Copyright: The Economist.
...

Copyright: The Economist. Niemand wordt bedrijfsrevisor omdat hij op zoek is naar een avontuurlijke job. In de voorbije jaren vertoonde dat beroep nochtans heel wat pittige kantjes. Revisoren waren verwikkeld in de ene fraudezaak na de andere. Het Enron-schandaal luidde de doodsklok over Arthur Andersen, tot dan toe een van de vijf reuzenfirma's in de branche. Nu bedreigt het schandaal dat eind 2003 aan het licht kwam bij het Italiaanse zuivelconcern Parmalat zowel Deloitte & Touche, een andere wereldreus, als Grant Thornton, een belangrijke tweededivisiefirma. Intussen blijven de schandalen zich opstapelen. De recentste hebben te maken met financiële manipulaties bij Fannie Mae, de bijna parastatale hypotheeknemer in de VS, en bij de telecomuitrustingsgroep Nortel Networks. Beleggers zijn afhankelijk van de integriteit van het revisoraat. Als die er niet is, ontberen de kapitaalmarkten een belangrijke vertrouwensbasis. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de schandalen veranderingen hebben teweeggebracht binnen het beroep. In de Verenigde Staten heeft het de zelfregeling van de sector zien verdwijnen ten voordele van de Public Company Accounting Oversight Board ( PCAOB), eigenlijk een nieuwe regelgever. Bovendien werd het beroep overstelpt met nieuwe regels, beperkingen en eisen in het kader van de Sarbanes-Oxley Act. In Europa worden vorderingen gemaakt - zij het traag - met de invoering van de Achtste Richtlijn inzake Vennootschapswetgeving, die zich onder meer buigt over het auditberoep. Alvast een gevolg van al die veranderingen is dat de audits strenger zullen worden. De PCAOB is begonnen met de inspectie van de kwaliteit van de audits en de interne controle in auditbedrijven. Zijn eerste, grotendeels geruststellende rapport is in augustus verschenen. De revisoren zelf zeggen dat ze hun normen aangehaald en de interne controle opgevoerd hebben. Ook de checks and balances binnen het financiële systeem werken beter. Auditcomités stellen scherpere vragen aan het management en de revisoren. Militante aandeelhoudersgroepen zoals Calpers houden de bedrijfsrevisoren aan standaarden die nog strenger zijn dan de wettelijk voorziene, vooral als het gaat om de levering van niet-auditdiensten. De revisoren hebben nu, door de nieuwe regels die ze moeten aanhouden, zelfs meer werk. Toch heerst, ondanks die vlaag van activiteit, achter de schermen onder de revisoren het gevoel dat ze nog lang niet afgerekend hebben met alle uitdagingen die op hen toekomen. Toegegeven, er werden al veelbelovende oplossingen naar voor geschoven, onder meer voor het probleem van de belangenconflicten, maar vooraanstaande revisoren wijzen op een centrale bekommernis: wat kan eventueel gedaan worden aan de onrustwekkende concentratie in de sector? Dat probleem lijkt bijna onoplosbaar. De grootste ondernemingen in de wereld hangen voor hun jaarlijkse audits af van een eng oligopolie van amper vier accountantsbedrijven. Volgens het General Accounting Office, een waakhond van het Amerikaanse Congres, controleren de zogenaamde ' Big Four' - Deloitte & Touche, PricewaterhouseCoopers ( PWC), Ernst & Young (E&Y) en KPMG - de boeken van 97 % van de beursgenoteerde ondernemingen in de Verenigde Staten. Ze kijken de rekeningen na van meer dan 80 % van de beursgenoteerde bedrijven in Japan, twee derde van die in Canada en de 100 grootste in Groot-Brittannië. Volgens de International Accounting Bulletin hebben ze, gemeten naar het inkomen aan honoraria, meer dan 70 % van de Europese markt in handen. Die dominantie roept twee vragen op. Fnuikt die concentratie de concurrentie en verlaagt ze de kwaliteit van de audits? En een nog meer verontrustende vraag: als een van die firma's over de kop zou gaan, zou het systeem dan nog kunnen draaien met slechts een Grote Drie? "Het dilemma is dat die bedrijven te belangrijk zijn om te mislukken - maar er bestaan niettemin mechanismen die hun val kunnen