De auteur is hoofdeconoom van Petercam Vermogensbeheer.
...

De auteur is hoofdeconoom van Petercam Vermogensbeheer. Reacties: visienoels@trends.be Beleggers volgen de stijging van de levensduurte op de voet en spreken van inflatie. Het is een sleutelelement voor de rente, het monetaire beleid en de aandelenmarkten. Inflatie doet de rente stijgen, wat niet goed is voor de aandelen. Maar te weinig inflatie is evenmin goed; er wordt dan over deflatie gesproken. Pover resultaat. De Amerikaanse centrale bank vreesde nog geen twee jaar geleden voor deflatie. Ze heeft er alles aan gedaan om die dreiging te bestrijden, onder meer door de inflatoire krachten aan te wakkeren. Alle ingrediënten die normaal tot een inflatieopstoot leiden, zijn bijgevolg nu aanwezig: een oplopend begrotingstekort, een roekeloze geldgroei, een sterke toename van het bruto binnenlands product (BBP), een lage werkloosheid en een dalende dollar. Ook de verdubbeling van de olieprijzen heeft vanzelfsprekend een stimulerende invloed op de inflatie. Het resultaat is een inflatiecijfer van iets meer dan 3 %. Drie keer meer dan enkele jaren geleden, dat klinkt spectaculair. Maar de kerninflatie bedraagt nog steeds minder dan 2,5 % en zoiets kan je bezwaarlijk een ramp noemen. Waarschijnlijk liggen de echte inflatiecijfers in de VS wel een stukje hoger: de Amerikaanse overheid sprong de afgelopen jaren immers heel creatief om met het meten van prijsverhogingen. Als die het gevolg zijn van een kwaliteitsverbetering, wordt het cijfer bijvoorbeeld gecorrigeerd. Dat schaaft naar schatting jaarlijks een procent af van de echte inflatie. Maar dan nog is het een pover resultaat voor alle geleverde inspanningen. Hoe komt het dat er niet meer inflatie is? Warm en koud blazen. Zoals we al enkele keren schreven, is er een strijd bezig tussen de inflatoire en deflatoire krachten. Daarom krijg je dikwijls zo'n snelle wisseling tussen het warmte- en het koudegevoel. Het ene moment vrezen de economen voor deflatie, dan weer voor inflatie, of stagflatie. Maar binnen het jaar zullen ze het wel weer over deflatie hebben. Dat warm-en-koud-gevoel krijg je ook bij de resultaten van de bedrijven. Voor elk slecht rapport (Philips, IBM, GM...) is er een goed (Intel, Google, Caterpillar...). Die bedrijfscijfers geven heel wat informatie over het warm-en-koud-fenomeen. Nokia haalde onder meer goede cijfers door zijn uitgaven voor onderzoek & ontwikkeling terug te schroeven en won marktaandeel dankzij zijn nieuwe cameratelefoons. Intel dan weer haalde hogere volumes met zijn nieuwste chip Centrino. Technologie en prijszettingskracht. Om telefoons te blijven slijten, moet Nokia in zijn toestellen tegenwoordig ook camera's, agenda's, een wekker en spelletjes inbouwen. Terwijl je vroeger vijf toestellen kocht, koop je er nu nog één, en elke maand wat goedkoper. Ook Intel slaagt er niet in om de enorme inspanningen in technologie en de fenomenale vooruitgang in rekensnelheid te verzilveren. De operationele winst van de halfgeleiderreus is tijdens de afgelopen negen jaar zo vlak als een pannenkoek gebleven, terwijl de processors in diezelfde periode wel veertig keer sneller zijn geworden. In de nieuwe economie is het dus warm qua volume, maar koud qua prijs. Het is opmerkelijk dat de sectoren mét prijszettingskracht eerder tot de oude economie behoren: staal, scheepstransport, cement... Mijn bakker kan makkelijker de prijs van zijn gebakjes verhogen dan een multinational zijn hightechspullen. In de oude economie werd twintig jaar lang continu geherstructureerd, ondergeïnvesteerd en geconsolideerd. Bij een sterke vraagstijging zijn er al snel flessenhalzen, en de weinige spelers die er nog zijn (oligopolie), werken elkaar niet tegen om dan de prijzen te verhogen. Het grootste deel van onze economie zit echter niet in die luxesituatie en heeft te kampen met een enorme overcapaciteit. Maar dat vooral de technologiesector zo'n snelle en sterke prijserosie ondervindt, heeft te maken met de eigen strategie. Technologiebedrijven hebben soms te snel nieuwe producten gelanceerd, terwijl de 'oude' nog een langere levenstijd hadden kunnen hebben. Intel is daar een mooi voorbeeld van. De meeste computergebruikers krijgen een Porsche-chip, terwijl een Golf voor hun gebruik zou volstaan, en daarvoor betalen ze dan nog de prijs van een Logan. Indien Intel zijn O&O gerentabiliseerd had willen zien, zouden we de pc's die we vandaag gebruiken, eigenlijk maar over tien jaar mogen krijgen. De farmasector heeft wat dat betreft beter gepresteerd. Farmaceutische bedrijven trachten een nieuwe generatie geneesmiddelen pas te lanceren wanneer het patent op de vorige generatie is verstreken. Dat heeft de marges lange tijd sterk ondersteund en ook de O&O aangemoedigd. Het model van de farmagiganten is nog onlangs onder druk komen te staan, onder meer door de concurrentie van generische producten en de absurde Amerikaanse aansprakelijkheidswetgeving. De obligatiemarkten zijn ook nog niet overtuigd van een nakende uitbraak van inflatie. In euroland is de rente zelfs weer aan het flirten met laagterecords. Totnogtoe is niemand erin geslaagd inflatie te creëren; maar aan assetinflatie (een stijging van de huizenprijzen bijvoorbeeld) is er alleszins geen gebrek in de VS (en meer en meer ook in Europa). Geert Noels