverzekering met een vast rendement dat contractueel wordt vastgelegd (maximaal 3,75 % per jaar). Kiest u voor een Tak 21, dan hebt u ook een fiscaal voordeel, tenminste als u kiest voor een fiscaal contract. Bij een fiscaal Tak 21-contract komen de premies in aanmerking voor een belastingvermindering van 30 à 40 %, tot een maximum van 1920 euro. U moet wel rekening houden met een belasting op het einde van de rit (in principe 10 %). U kunt dit vermijden door een niet-fiscaal Tak 21-contract te nemen. De premies komen dan niet in aanmerking voor een belastingvermindering. Het heeft trouwens ook geen zin om een fiscaal Tak 21-contract te nemen zolang u de kapitaalaflossingen en de interest van een hypothecaire lening fiscaal aftrekt. In de praktijk is er dan immers geen fiscale ruimte meer om ook de premies van een fiscaal Tak 21-contract af te trekken. De huidige rendementen die verzekeraars halen op de pensioenspaarverzekeringen zijn vergelijkbaar met de rendementen op Tak 21-producten. En net als de groepsverzekeringen staan de Tak 21-producten van de verzekeraars onder druk van de lage termijnrente. Volgens de cijfers van Assuralia boekten de Tak 21-producten met een gewaarborgd rendement, waaronder ook de pensioenspaarverzekeringen vallen, een rendement van 1,3 % in 2004. Pensioenspaarfondsen. 10 miljard euro. Dat zouden de twaalf Belgische pensioenfondsen eind 2005 aan middelen beheren. Wie investeert in een pensioenfonds, geniet van een fiscaal voordeel maar leeft in onzekerheid over zijn rendement. Hoeveel een fonds opbrengt, hangt immers sterk af van de beursprestaties. En die staan sinds de beursperikelen van de afgelopen weken weer zwaar onder druk. En hoewel de wet verschillende beleggingsbeperkingen oplegt aan de fondsbeheerders, slagen sommige fondsen er toch in via een gediversifieerd beleid betere prestaties te behalen dan de concurrentie. Het pensioenfonds van Argenta, dat wordt beheerd door Petercam, staat met stip op nummer één met een jaarrendement van 21 %. An Goovaerts