veroorzaken," zegt Paul Danos, decaan van de Tuck Business School aan Dartmouth College. "Dat vormt een wankel fundament voor de financiële markten." De vraag waarmee de sector nu wordt geconfronteerd, is: hoe weinig firma's is te weinig? In 2003, na de implosie van Andersen, hield het General Accounting Office zich met die kwestie bezig op vraag van het Amerikaanse Congres, dat zich daarover zorgen maakte. Er werden geen bewijzen gevonden van collusie tussen de topbedrijven. Er waren evenmin aanwijzingen dat de concentratie van het revisorberoep de kwaliteit van de audits in grote bedrijven schaadde (al vormde dat geen sluitende denkoefening). De grote bekommernis is niet zozeer dat vier bedrijven te weinig zouden zijn, maar wel dat die vier er wel eens drie zouden kunnen worden. Volgens een rapport van Glass Lewis, een onderzoeksconsultancy gespecialiseerd in vennootschapsbeheer, moesten door de ondergang van Andersen zo'n 1300 firma's halsoverkop op zoek gaan naar nieuwe revisoren. Op dit ogenblik hebben de Big Four met de nieuwe PCAOB-regels al meer dan de handen vol. Cono Fusco, een partner in het Amerikaanse Grant Thornton, zegt dat nog zo'n instorting "kan leiden tot een verlamming van de financiële markten", vooral als dat zou gebeuren aan het einde van het jaar, als de ondernemingen hun financiële rapporten indienen. Belangrijker is echter dat een Grote Drie zo goed als zeker met te weinig zouden zijn om een adequate graad van concurrentie te verzekeren bij de audits van grote ondernemingen. Het probleem is vooral acuut in bepaalde sectoren. Volgens Public Accounting Report, een nieuwsbrief van de sector, bedraagt het aandeel van drie van de Big Four (E&Y, KPMG en PWC) in de olie- en gassector 97,3 % van het geauditeerde inkomen. Bij de casino's auditeerden in 2004 amper twee firma's (Deloitte en E&Y) volgens dezelfde maatstaf 88,2 % van de sector. Soortgelijke concentraties worden aangetroffen in de transportsector, de steenkoolbranche en andere nijverheden. De regelgevers zullen zich wellicht in hun bewegingsvrijheid beperkt voelen als ze moeten reageren op slordig of onscrupuleus gedrag van de Big Four. Bijna iedereen is het erover eens dat de ondergang van Andersen het financiële systeem kwetsbaarder heeft gemaakt. Tot nog toe hebben de regelgevers de onregelmatigheden die aan het licht kwamen aangepakt met nauwkeurige, doelgerichte schorsingen. Zo kreeg eerder dit jaar E&Y gedurende zes maanden het verbod opgelegd om nieuwe beursgenoteerde klanten aan te nemen. Vastgesteld was dat het de regels over belangenconflicten overtreden had door een zakelijk partnerschap aan te gaan met PeopleSoft, een softwarefirma die tevens een van zijn auditklanten is. Wie kan echter zeggen dat er geen ander schandaal van het formaat van een Enron of Parmalat zal opduiken? "De waarheid is dat de groep van de Big Four waarschijnlijk te groot is om ten onder te gaan. De regelgevers weten dat en dat vormt een enorm moreel risico," zegt Jim Cox van Duke University. De berg rechtszaken die op het beroep - en vooral dan de Big Four - afkomt, geeft aanzienlijk meer voeding aan die bekommernissen. Neil Lerner van KPMG zegt dat er naar schatting voor 50 miljard dollar schadeclaims uitstaan tegen de Big Four. De schikkingen kunnen enorm oplopen. De vrees bestaat dat ook maar een vermoeden van een aanzienlijke uitbetaling een massale exodus van accountancypartners, gevolgd door klanten en dan weer van andere partners op gang kan brengen. "Andersen is niet per se ten onder gegaan door de aanklacht van de Amerikaanse beurswaakhond SEC," zegt Lerner, "maar omdat zijn internationaal netwerk uiteenrafelde. Het was een dodelijke spiraal." De proceskosten en de omvang van de vorderingen zijn tijdens de voorbije decennia gestaag gestegen, maar in de post-Enronperiode zijn ze allebei "als een raket de hoogte ingegaan," weet Bill Parrett, de baas van Deloitte in Amerika. Zo'n 10 % tot 20 % van de auditinkomsten van de Big Four vloeit