De auteurs zijn werkzaam bij het Instituut voor Persoonlijke Financiële Planning.
...

De auteurs zijn werkzaam bij het Instituut voor Persoonlijke Financiële Planning.Veel jongeren hebben voor de start van hun carrière al een vakantiejob gedaan in de zomer. Twee of drie maanden vakantie is immers lang en de extra geldmiddelen zijn welkom om al hun activiteiten te financieren. Het bedrag dat die jongeren op het einde van de maand op hun bankrekening zien verschijnen, is aanzienlijk. Dat komt natuurlijk door het fiscaal gunstige uitzonderingsregime dat een jobstudent geniet. Aan die voordelen zijn een aantal voorwaarden gekoppeld, maar de grote meerderheid van de studenten die één maand in de zomervakantie werken, voldoet daaraan. Maar wat als uw zoon of dochter ook de zaterdagavonden opoffert om bij te verdienen? Moeten ze de gewone sociale bijdragen betalen? Zijn ze fiscaal nog te uwen laste zodat zij hiervoor een belastingvermindering genieten? En blijft u kindergeld voor hen ontvangen? Het kindergeld blijft behouden ongeacht het loon dat ze verdienen. Werken ze in de zomer-, kerst- en paasvakantie, dan is er geen probleem. Ook wie in de loop van het jaar met een geschreven studentencontract werkt, behoudt het kindergeld. Werkt de jobstudent tijdens de zomervakantie maximaal 23 dagen, dan gelden de normale sociale bijdragen niet. De student betaalt slechts een solidariteitsbijdrage van 2,5 %, de werkgever betaalt 5 %. Op het loon dat buiten de zomervakantie verdiend wordt, moet de werkgever de gewone sociale bijdragen inhouden. Uiteraard gelden hier de normale socialezekerheidsrechten en heeft de student ook recht op vakantiegeld. Een jobstudent blijft fiscaal ten laste van zijn ouders zolang hij niet meer verdient dan een bepaald grensbedrag. De ouders blijven dan ook genieten van een aantal fiscale voordelen, zoals de verhoogde belastingvrije som. Voor het inkomstenjaar 2003 ligt het grensbedrag op 2450 euro netto. Een student met een alleenstaande ouder mag maximaal 3540 euro netto verdienen. Dat bedrag omvat ook eventuele onderhoudsuitkeringen. Als de jobstudent niet meer fiscaal ten laste van zijn ouders is, wordt hij als fiscaal alleenstaande beschouwd. Hij valt dan in het gewone stelsel van de personenbelasting en betaalt geen belasting als zijn inkomen niet hoger ligt dan de belastingvrije som van 5570 euro netto. Veel jobstudenten worden dus nooit geconfronteerd met de hoge belasting op arbeid. Bij het begin van hun carrière vinden veel jongeren hun nettobeginwedde maar pover in vergelijking met wat ze verdienden als jobstudent. De werkgever daarentegen is een pak meer centen kwijt. Niet alleen is het verschil tussen bruto- en nettoloon groot vanwege de sociale bijdragen (13,07 %) en de marginale belastingvoet (tot 50 %), de werkgever betaalt bovenop het brutoloon ook nog eens werkgeversbijdragen van ongeveer 33 %. Of uw kind nog thuis woont of niet, speelt voor de berekening van deze belasting amper een rol. Het zijn namelijk alleen de gemeentelijke opcentiemen die een (miniem) verschil kunnen maken. De percentages van de opcentiemen schommelen meestal rond 7 %. In steden ligt het percentage vaak iets hoger dan in gemeenten. Veel voor- of nadelen van een domiciliëring op een andere plaats zijn er meestal niet. Tenzij uw kind gaat wonen waar de gemeentebelasting zeer laag of onbestaande is, zoals in Knokke of Koksijde. De eerste belastingafrekening valt voor de beginnende jongere meestal reuze mee. Niet vanwege de uitzonderingsmaatregelen, maar juist omdat hij onder de normale belastingregels valt. Nadat ze zijn afgestudeerd, starten de meeste jongeren in het najaar met hun carrière. Daarom verdienen ze bruto meestal niet meer dan de belastingvrije sommen waarvan iedereen geniet. Die staan vast voor een volledig kalenderjaar en worden niet pro rata verdeeld volgens het aantal maanden dat de jongere werkelijk gewerkt heeft. Zo kan hij (weliswaar anderhalf jaar later) een mooi extraatje op zak steken. Een startende werker kan echter ook minder aangename verrassingen krijgen. Als hij nog thuis woont, maar ook een appartement huurt om in de week dicht bij het werk te kunnen verblijven, mag hij rekenen op een taks op tweede verblijven. Die taks hangt af van de gemeente of stad waar hij iets huurt. Meestal is het een goed idee om het domicilie te wijzigen. De taks doet een eventueel voordeel dankzij de lagere opcentiemen meer dan teniet. Werkende jongeren die dagelijks de rit naar het werk met de auto doen, kunnen hun werkelijke beroepskosten bewijzen. Dat is voordelig als de kosten hoger oplopen dan de forfaitaire beroepskosten, die voor aanslagjaar 2004 op 3000 euro liggen. De kosten die ze voor woon-werkverkeer in aanmerking mogen nemen, bedragen forfaitair 0,15 euro per kilometer. Iemand die ver van zijn werk woont, kan hiermee toch een gedeelte van zijn reiskosten terugkrijgen. Zo kan iemand die dagelijks honderd kilometer heen en terug naar zijn werk moet rijden, 100 (kilometer) x 2 (heen en terug) x 220 (werkdagen) x 0,15 euro = 6600 euro aan werkelijke beroepskosten bewijzen. Dat is 3600 euro meer dan het forfait. Aan een marginale belastingvoet van 50 % betekent dit een besparing van 1800 euro. De kost van wonen (huur, lasten, onderhoud) is veruit de belangrijkste uitgavencategorie voor jongeren (zie tabel: Waaraan besteden jongeren hun geld?). Wanneer ze thuis wonen, kunnen ze deze kosten geheel of gedeeltelijk uitsparen. Ook de uitgaven voor voeding, meubelen en huishoudtoestellen liggen aanzienlijk lager voor werkende jongeren die nog thuis wonen. Ze kunnen gemiddeld tot 50 % van hun inkomen sparen in vergelijking met zelfstandig wonende jongeren. Tenzij hun ouders gewiekste onderhandelaars zijn. Xavier Vandoorne Jo StremerschEen jongere die thuis woont, maar ook een appartement huurt om dicht bij het werk te kunnen verblijven, mag rekenen op een taks op tweede verblijven.