routinematig naar gerechtskosten (schikkingen, verzekeringen en dies meer), die vervolgens doorgesluisd worden naar de consumenten. De Big Four hebben het enorm moeilijk om nog aan een verzekering te geraken, vooral tegen onvoorspelbare 'catastrofale' risico's. "Tien jaar geleden waren er 150 commerciële verzekeraars die de belangrijkste revisoraten dekking bezorgden," zegt Tom McGrath, een senior partner bij E&Y. "Nu zijn er nog tien." De Grote Vier geven toe dat ze wel iets moeten betalen als ze ter verantwoording geroepen worden voor hun aandeel in boekhoudfraude. Maar uiteindelijk, zo voeren ze aan, wordt de fraude bedreven door managers van ondernemingen, niet door hun revisoren. Auditors beweren dat ze het gros van de ingediende schadeclaims te torsen krijgen omdat ze diepe zakken hebben en vaak "de laatsten zijn die nog rechtop staan," zegt Sam DiPiazza, de directeur-generaal van PWC. Kan er iets gedaan worden aan de latente instabiliteit van het revisorberoep? Een ideaal scenario zou zijn dat de sector zichzelf zou corrigeren. "Als er ergens winst te halen valt, zul je ook wel nieuwelingen op de markt aantreffen," zegt Peter Wallison van de denktank American Enterprise Institute. De belemmeringen om binnen te dringen in het revisoraat van grote bedrijven zijn echter torenhoog. Enorme internationale netwerken opbouwen, is moeilijk en duur en de wetsregels in heel wat landen vereisen dat auditfirma's deelgenootschappen zijn en dus geen fondsen kunnen inzamelen op de kapitaalmarkt. Bij ontstentenis van een leefbare marktoplossing, vragen sommigen zich af of er misschien geen drastischer actie nodig is. Paul Danos van de Tuck Business School vindt dat de Big Four op de ene of de andere manier moeten worden gedwongen om zes of acht firma's te gaan vormen, indien nodig middels een verordening van de regering. Zoals zovelen vreest hij dat wanneer een van de bedrijven van de Big Four ten onder zou gaan, het risico groot is dat de overheid de audits overneemt en dat de financiële markten over een lange periode schade zou berokkend worden. Sommigen zeggen inderdaad dat de huidige toestand leidt naar een sluipende nationalisering van de sector. "We zijn een uiterst gereguleerde bedrijvigheid geworden en dat zal zo blijven," klaagt de baas van een van de auditfirma's. In plaats van een radicale maatregel zoals een uitsplitsing, stellen sommigen dat kleinere hervormingen de tweederangsfirma's ertoe kunnen brengen om mettertijd uit te groeien tot grotere ondernemingen. Jim Cox van de Duke University schuift twee mogelijkheden naar voor: verplichte rotatie van volledige audits in plaats van de meer beperkte rotatie van individuele partners zoals nu in de VS vereist is en strenge beperkingen aan de levering van niet-auditdiensten. "Dat soort van veranderingen zal leiden tot een wijziging in de concurrentiële structuur," voorspelt hij. Hij moedigt de kleinere ondernemingen dan ook aan om expertiseniches te ontwikkelen van waaruit ze de Big Four kunnen beconcurreren. Anderen zijn ervan overtuigd dat limieten of andere beperkingen van het toelaatbare marktaandeel van de Big Four in bepaalde segmenten (vooral de bedrijven in het midden van de markt) de kleinere accountancy's kunnen helpen groeien. Maar heel wat van die bedrijven uit de tweede rij vinden het idee dat de keuze van de klanten zou worden beperkt onverteerbaar, vooral omdat die beperkingen pas over vele jaren een vijfde grote concurrent zouden tot stand brengen, als dat al ooit zou gebeuren. Revisoren zijn in het verleden erg goed (misschien zelfs te goed) geweest in het oplossen van netelige problemen voor hun klanten. Voorlopig echter lijkt de concentratie in hun eigen sector net een uitdaging te ver. nCopyright The EconomistDe vele bedrijfsschandalen van de afgelopen jaren hebben enorme veranderingen teweeggebracht binnen het revisorenberoep.De berg rechtszaken die op het beroep - en vooral dan de 'Big Four' - afkomt, bedreigt de grote revisorenkantoren.